De gesel Gods (1)

Reliëf van elf goden, een heros en keizer Theodosius uit Efese (Archeologisch Museum, Selçuk)

Omstreeks 500 zag de politieke landkaart van Europa er totaal, maar dan ook totaal anders uit dan een eeuw daarvoor. Het Griekssprekende deel van het Romeinse Rijk was intact gebleven, maar in het Latijnsprekende westen bestond het imperium niet langer. Rome was nog altijd een aanzienlijke stad, maar geen schaduw van de metropool die het ooit was geweest. Elders was het niet anders: de steden waren kleiner geworden. Italië werd bestuurd door de Ostrogoten; de Visigoten hadden zich gevestigd in Aquitanië en Spanje; in Gallië hadden de Franken hun macht vanaf de Rijn uitgebreid tot aan de Loire.

Over de oorzaak van het verdwijnen van het Romeinse staatsapparaat in West-Europa wordt al sinds de Oudheid gediscussieerd, maar één ding is zeker: heersers van Germaanse afkomst namen de macht over. De eigenlijke vraag is wat er was veranderd waardoor het mogelijk werd dat kleine groepen krijgers en vluchtelingen een einde konden maken aan de machtigste staat die de wereld ooit had aanschouwd.

Lees verder “De gesel Gods (1)”

Oorlogsslachtoffer

Schedel uit Regensburg-Harting (Staatssammlung für Antropologie und Paläoanatomie, München)

Afgezien van de Leidse historicus M. Rutte zijn er weinig historici die nog veel waarde hechten aan de achttiende-eeuwse theorie dat het Romeinse Rijk ten onder ging door Germaanse volksverhuizingen. Geleerden als Henri Pirenne hebben zó effectief aangetoond dat de Romeinse cultuur de migrerende Germanen assimileerde, dat is vergeten hoe vernieuwend hun inzicht ooit is geweest. Dat wil echter niet zeggen dat het allemaal peis en vree was aan de Rijn en de Donau.

Rond het midden van de derde eeuw werd de Romeinse wereld getroffen door een afschuwelijke ziekte, die momenteel wordt geïdentificeerd met een ebola-variant. Hyperbesmettelijk dus – en vooral gevaarlijk in het warme zuiden. Het staat vast dat de Mediterrane economie instortte en het staatsapparaat desintegreerde, terwijl aannemelijk is dat de legioenen onbetaald bleven. Germaanse stammen konden de grens oversteken en meteen doorlopen naar Catalonië. In deze context bezweek ook de Donau-grens en hoewel de Romeinen de grens herstelden – een beroemde inscriptie in Augsburg herdenkt de overwinning – was de schade immens.

Lees verder “Oorlogsslachtoffer”

De slag in het Teutoburgerwoud (7)

Reconstructie van het antieke landschap bij Kalkriese: moeras vooraan, palissade achteraan

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In de voorgaande stukjes beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden en hoe generaal Varus drie legioenen verloor. Bij Kalkriese is (een deel van) het slagveld gevonden. Vandaag een enkel woord over de wraakexpedities en het recente onderzoek.]

De Romeinse wraakoperaties leken succesvol. De Chauken werden opnieuw onderworpen en de vallei van de Lippe bleef voorlopig Romeins. Haltern is na 9 zeker in gebruik geweest en de Romeinen exploiteerden de loodmijnen van het Taunusgebergte werden tijdens de regering van Tiberius. De verloren gegane veldtekens werden op de Cheruskische bondgenoten heroverd: in 15 werd de adelaar van het Negentiende bij de Bructeren aangetroffen en in het volgende jaar werd er een heroverd op de Marsen. De derde standaard zou in 41 worden aangetroffen bij de Chauken.

Tiberius had echter al voordat hij de keizerstroon besteeg besloten dat de bezetting van Germanië niet zinvol was. Voor de verdediging van Gallië volstond het de Rijn te bewaken, want door de veranderingen in de Gallische economie was het niet langer noodzakelijk de Lippe- en Mainvalleien te exploiteren. Tiberius oordeelde dat de wraakacties voldoende waren geweest. Germanicus mocht in 17 een triomftocht houden en de bewoners van het Overrijnse werden met rust gelaten. Aloude stammentwisten werden hernomen en Rome had – hoewel onrust bekend is uit de regering van zo’n beetje elke keizer tot en met Trajanus – gedurende ruim twee eeuwen weinig te duchten van de oude vijanden.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (7)”

De slag in het Teutoburgerwoud (6)

Een van de gesneuvelde Romeinen (Kalkriese Museum)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus en het vierde en vijfde boden de problematische informatie van Cassius Dio. Vandaag de afloop.]

De Romeinen probeerden verder te marcheren, maar werden van alle kanten bestookt. Wellicht bereikten ze, na de bovenloop van de Eems te zijn overgestoken, op de derde dag de vlakte – vol door regen gezwollen waterlopen – waar nu de stad Münster is. Daar achter begon een groot moeras waardoor Lucius Domitius Ahenobarbus tien jaar eerder een knuppeldam had aangelegd die eindigde bij de Lippe. Als de legionairs die zouden bereiken waren ze op veiliger terrein, want ook de Germanen konden zich niet eenvoudig een weg banen door het moeras.

Het mocht echter niet zo zijn. De Romeinse legermacht desintegreerde voordat ze de knuppeldam bereikte. Tacitus vermeldt een droom van generaal Germanicus, waarin deze Varus bij Ahenobarbus’ knuppeldam in het moeras ziet. Cassius Dio schrijft:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (6)”

De slag in het Teutoburgerwoud (5)

Slingerstenen, gevonden bij Kalkriese: bewijs voor de aanwezigheid van lichtbewapende soldaten in Romeinse dienst

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus, het vierde bood de problematische informatie van Cassius Dio en eindigde met de constatering dat de Romeinen door een smalle corridor moesten trekken.]

Zoals gezegd was de Romeinse weg over de smalle strook droog land tussen de heuvels van het Wiehengebirge en de moerassen niet gemakkelijk, maar veel keuze hadden de Romeinen niet. De opstand die “een eind verderop” uitbrak, vond namelijk vrijwel zeker plaats bij de vier jaar eerder onderworpen Chauken aan de monding van de Eems. Vanaf de plaats waar Varus vertrok, vermoedelijk bij Minden, kon hij alleen oprukken over de genoemde smalle strook. Nogmaals de vertaling van Gé de Vries:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (5)”

De slag in het Teutoburgerwoud (3)

Varus (Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Hier is het verslag van de gevechten van Velleius Paterculus, dat volgt op zijn beschrijving van een oorlog op de noordelijke Balkan.]

Hij had deze oorlog nog maar nauwelijks voltooid, toen de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus was dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten waren afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider [Tiberius] elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Quinctilius Varus stamde uit een eerder beroemde dan adellijke familie. Hij was een zachtmoedig man, rustig in zijn optreden, enigszins traag van lichaam en geest, meer gewend aan de kalmte van het kamp dan aan actieve krijgsdienst. Dat hij niet afkerig was van geld, bleek in Syrië, waar hij gouverneur was geweest: arm betrad hij een rijke provincie, rijk verliet hij een verarmd gewest. Toen hij aan het hoofd van het leger in Germanië stond, beeldde hij zich in dat de mensen daar – die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden en die zelfs niet te bedwingen waren met geweld – door rechtspleging tot beschaving konden worden gebracht. Met deze intentie trok hij naar het hart van Germanië, waar hij (alsof hij te maken had met mannen die eraan waren gewend van vrede te genieten) de zomer in zijn rechterstoel doorbracht met rechtspraak en het afhandelen van formaliteiten.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (3)”

De slag in het Teutoburgerwoud (2)

Maquette van Haltern

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste stukje beschreef ik hoe de Romeinse generaals Drusus en Tiberius het gebied van de Main en Lippe veroverden.]

Met de annexatie van de valleien van de Main en Lippe kwam een einde aan de eerste fase van de Romeins-Germaanse Oorlog. De Gallische provincies waren veiliggesteld en zouden in de volgende jaren een economische transformatie ondergaan. Tot dan toe was het tribuut in natura afgedragen aan de over heel Gallië verspreid gelegerde legioenen. Nu die naar de Rijn waren verplaatst en werden gevoed vanaf beide oevers van de Rijn, konden de Romeinen de belasting in Gallië contant gaan innen, wat betekende dat de boeren voor de markt moesten gaan produceren om aan het benodigde muntgeld te komen. Dat pakte uit als stimulans voor de economie. De steden zouden groeien, er kwamen betere wegen en in het stroomgebied van de Maas nam de productiviteit van de akkerbouw snel toe. De bevolking moet het buitengewoon moeilijk hebben gehad in deze jaren, maar na een kwart eeuw produceerde de economie van het Maasland voldoende om de legioenen aan de Rijn te voeden, zodat de valleien van de Main en de Lippe in theorie zouden kunnen worden opgegeven.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (2)”

De slag in het Teutoburgerwoud (1)

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

Uiteindelijk is het een kwestie van psychologie. De oudhistoricus is getraind om te gaan met tekortschietende bronnen en kent geen correcte interpretaties, hooguit aannemelijkere en mindere aannemelijke. En die past hij voortdurend aan. Geschiedenis is, met een bekend woord van Geijl, “een discussie zonder eind”. De archeoloog heeft een overvloed aan ambigue data en is getraind om die ambiguïteit te verminderen door zoveel mogelijk bij de concrete vondsten te blijven. Geef de historicus en de archeoloog dezelfde teksten en vondsten – bijvoorbeeld de Romeinse militaire voorwerpen bij het Duitse Kalkriese en de teksten over de slag in het Teutoburgerwoud – en ze komen, extreem gezegd, tot tegengestelde conclusies. De historicus ziet geen bezwaar in de gelijkstelling van de vondsten aan het uit de teksten bekende gevecht, omdat hij weet dat het morgen weer kan worden aangepast, terwijl er voor de archeoloog nooit voldoende vondsten zullen zijn. Ook het rijke archeologische materiaal is voor dit type vraag namelijk altijd te weinig.

Vandaag het eerste van zeven stukjes over de zojuist genoemde slag in het Teutoburgerwoud. Er is namelijk een interessant nieuwtje te melden dat een nieuwe verbinding van de twee soorten bewijsmateriaal mogelijk zou kunnen maken. Maar eerst eens een verhaal, gebaseerd op teksten.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (1)”

NWA: Germanen of Kelten?

Nehalennia
Nehalennia: een zuiver Keltische naam

Ik blog deze dagen over de vragen uit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) die betrekking hebben op de Oudheid. Antwoorden heb ik niet – het zijn immers vragen aan de wetenschap – maar ik kan wel iets toelichten. Vandaag:

In hoeverre is het juist dat de Germanen in de strijd tegen de Romeinen in onze vaderlandse geschiedenis een hoofdrol spelen?

In zijn toelichting wijst de vragensteller erop dat de autochtone bevolking die tegen de Romeinen streed, in feite “een mengbevolking” is geweest van “voor-Keltische landbouwbevolking, Kelten en Germanen”. Kortom, geen Germanen maar iets complexers dan dat.

Lees verder “NWA: Germanen of Kelten?”

Friezen en Franken (1)

tuuk_friezen

Het zal de trouwe lezers van deze kleine blog niet zijn ontgaan dat mijn belangstelling voor het “Germaanse” deel van onze oude geschiedenis groeit. De reden is dat die nogal stiefmoederlijk wordt bedeeld nu er zo verschrikkelijk veel aandacht is voor de limes, de grens van het Romeinse Rijk langs de Rijn. Tegelijk is ons Germaanse verleden belangrijk: de Germanen gelden immers traditioneel – en niet zonder goede redenen – als onze voorouders. Dat maakt ze automatisch interessant.

Op zich is het echter wel logisch dat ze wat weinig aandacht krijgen: ze schreven nauwelijks. Er zijn geen bronnen waarin ze zelf melden wat ze dachten van de komst van de Romeinse legioenen. We weten niet hoe ze zich voelden bij handel en ruil, we kennen hun religie vooral uit latere, vijandige bronnen en we kennen hun literatuur alleen uit middeleeuwse teksten. Als het Romeinse staatsapparaat instort en de Franken de macht overnemen, zijn het christelijke auteurs die schrijven over de nieuwe, Germaanse heersers. Zelden of nooit horen we hen in hun eigen woorden.

Lees verder “Friezen en Franken (1)”