En de sloop van de geesteswetenschappen, die gaat natuurlijk gewoon verder deze zomer

O ja, hoe gaan de oudheidkundige disciplines ook alweer ten onder? Ik blogde er begin juni over en schreef er, omdat ik toen toch bezig was, ook een stuk over in Handelsblad. Uit dat laatste citeer ik mezelf:

De afgelopen maand was het in de oudheidkunde raak. Eerst was het crisis bij de archeologen van Sheffield, vervolgens waren enkele studierichtingen in Halle-Wittenberg aan de beurt en daarna lagen de classici van de Howard-universiteit in Washington onder vuur. Opmerkelijk: de classici waren niet heel behulpzaam toen de archeologen in Sheffield onder druk stonden, en omgekeerd liepen de archeologen zich het vuur niet uit de sloffen voor de classici. Terwijl het gaat om vervlochten vakgebieden.

Lees verder “En de sloop van de geesteswetenschappen, die gaat natuurlijk gewoon verder deze zomer”

Een geschiedenis van de Nederlandse archeologie

Ik ken Theo Toebosch al jaren persoonlijk. We doen vergelijkbaar werk en zouden elkaar dus vroeg of laat wel tegen zijn gekomen, maar het helpt natuurlijk wel dat we nog geen 700 meter van elkaar af wonen. Ik heb al eerder over zijn boeken geschreven, zoals dat over het vroegste Amsterdam, dat over de familie Josephus Jitta en dat over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Allemaal heel lezenswaard – en dat zou ik ook zeggen als ik hem niet kende.

Zijn boek Grondwerk gaat over de geschiedenis van de Nederlandse archeologie. Ik ben heel blij dat het bestaat want het zijn de verhalen die elke betrokkene half kent en helemaal wil kennen. Iedere Nederlandse oudheidkundige kent Reuvens en weet dat hij twee eeuwen geleden de eerste was die zich ook in het Nederlands “archeoloog” liet noemen, maar je wil eigenlijk eens precies weten wat die reus zoal vermocht.

Lees verder “Een geschiedenis van de Nederlandse archeologie”

Geliefd boek: The ruins of Nineveh and Babylon

Twee lamassu’s uit Nineveh

Austen Henry Layard vertrok in augustus 1849 vanuit (toen nog) Constantinopel om opnieuw opgravingen te doen in Nineveh en Nimrud. Zijn verslag van deze periode is vastgelegd in Discoveries among the ruins of Nineveh and Babylon (1853) en vormt een fascinerende aaneenschakeling van beschrijvingen van zijn ontdekkingen, waaronder de beroemde Assyrische reliëfs waarvan hij sommige zelfs nog in kleur heeft gezien en de lamassu’s (een woord wat door Layard overigens niet wordt gebruikt; hij spreekt over het algemeen van “winged bulls”) alsmede van zijn ontmoetingen met de lokale stammen. Ook verhaalt Layard uitgebreid en enthousiast over de inborst en gebruiken van de bedoeïenen.

Broederschap

Een opmerkelijk voorbeeld van wat Layard zoals vertelt, vormt het bestaan van een “rediff”, een persoon uit een, bij voorkeur, vijandige stam met wie een strijder een broederschap vormt. Deze broederschap over en weer vormt een bescherming als beide stammen in oorlog raken. De strijder wordt dan, ondanks de oorlog, beschermd door de familie van de rediff en andersom, familie en vrienden van de rediff zijn beschermd tegen geweld bij de familie van de krijger. Een hele praktische maatregel om eventuele onderhandelingen te vergemakkelijken en geweld te voorkomen. De krijger en zijn rediff zijn onafscheidelijk, en de plaats van de rediff tijdens het reizen is op de achterhand van de dromedaris waar hij zich met hoog opgetrokken benen vastklemt aan het zadel. Wellicht dankt de rediff zijn naam aan deze plek: het Arabische woord radif betekent onder meer “bil”.

Lees verder “Geliefd boek: The ruins of Nineveh and Babylon”

De schepen van Mainz

Nachbau 2 (= Mainz 3)

Ik ben al jaren niet in Mainz geweest. Dit najaar heb ik even gespeeld met de gedachte er weer eens naartoe te gaan, maar de reisbeperkingen zijn te streng voor een onbekommerd weekendje weg. Niettemin: er zijn daar prachtige musea, waarvan het Gutenberg-Museum het belangrijkste is. Er is ook een tempel voor Isis en de Grote Godenmoeder met een leuke expositie; even verderop is het Landesmuseum met een prachtig lapidarium vol inscripties en sculptuur; nog even verderop is, in dezelfde straat, het Römisch-Germanisches Zentralmuseum. Dat biedt meer dan de naam suggereert, namelijk een overzicht van de antieke cultuur van Egypte tot Byzantium, alsmede een Biergarten.

Maar wat echt bijzonder is, is het Museum für Antike Schifffahrt. De spelfout waar u als de kippen bij bent, is niet de mijne, of beter: sommigen menen dat het museum zijn naam moet spellen zoals het historisch is gegroeid, anderen vinden dat de spelling mee moet gaan met de Rechtschreibreform van ’96. Althans, dat hoorde ik de laatste keer dat ik er was. Van een suppoost die ook vertelt dat de expositiehal ooit is gebouwd als zeppelinfabriek, ben ik echter op alles bedacht. De website toont in elk geval nog steeds beide spellingen.

Lees verder “De schepen van Mainz”

Waarom is archeologie belangrijk?

Een incident waarover ik vaker heb geblogd: staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra die zei niet te weten wat hij moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”. Het schokkende was niet de provocatie maar het uitblijven van repliek. Er werd wel geklaagd, maar ik heb geen ingezonden stukken gelezen en heb geen hoogleraren zien aanschuiven bij DWDD om uit te leggen hoe archeologie de empirische onderbouwing heeft geleverd van de vooruitgangsgedachte. Deze stilte is raar, want als antivaxxers of klimaatontkenners wartaal uitslaan, komen er wel reacties.

Het voorval is bovendien niet uniek. Ander voorbeeld: een artikel waarin stond dat het bewijs voor het bestaan van het Nijmeegse aquaduct niet alleen op vondsten was gebaseerd maar ook op vergelijking, zou de aquaductenaffaire van 2014 in de kiem hebben gesmoord. Maar zelfs toen de Radbouduniversiteit om advies werd gevraagd, zwegen de archeologen. Nog een voorbeeld: geen archeoloog heeft antwoorden gegeven toen burgers via de Nationale Wetenschapsagenda vragen stelden.

Lees verder “Waarom is archeologie belangrijk?”

De Trojaanse Oorlog (slot)

Model van een strijdwagen uit de Late Bronstijd, gevonden in Kamed el-Loz, Libanon (Nationaal Museum, Beiroet)
Model van een strijdwagen uit de Late Bronstijd, gevonden in Kamed el-Loz, Libanon (Nationaal Museum, Beiroet)

[Het laatste stukje in mijn kerstserie over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hethitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Eerst maar even een samenvatting van wat we tot nu toe hebben bezien. In de eerste plaats: dé ontdekking van Heinrich Schliemann was de Egeïsche Bronstijdcultuur, ergens tussen 1600 en 1200 v.Chr. Deze mensen spraken Grieks, zoals we zagen door de ontcijfering van het Lineair-B. Verder hebben we gezien dat archeologen vaststelden dat er in Troje allerlei bewoningslagen zijn, waarvan er twee in aanmerking komen het Homerische Troje te zijn geweest:

  • het prachtige Troje VI, dat rond 1300 v.Chr. ten onder is gegaan door een aardbeving,
  • en Troje VIIa, dat door mensenhanden is verwoest rond 1190 v.Chr., op een moment waarop de Mykeense Grieken geen expeditie meer konden uitvoeren.

Dat is een behoorlijk probleem. Het Hethitische materiaal (1, 2, 3) leverde het inzicht op dat de op een steile heuvel gelegen stad ooit Wiluša en Taruwiša heeft geheten, geregeerd is geweest door een koning Alaksandus en de god Apalliunas heeft vereerd. Het leverde ook voldoende aanwijzingen op voor een Trojaanse Oorlog. Om precies te zijn: voor een handvol min of meer Trojaanse Oorlogen.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (slot)”

Waarom de Oudheid zo leuk is

Drusus (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Het standaardverhaal over de Romeinse aanwezigheid in wat nu Duitsland heet, is ongeveer als volgt: de Romeinse generaal Drusus trok kort voor het begin van de jaartelling over de Rijn en verlegde de grens naar de Elbe, tot de Germanen in de Slag in het Teutoburgerwoud in 9 n.Chr. drie legioenen vernietigden en de Romeinen zich op de Rijn terugtrokken. Daar is toen de limes ontstaan.

Dit verhaal is heel problematisch. In de eerste plaats staat nergens in de bronnen dat de Romeinen het plan hadden de Elbe als grens te nemen. De vaak geboden moderne verklaring voor dit strijdplan, dat de Elbe-grens korter zou zijn, is pure fantasie. Ze is in elk geval in strijd met wat de Romeinen zelf dachten, want volgens hun topografische inzichten zou de Elbe-grens juist langer zijn geweest. Voor wat het waard is: ik voor mij denk dat ze niet verder hebben willen oprukken dan de Weser. Het stroomgebied van de Elbe is wel verkend, maar het feit dat nog nooit een fort of zelfs maar een marskamp is gevonden tussen de twee rivieren, suggereert dat men er nooit lang kan zijn gebleven.

Lees verder “Waarom de Oudheid zo leuk is”

Een middeleeuws Venndiagram

Het tekenen van Venndiagrammen is brugklasstof. Simpel samengevat: je tekent kringen die staan voor verzamelingen. Zo kun je makkelijk visualiseren waar de overlap zit.

disciplinesHet voorbeeld rechts toont bijvoorbeeld historici, filologen, archeologen en godsdienstwetenschappers.  Deze manier om verzamelingen voor te stellen is rond 1880 bedacht door de Britse wiskundige John Venn, die echter nooit heeft beweerd dat hij kwam met iets werkelijk nieuws. Het is dan ook een heel natuurlijke manier om deelverzamelingen te conceptualiseren. Ik stel me voor dat boeren zo wel eens schetsje maakten van de twintig schapen van de ene boer, de dertig van de andere, en de vijf lammetjes waarop ze allebei aanspraak konden maken.

Lees verder “Een middeleeuws Venndiagram”

Institutionalisering is een drug

Wolf

In 1806 versloeg Napoleon de legers van Pruisen in de slag bij Jena. Het jaar ervoor had hij Oostenrijk en Duitsland bij Austerlitz al vernederd, en hij had langs de Rijn al een reeks vazalstaatjes gesticht. Midden-Europa was door-en-door geschokt en in Duitsland was men ervan overtuigd dat alles anders moest. In de Pruisische hoofdstad Berlijn trad, onder leiding van Heinrich Reichsfreiherr vom und zum Stein, een van de meest vernieuwingsgezinde kabinetten aan die de wereld ooit heeft gezien.

Onderwijs ressorteerde onder minister Wilhelm von Humboldt, een bekende taalkundige en een persoonlijke vriend van de beroemdste classicus van die tijd, Friedrich August Wolf (1759-1824). Zij samen zijn de architecten van de oudheidkunde, zoals die tot op de huidige dag bestaat: Wolf als architect en Von Humboldt als uitvoerder.

Lees verder “Institutionalisering is een drug”

De klad in de klassieken

In het kader van de schaamteloze zelfpromotie: De klad in de klassieken is vanaf vandaag leverbaar. Het is in feite de toetsing van een bepaling uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

Universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. … In elk geval dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij.

Dat laat weinig aan duidelijkheid te wensen over, maar de overdracht van kennis is totaal ongecontroleerd, zodat veel onjuiste informatie in omloop kan komen. De verspreiding daarvan gaat, met het internet als katalysator, sneller dan ooit en wordt nauwelijks gepareerd. De correcte informatie ligt namelijk achter slot en grendel op wetenschappelijke betaalsites.

Tegelijkertijd krijgen studenten minder tijd om hun vak te leren, worden onderzoekers gedwongen tot een ongezond specialisme en is er meer informatie dan ooit. Niemand heeft overzicht. Als er dan ook verwaarloosde onderzoeksvragen zijn, kan een vakgebied in grote problemen raken. Dat is gebeurd met de oudheidkunde.

Wat te doen?

Ik denk dat het in elk geval zinvol is om eens uit te leggen waaruit het werk van classici, archeologen en oudhistorici bestaat. Niet alleen het grote publiek, ook de betrokkenen zelf weten het vaak niet. Er zou al een wereld zijn gewonnen als archeologen opnieuw leerden hoe ze met bronnen moesten omgaan, als classici voorzichtiger oordeelden over geschiedenis en als historici eens serieus werk maakten van de archeologie. Kortom, in zeven hoofdstukken leg ik uit wat oudheidkundigen nu eigenlijk doen.

In de laatste drie hoofdstukken leg ik uit welke problemen er zijn. Het ernstigste daarvan is, zoals gezegd, dat de samenleving niet adequaat wordt geïnformeerd. De klad zit echter niet alleen in de klassieken. Ook andere vakgebieden kunnen in de problemen raken doordat de controlemechanismen tekortschieten. Ik hoop met dit boek te bereiken dat er een discussie komt over de vraag of de gebureaucratiseerde universiteiten, die vijandig staan tegenover de geesteswetenschappen, nog de juiste institutionele inbedding zijn van deze disciplines.

Synopsis hier, conclusies daar; errata eerste druk. Bestellen kunt u daar.