Misverstand: Et tu, Brute?

Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Misverstand: Caesars laatste woorden waren “Et tu, Brute?”

Na Caesars overwinningen in Gallië draaide het Romeinse politieke leven om nog maar twee politici: Pompeius en Caesar. Ze kwamen gewapend tegenover elkaar te staan in een burgeroorlog. De laatste won. Vanaf 48 v.Chr. was Caesar alleenheerser in wat officieel nog steeds een republiek was. Veel senatoren, ook degenen die hun benoeming aan hem hadden te danken, vonden dat zoveel macht bij één man gevaarlijk was. Op 15 maart 44 v.Chr. vermoordden ze de al te succesvolle generaal. Een van de moordenaars was Marcus Junius Brutus Caepio, de zoon van Caesars maîtresse.

De laatste woorden van de vernietiger van de republiek worden vaak aangehaald als “Et tu, Brute?”, “Ook jij, Brutus?” Deze woorden zijn op geen enkele plaats vermeld vóór Shakespeares toneelstuk Julius Caesar.

Betere papieren heeft “Tu quoque, Brute?”, wat hetzelfde betekent. Deze woorden zijn voldoende bekend om specialisten in de argumentatieleer ertoe te brengen de jij-bak officieel aan te duiden als het tu quoque-argument. Maar ook deze uitspraak heeft Caesar niet gedaan. Als hij al iets zei, deed hij dat in het Grieks. De biograaf Suetonius schrijft:

Toen hij merkte dat hij van alle kanten met getrokken dolken werd belaagd, omhulde hij zijn hoofd met zijn toga en trok gelijk met zijn linkerhand de plooien van zijn toga omlaag tot aan zijn voeten, zodat ook het onderste gedeelte van zijn lichaam bedekt zou zijn en hij er behoorlijk bij zou liggen. Alleen bij de eerste stoot kermde hij zonder een woord, al hebben sommigen overgeleverd dat hij, toen Marcus Brutus zich op hem stortte, in het Grieks tot hem heeft gezegd: “Ook jij, mijn zoon?” (Suetonius, Leven van Caesar 82.2)

Naschrift

In een aardig artikel uit 2016 wijst Ioannis Ziogas erop dat Caesars laatste woorden niet de vraag zijn van een verbijsterd man. De Griekse woorden kai su betekenen letterlijk “ook jij”, maar betekenen in feite “morgen gij”.

Nu u hier toch bent…

Door de coronacrisis ben ook ik aan huis gebonden. Terwijl ik graag wat had gedaan om mijn boek te promoten over de wedloop tussen papyrusvervalsers en wetenschappers, Bedrieglijk echt. Dat de oudheidkunde wordt gebruikt om de winst van zwarthandelaren op te drijven, vond (en vind) ik voldoende verontrustend om het wat meer onder de aandacht te hebben willen brengen. Dus bestel, lees en bespreek dat boek. Of bekijk dit filmpje. Ik ben trouwens ook beschikbaar voor betaald schrijfwerk.

[Oorspronkelijk verschenen in mijn boekje Spijkers op laag water (2009)]

De dubbele slag bij Filippoi (4)

Het moerasgebied van Filippoi, inmiddels iets droger

[In mijn hier begonnen reeks over het conflict tussen enerzijds Marcus Antonius en Octavianus en anderzijds de moordenaars van Caesar, Brutus en Cassius, behandelde ik gisteren de eerste slag bij Filippoi, die onbeslist eindigde, al pleegde Cassius zelfmoord.]

Appianus van Alexandrië schrijft dat Brutus een grafrede hield voor zijn collega en hem prees als de “laatste der Romeinen”. Onze andere bron, Cassius Dio, moet deze informatie achterwege laten, want voor hem vormden de overwinning van Octavianus en de stichting van het keizerrijk, ondanks de weinig nobele motieven waarmee dit was gebeurd, een goede zaak. Er waren nog vele generaties goede Romeinen geweest. De keuze tussen vrijheid en stabiliteit, zoals Caesar en Octavianus en  de feiten hadden uitgelegd, was in Dio’s tijd geen actuele meer.

Lees verder “De dubbele slag bij Filippoi (4)”

De dubbele slag bij Filippoi (3)

Het slagveld, bezien vanaf de citadel van Filippoi

[Ik blogde vorige week over de Derde Burgeroorlog, het conflict dat na de moord op Caesar de Romeinen verdeelde tussen zijn aanhangers, aangevoerd door Marcus Antonius en Octavianus, en zijn tegenstanders, aangevoerd door Brutus en Cassius. Hun legers raakten slaags bij Filippoi in oostelijk Macedonië. De Grieks-Romeinse auteur Cassius Dio presenteert het als een conflict tussen de vrijheid van een republiek tegen de rust van de monarchie.]

Hoewel Cassius Dio weergeeft wat ruwweg de inzet van het conflict was, klopt er weinig van zijn verhaal over de veldslag, zoals blijkt als het wordt vergeleken met dat van Appianus van Alexandrië. Die vertelt hoe de twee legers tegenover elkaar lagen en hoe Marcus Antonius besloot een dam door het moeras te bouwen om zo achter de kampen van Cassius en Brutus te komen en de weg naar hun aanvoerbasis af te snijden. Tien dagen lang werkten de legionairs in het moeras.

Lees verder “De dubbele slag bij Filippoi (3)”

De dubbele slag bij Filippoi (2)

De eerste slag bij Filippoi

[Ik blogde gisteren over de Derde Burgeroorlog, het conflict dat na de moord op Caesar de Romeinen verdeelde tussen zijn aanhangers, aangevoerd door Marcus Antonius en Octavianus, en zijn tegenstanders, aangevoerd door Brutus en Cassius. Hun legers stonden tegenover elkaar bij Filippoi in oostelijk Macedonië.]

Opgehouden door Brutus en Cassius richtten Marcus Antonius en Octavianus een groot kamp in en begonnen ze met de verkenning van de omgeving. Een moeras maakte een omtrekkende beweging naar het zuiden onmogelijk en bergen belemmerden een noordelijke omweg. Omsingelen was dus onmogelijk.

Een tijd lang kwam het niet tot een formeel gevecht, terwijl Octavianus en Antonius er juist op gebrand waren het snel op een treffen te laten aankomen. Immers, ze hadden wel betere soldaten dan hun tegenstanders, maar hun bevoorrading liet te wensen over. … Cassius en Brutus hadden helemaal niets tegen een formele veldslag. Hun troepen waren weliswaar van mindere kwaliteit, maar ze hadden er wél meer. Maar toen zij de positie van hun tegenstanders nog eens overdachten en die vergeleken met die van henzelf – iedere dag kregen zij er bondgenoten bij en hun schepen zorgden voor een overvloedige aanvoer van proviand – was dat voor hen juist reden om zich niet al te druk te maken. Misschien konden ze wel de overwinning behalen zonder al te veel risico of verlies aan mensenlevens.

Lees verder “De dubbele slag bij Filippoi (2)”

Romeins portret

brutus_cm
De zogenaamde Brutus (Capitolijnse musea, Rome)

De tweede in mijn reeks van voorwerpen uit de Oudheid die niet waren wat we dachten is een heel simpele: de bovenstaande buste gold lange tijd als een portret van Brutus, de man die tegen het einde van de zesde eeuw de koningen verdreef uit Rome en de republiek stichtte. Die identificatie is gebaseerd op munten uit de eerste eeuw v.Chr., waarop Brutus met een korte baard staat afgebeeld.

Wanneer die identificatie is ontstaan, weet ik niet, maar in 1789 was de Franse schilder Jacques-Louis David ermee vertrouwd: op zijn doek Les licteurs rapportent à Brutus les corps de ses fils toont hij hoe Brutus vergeefs probeert – let op de verkrampte voeten – onbewogen te reageren als hij wordt geconfronteerd met de lichamen van zijn zonen, die hij zelf ter dood heeft veroordeeld. De geschilderde Brutus is duidelijk geïnspireerd op de buste.

Lees verder “Romeins portret”