#Romeinenweek: Ambiorix

Een aarden wal bij Kanne-Caestert

Vandaag begint de Romeinenweek. Er zijn tientallen activiteiten in het hele land en ze zijn zonder uitzondering allemaal ontzettend leuk. Het thema is “100% Romeins?”: hoe Romeins was de Romeinse tijd eigenlijk? Ik zal deze week elke dag een bron citeren over de Romeinse aanwezigheid in de Lage Landen.

De eerste is de historicus Cassius Dio: een heel voorname senator, afkomstig uit een van de oostelijke provincies, en schrijvend over Julius Caesars verovering van de Lage Landen. De legioenen hadden Gallië al onder de voet gelopen en waren al overgestoken naar Brittannië toen Caesar in de winter van 54/53 v.Chr. te maken kreeg met een inheemse opstand, aangevoerd door Ambiorix, de vorst van de Eburonen, een stam in de Maasvallei. Zijn eerste aanvalsdoel was het pas geformeerde Veertiende Legioen, dat gelegerd lijkt te zijn geweest te Kanne-Caestert, op het Belgische gedeelte van de Sint-Pietersberg.

Lees verder “#Romeinenweek: Ambiorix”

MoM: Eliminatie

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

Vorige week blogde ik over de Hangende Tuinen van Babylon en vertelde ik dat er verschillende antieke bronnen bestaan over die tuinen, maar dat die allemaal teruggaan op één bron. Dit betekent dat informatie uit de afgeleide bronnen mag worden genegeerd. Dit staat bekend als “eliminatie”. Het is een krachtig instrument om betrouwbaardere en minder betrouwbare informatie te scheiden, omdat we zo in elk geval auteurs uit de discussie halen die anderen napapagaaien.

Eerst een makkelijk voorbeeld waarvan het belang in één keer duidelijk is. We hebben vier verslagen van de laatste dagen van Jezus van Nazaret: de evangeliën van Matteüs, Marcus, Lukas en Johannes. Daartussen zitten wat verschillen, zoals u voor uzelf kunt constateren als u de laatste woorden van Jezus erop naslaat. Aangezien kan worden bewezen dat Matteüs en Lukas zijn afgeleid van het evangelie Marcus, hebben we voor de procesgang in feite maar twee getuigenissen, namelijk Marcus en Johannes. Matteüs en Lukas zijn, ten opzichte van Marcus, elimineerbaar. Dit betekent dat de beruchte zelfvervloeking van de Joden die Matteüs als enige vermeldt (“zijn bloed kome over ons en onze kinderen”) ook elimineerbaar is. Als Mel Gibson deze toont in zijn film The Passion of the Christ, wijkt hij af van zijn opzet de gebeurtenissen historisch zo accuraat mogelijk te tonen.

Lees verder “MoM: Eliminatie”

Methode op maandag | Ook gij

Lijkmasker van Julius Caesar (Palermo)

Voorbeeld één: vlak voordat Von Stauffenberg, de man van de mislukte poging Hitler te vermoorden, door het vuurpeloton werd doodgeschoten, riep hij nog iets. Sommige getuigen houden het erop dat het “Es lebe das heilige Deutschland!” of “das geheiligde Deutschland” was, terwijl een andere aanwezige meende te horen dat Von Stauffenberg “Es lebe das geheime Deutschland!” riep. We kunnen tussen deze varianten een keuze maken: voor zover we weten, heeft Von Stauffenberg zijn vaderland nooit heilig of geheiligd gevonden, terwijl hij behoorde tot de kring rond de dichter Stefan Georg, waarin men filosofeerde over een voorlopig geheim maar ooit komend, beter, aristocratisch Duitsland.

Voorbeeld twee: de laatste woorden van de dichter, geleerde en mediapersoonlijkheid Goethe werden gehoord als “Mehr Licht”. Een verwijzing naar de Aufklärung? Of zag de dichter hoe de hemel voor hem openging? Er is nog een andere lezing: Goethe wilde alleen maar zeggen dat hij niet lekker lag, in het Hessisch “mer licht”. Ook mogelijk. Dit keer hebben we geen gegevens die ons helpen kiezen.

Lees verder “Methode op maandag | Ook gij”

Appianus, Caesar en Cato

Zo zal Appianus er ongeveer uit hebben gezien: met een korte baard. Een Romein uit het tweede kwart van de tweede eeuw uit de Ny Carlsberg G in Kopenhagen.
Zo zal Appianus er ongeveer uit hebben gezien: met een korte baard. Een Romein uit het tweede kwart van de tweede eeuw uit de Ny Carlsberg Glyptotek in Kopenhagen.

Mag je het moderne woord “genocide” gebruiken om een antiek bloedbad te beschrijven? Ik blogde onlangs over de toepasbaarheid van onze eigen begrippen op andere culturen, concludeerde dat de waarheid in het midden lag en dat ’t erom ging op beredeneerde wijze tussen het eendere en het andere door te laveren. Vandaar dat oudheidkundige hebben nagedacht over hun begrippen.

Ik laat het aan uw eigen fantasie over na te denken over de vraag of je voor de Oudheid mag spreken over “historici”, maar om u een beetje op weg te helpen: alleen als je een heel wijde definitie kiest, zoals die van Huizinga (“de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden”), zijn klassieke auteurs als Thoukydides en Tacitus als historicus te typeren. Dat is geen verwijt, overigens, het is alleen de constatering van het feit dat bij deze auteurs het recente verleden dient als decor om belangrijker zaken te behandelen, zoals de aard van demagogie en burgeroorlog of de plichten van iemand die zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid wil nemen in een tijd van tirannie. Wie in de Oudheid een voor ons herkenbare historicus zoekt, kan beter kijken naar Arrianus (ca.87-ca.150), Appianus (ca.95-ca.165) en Cassius Dio (164-ca.235).

Lees verder “Appianus, Caesar en Cato”

Caesar in Kessel: terugblik (3)

De Maas (bij Batenburg, dus een eindje stroomopwaarts)

In de discussies over Caesars aanwezigheid bij Kessel speelt zijn eigen verslag van de gebeurtenissen een belangrijke rol. Ook het verslag van Appianus (waarover ik morgen nog iets heb recht te zetten) is van betekenis, maar de voornaamste bron is Caesars Gallische Oorlog. Daarin schrijft hij trots dat hij de Usipetes en Tencteri heeft laten afslachten bij de samenvloeiing van de Maas en de Rijn.

Deze passage is problematisch, niet in de laatste plaats omdat de Maas niet uitstroomt in de Rijn. Bij Kessel komt de Maas wel heel dichtbij de Waal en het is goed denkbaar dat de beddingen – dat rivieren slechts één bed hebben, is een ontwikkeling van na de bedijking – van de Maas contact maakten met de beddingen van de Waal. Ik denk zelf dat Caesar te kort in het hoge noorden is geweest om de situatie echt goed te verkennen, maar daarmee introduceer ik een hypothese. Gegeven de afstand tot de zee die Caesar noemt, denk ik echter dat ze beter te verdedigen is dan de hypothese dat hij niet de Maas (Latijn: Mosa) maar de Moezel (Mosella) bedoelde, al heeft die hypothese weer het voordeel dat deze twee stromen zich inderdaad verenigen. Koblenz is ernaar vernoemd: Confluentes, “samenvloeiingen”.

Lees verder “Caesar in Kessel: terugblik (3)”

Caesar in Kessel: terugblik (1)

Bataafse ruiters (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Het is alweer een tijdje geleden dat Julius Caesars aanwezigheid in de Lage Landen in het nieuws was: VU-archeoloog Nico Roymans meende dat hij de plek had gevonden waar de Romeinen de Usipeten en Tencteren had afgeslacht. Persbericht hier, Caesars woorden daar, context hier, belang daar. U hoeft geen professionele oudheidkundige te zijn om te vermoeden dat zo’n claim kan rekenen op kritiek. Een goed gedocumenteerd voorbeeld is het stuk van Evert van Ginkel dat u, als de materie u boeit, zeker moet lezen.

Caesar in Kessel is onder oudheidkundigen the talk of the town. Daarbij valt op dat in de discussie bepaalde types argumentatie steeds terugkeren. Men bewandelt steeds dezelfde paden. Eén ervan is bijvoorbeeld dat de vondsten ook anders kunnen worden uitgelegd – namelijk als een offerplaats – en dat Roymans dat ook zelf wel heeft gedaan. Het is bij archeologen, en vermoedelijk bij de meeste wetenschappers, een natuurlijke reflex om te kijken naar de feiten, de data, de empirische basis.

Lees verder “Caesar in Kessel: terugblik (1)”

Caesar in Noord-Gallië (4)

Caesar (Museum van Korinthe)

[Dit is het vierde uit een korte reeks stukjes waarin de Vlaamse archeoloog Guido Cuyt en ik de recente identificatie van Caesars slagveld bij Kessel proberen te plaatsen in de wijdere context van het onderzoek. In het eerste deel behandelden we dat de archeologische vondsten het verslag in Caesars Gallische Oorlog niet bevestigden, in het tweede zochten we naar het slagveld aan de Sabis en naar het heuvelfort van de Aduatuci., terwijl we in het derde bekeken of Atuatuca kon worden gezocht bij Kanne-Caestert.]

De kampen van Labienus en Cicero (54-53 v.Chr.)

In dit vierde stukje nog even wat losse eindjes voor we later vandaag kunnen ingaan op de betekenis van de identificaties voor de ontwikkeling van de oudheidkundige vaktheorie. Eerst het kamp van Labienus, die de winter van 54/53 doorbracht in het grensgebied van de Remers en de Treveren. Het is denkbaar dat ze verbleven in Cugnon, waar een heuvelfort uit de Late IJzertijd is gevonden. Een voorde in de rivier de Semois past bij Caesars beschrijving van de plek waar de Treverische vorst Indutionarus sneuvelde. Op dit punt is meer onderzoek noodzakelijk.

Lees verder “Caesar in Noord-Gallië (4)”