Eunuch

Koning Jehu van Israël onderwerpt zich aan Šalmanasser van Assyrië, met links en rechts twee ša-rēši (British Museum, Londen; meer)

Hoe spreek je het woord “eunuch” uit? Het was een vraag die vanmorgen op Twitter langskwam en ineens moest ik eraan denken dat als ik over dit soort ontmande hovelingen spreek, ik de juiste uitspraak ook niet weet. Spreek je de eerste lettergreep van dit van oorsprong Griekse woord uit als /ui/, zoals in “Zeus”, of als /eu/, zoals in “eucalyptus”? En leg je de klemtoon op de eerste of de tweede lettergreep? Ik weet het gewoon niet, terwijl het toch een woord is dat ik professioneel weleens gebruik.

Ondertussen zijn het interessante mensen. In het oude Assyrië heetten ze ša-rēši, wat zoiets wil zeggen als “degene die staat bij het hoofd”. Dat “hoofd” kan letterlijk worden gelezen en kan dan betekenen dat de man –  u mag hier zelf een flauwe grap maken – heel dicht bij de vorst staat: hij is het oog des konings, hij heeft het oor van de heerser, hij verneemt alles uit de mond van de monarch zelf. Misschien is echter het hoofdeinde van een bed bedoeld en was de ša-rēši niet een hoge uitvoerende beambte maar een kamerling. Het Arabische woord ra’s heeft dezelfde ambiguïteit: het betekent zowel “hoofd” als “uiteinde” (bijv. in ras al-ghul, “hoofd van de demonen”, en in de namen van kapen, zoals Ras-Shamra, Ras al-Hillal, Ras al-A’ali).

Lees verder “Eunuch”

Misverstand: De menora

De menora op de ereboog van Titus in Rome

Misverstand: De menora is in het Vaticaan

De Visigoten plunderden in 410 de stad Rome en in 455 deden de Vandalen het nog eens over. Ze namen veel kunstvoorwerpen mee, waaronder de tempelschat die Titus in 70 uit Jeruzalem had meegenomen. De moslimlegers die in 711 Toledo innamen, troffen daar de tafel met de toonbroden aan die de Visigoten hadden meegenomen uit Rome. De Vandalen namen de menora, de beroemde zevenarmige kandelaar mee naar Karthago. Toen de Byzantijnse generaal Belisarius die stad in 534 veroverde, nam hij het eeuwenoude voorwerp mee naar Constantinopel.

De menora staat dus niet in een van de kelders onder het Vaticaan, zoals men in Italië al een jaar of vijftien lijkt te denken. Het gerucht kreeg vleugels toen paus Benedictus XVI in mei 2009 Israël bezocht, en twee ultraorthodoxe joden eisten dat hij zou worden gearresteerd en vastgehouden tot de menora werd teruggegeven. De rechter wees het verzoek onmiddellijk af – helaas onder verwijzing naar de immuniteit die de paus als staatshoofd genoot, en niet met een beroep op het gezonde verstand.

Lees verder “Misverstand: De menora”

Byzantijnse inscriptie

Byzantijnse inscriptie in Sfax

Sfax, aan de oostkust van Tunesië, ruwweg halverwege, bezoek je niet om de Oudheid, hoewel dit ooit de Romeinse stad Taparura was. Er is echter wat mooie architectuur uit de jaren vijftig van de vorige eeuw en een oude stad, de medina, die teruggaat tot de negende eeuw. De voorgeschiedenis is dat het Umayyadenkalifaat ten val was gebracht en dat de nieuwe dynastie, de Abbasieden, niet er niet in slaagde effectief gezag uit te oefenen in Ifriqiya, zoals Tunesië destijds heette. Dat veranderde pas rond 800, toen Ibrahim ibn al-Aghlab werd benoemd als gouverneur. Hij stichtte de dynastie der Aghlabiden, met als hoofdstad Kairouan. De grote moskee, met ’s werelds oudste minaret, dateert uit deze tijd.

De Aghlabidische emirs stabiliseerden niet alleen het Abbasidische gezag in Ifriqiya, maar veroverden ook Sicilië en plunderden de Sint-Pieter in Rome. Ze hadden dus belangstelling voor de zee en bouwden langs de kust een reeks versterkingen, de ribats. De afgelopen weken bezochten we Kelibea, Hammamet, Sousse, Monastir, Mahdia en dus ook Sfax, dat is gesticht in 846. De grote moskee volgde drie jaar later. Toen we langs de muren wandelden, zagen we de hierboven afgebeelde in het Grieks gestelde inscriptie.

Lees verder “Byzantijnse inscriptie”

De valse Mozes

Als je een religie hebt die veronderstelt dat er een eindtijd zal zijn, of als je een godsdienst hebt die aanneemt dat een bovennatuurlijke macht ooit een lang-verloren koninkrijk zal herstellen, zullen er altijd mensen zijn die denken te kunnen uitknobbelen wanneer een en ander zal plaatsvinden. Ik heb weleens gewezen op de aanwezigheid van een henochitische berekening in het Lukasevangelie. De Babylonische Talmoed documenteert dat ook het jodendom zulke speculaties kende (Sanhedrin 97b).

Rabbi Hanan ben Tahlifa vertelde aan rabbi Jozef: Ik ontmoette eens een man die een in Assyrische tekens geschreven Hebreeuwse boekrol bezat. Ik vroeg: “Hoe kom je daaraan?” Hij vertelde: “Ik diende als huurling in het Romeinse leger en vond het in de Romeinse archieven. Er staat in dat 4231 jaar na de Schepping de wereld wees zal worden. Van de daarop volgende jaren zullen er sommige worden besteed aan een oorlog tegen de grote zeemonsters en sommige aan de oorlog van Gog en Magog, maar de resterende jaren zullen de messiaanse tijd vormen.”

Lees verder “De valse Mozes”

Laatantiek Cyprus

De bruiloft van David en Mikal: een van de stukken uit de Lambousa-schat uit Lapethos (Cyprus Museum, Nicosia)

In de vierde eeuw n.Chr. werd Cyprus getroffen door twee aardbevingen (in 332 en 342). De schade was voldoende om de provinciale hoofdstad van Pafos te verplaatsen naar Salamis, dat werd omgedoopt tot Constantia (naar keizer Constantius II). Over het algemeen bleef het eiland echter floreren.

De geschiedenis van Cyprus was in deze tijd die van het oostelijke deel van het Romeinse Rijk. De bewoners volgden de religieuze mode en bekeerden zich tot het christendom. Naar verluidt heeft de moeder van keizer Constantijn de Grote, Helena, achter Larnaka het Stavrovouni-klooster gesticht. Christelijke basilieken verrezen in Nicosia, Salamis en Kourion. In 488 kreeg het eiland een speciale status binnen de kerk: het werd als autokefaal beschouwd, wat betekent dat de belangrijkste bisschop geen verantwoordelijkheid was verschuldigd aan een van de patriarchen. Dit is nog steeds het geval, al bevindt de bezoeker zich absoluut in de sfeer van de Griekse orthodoxie.

Lees verder “Laatantiek Cyprus”

Uit de diepten van de hel (bis)

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Chalkedon (451). Let op de duivelse influisteringen van twee ketters rechts.

Ik denk dat ik wel ongeveer weet wat een goed boek is. Ik zou het omschrijven als een boek dat onze cultuur helpt verrijken. Dat is inderdaad een flauwe formulering, aangezien er letterlijk honderden definities bestaan van cultuur, maar omdat die onderling familiegelijkenis vertonen, durf ik erop te vertrouwen dat u wel begrijpt in welke richting ik zoek. Als verrijking beschouw ik het als boeken nieuwe – of niet heel gangbare – ideeën toevoegen aan het conglomeraat van opvattingen dat al de ronde doet.

Anders gezegd, ik zoek boeken die iets vertellen dat we nog niet wisten, zoals Gödel, Escher, Bach dat destijds deed. Of die een helder overzicht bieden waar dat online niet bestaat, zoals Gzella’s geschiedenis van het Aramees (bespreking) of Oudheid als ambitie (bespreking) van Enenkel en Ottenheym. Ik noem nu nonfictie-titels, maar ik verwacht hetzelfde van fictie. Dat is immers slechts een andere manier om ideeën over te dragen.

Om me tot geschiedenisboeken te beperken: daarvan verwacht ik om te beginnen dat de argumentatie op orde is. Een auteur moet niet à la Tom Holland negentiende-eeuwse sjabloons herhalen, maar de stand van zaken in het onderzoek kennen. Verder verwacht ik dat een boek in evenwicht is. Een Simon Schama die in zijn geschiedenis van de joden wél alle antijoodse polemieken van de christenen opsomt maar onvermeld laat dat de joden terugscholden, schrijft gewoon geen goed boek.

Lees verder “Uit de diepten van de hel (bis)”

De Avaren

Laten we er kort en duidelijk over zijn: de Avaren zijn een van de allerbelangrijkste spelers geweest in de geschiedenis van Europa. Ruim een kwart millennium, laten we zeggen van 550 tot 800 ofwel van Justinianus tot Karel de Grote, beheersten ze het centrum van het werelddeel, ruwweg van wat nu Oostenrijk heet tot halverwege Bulgarije. Een supermacht. We kunnen er echter even kort en duidelijk over zijn dat wat we over hen weten, omgekeerd evenredig is aan hun belang. Kortom, een vrijwel vergeten koninkrijk of (zoals ze het zelf noemden) khaganaat.

Het standaardwerk over de Avaren is al sinds jaar en dag – nou ja, eigenlijk bedoel ik sinds 1988 – Die Awaren. Ein Steppenvolk im Mitteleuropa, 567-822 n.Chr. van de Weense historicus Walter Pohl. Ik heb het boek jaren bezeten, las het ooit voor een kwart, verloor de draad, hernam de lectuur, heb het in Boedapest in een hotel laten liggen en vergat het daarna. Ik heb die omissie goed kunnen maken nu enkele maanden geleden een verbeterde, Engelse versie is verschenen: The Avars. A Steppe Empire in Central Europe, 567-822.

Lees verder “De Avaren”

Uit de diepten van de hel

Christus als wetgever. Detail van een sarcofaag uit Rome (Louvre, Parijs)

Griekenland en Rome. Twee volken met een gedeelde, klassieke cultuur: dit is hoe we het beste kunnen kijken naar de antieke mediterrane wereld in de eerste eeuwen van onze jaartelling. We kennen de literatuur van enkele minderheden, zoals teksten in het Armeens, Hebreeuws en Aramees, maar vrijwel alle bewoners van het Romeinse Rijk deelden in meerdere of mindere mate in de klassieke cultuur. Zelfs degenen die erbuiten woonden, keken ernaar op. De Franken en Visigoten probeerden bijvoorbeeld een Romeins staatsapparaat op te bouwen.

Als iedereen Grieks-Romeins wilde zijn, komt de vraag op hoe de klassieke cultuur ten einde is gekomen, want vijanden had ze blijkbaar niet. Die vraag is oud: Zosimos was de eerste die keek naar het Romeinse Rijk als iets dat voorbij was. Als oorzaak wijst deze verstokte heiden op de verwaarlozing van de eredienst van de oude goden; als belangrijkste symptoom van de crisis wijst hij op de komst van vreemde stammen. Die hebben in de achttiende en negentiende eeuw opnieuw een rol gespeeld in de discussie, dit keer als oorzaak van de transformatie, en de twintigste eeuw leverde weer nieuwe verklaringen op.

Lees verder “Uit de diepten van de hel”

Byzantijnse krabbel (13b): Paulus Tagaris

De H.Sofia van Nicosia

Het zag er nu niet goed uit voor Paulus Tagaris. In Constantinopel zou zeker uitkomen dat hij geen lid was van de keizerlijke familie. Naar de patriarchen van Jeruzalem of Antiochië kon hij ook niet. Of hij Alexandrië of een terugkeer naar Perzië heeft overwogen is niet bekend. In elk geval vluchtte hij naar de vijfde patriarchenstad: Rome, waarheen de paus net vanuit Avignon was teruggekeerd. In Italië waren Byzantijnse geestelijken welkom, zeker nu er in Constantinopel een stroming was die in de zogenaamde Filioque-discussie, een van de meest heikele kwesties in die tijd, verzoening met de paus nastreefde.

Omdat Paulus om voor de hand liggende redenen niet door Constantinopel wilde reizen, trok hij door het gebied van de Mongoolse Gulden Horde – zeg maar Oekraïne – en Hongarije, bereikte Rome en gaf zich weer uit voor de patriarch van Jeruzalem, die was gekomen om te overleggen over de Filioque-kwestie. Wat de paus natuurlijk het liefste hoorde was dat zijn dwalende medebroeder in Christus zich bekeerde tot de ware christelijke leer – en dat deed Paulus dus. De paus, die een mogelijkheid zag zijn macht te vergroten, erkende hem in 1379/1380 als patriarch van Constantinopel, dit keer voor de Latijnse kerk. Dit was een officiële positie, al resideerde deze patriarch niet in Constantinopel maar in Chalkis op Euboia. Paulus stond nu aan het hoofd van alle rooms-katholieken op de Balkan en in Azië.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (13b): Paulus Tagaris”

Byzantijnse krabbel (13a): Paulus Tagaris

Tyrus, de resten van de kerk waar Paulus tot bisschop werd gewijd

Om een of andere duistere reden heeft Jan van Aken, die toch zo’n beetje alle schelmen van de Middeleeuwen heeft beschreven, zich nog niet gewaagd aan Paulus Tagaris, de grootste bluffer uit de Byzantijnse geschiedenis. We hebben het over de tweede helft van de veertiende eeuw, toen het Byzantijnse Rijk vanuit het oosten door de Ottomaanse Turken en vanuit het noordwesten door de Serviërs in de tang werd genomen. Alsof dit nog niet genoeg was, trok van 1346 tot 1353 de Zwarte Dood door Europa, die Constantinopel hard trof. De samenleving wankelde en dat bood aan een avonturier alle ruimte.

Het eerste wat we horen van Paulus is dat hij zich, na een mislukt huwelijk en een verblijf als monnik in Palestina, aandiende in Constantinopel met in zijn bezit een icoon met geneeskrachtige eigenschappen, waar hij goed geld mee wist te verdienen. De patriarch durfde aanvankelijk niet tegen hem op te treden omdat Paulus lid was van de vooraanstaande Tagaris-familie, maar uiteindelijk overspeelde hij zijn hand en werd hij teruggestuurd naar Palestina.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (13a): Paulus Tagaris”