De Taalgrens

Moelingen / Mouland

De Franken waren een federatie van stammen die woonden in het gebied dat we nu Overijssel en Drenthe noemen, en ook in het Roergebied en Nordrhein-Westfalen. Beide groepen werkten samen met de Romeinen, maar voerden er ook oorlog tegen. Er is weleens op gewezen dat de oostelijke groep wat agressiever lijkt te zijn geweest dan de noordelijke, maar één extra bron kan dat beeld veranderen.

Feit is dat de Franken vanaf de jaren vijftig van de derde eeuw de Rijn weleens overstaken en dat keizer Postumus rond 265 n.Chr. een lijn versterkingen aanlegde om de grote weg door Belgica te beveiligen. Die weg begon in Boulogne en leidde via Amiens, Bavay, Tongeren, Heerlen en Jülich naar Keulen en wordt vanouds aangeduid als de Chaussée Brunehaut. (Dat ’ie tegenwoordig Via Belgica moet heten, is een deprimerend ander verhaal.) In elk geval: het was een belangrijke weg die verdedigd moest worden, want ten zuiden van deze straat lagen op de vruchtbare lössgronden de grote landgoederen waar graan werd verbouwd voor steden als Keulen en de forten langs de Rijn.

Lees verder “De Taalgrens”

#Romeinenweek: Nebisgast

Romeins masker van een Germaan: let op de knoop in het lang gedragen haar (British Museum)

[Momenteel is de Romeinenweek. Er zijn tientallen activiteiten in het hele land en ze zijn zonder uitzondering allemaal ontzettend leuk. Het thema is “100% Romeins?”: hoe Romeins was de Romeinse tijd eigenlijk? Ik publiceer elke dag een stukje – en vandaag is dat een nog nooit eerder in het Nederlands vertaalde bron.]

Eunapios van Sardes is een laat-Romeinse historicus, die leefde rond het jaar 400 n.Chr. Hij was geen christen en zoals wel meer mensen in zijn tijd had hij grote bewondering voor keizer Julianus de Afvallige, die werd beschouwd als laatste kampioen van het heidendom. Nu was Julianus’ regering spectaculair onsuccesvol geweest, en daarom legden zijn bewonderaars vaak de nadruk op de militaire successen die hij, vóór hij keizer was geworden, had behaald in West-Europa.

Eén campagne voerde hem naar de Lage Landen, waar de Franken en Chamaven een inval hadden gedaan. Julianus stond de Franken toe zich als boeren te vestigen in de Kempen: zandgrond die de Romeinen konden missen. (De lössgronden hielden ze voor zichzelf en zo komt het dat de Taalgrens ruwweg samenvalt met de grens tussen löss en zand.) De Chamaven kregen opdracht terug te keren naar de Liemers, d.w.z. het gebied tussen Rijn en Oude IJssel. Ergens aan de Rijn kwam het tot een ontmoeting tussen generaal Julianus en de Chamaafse leider Nebisgast. Eunapios’ verslag, het twaalfde fragment uit zijn geschiedwerk, is gekleurd maar interessant. Het was nog nooit eerder in het Nederlands was vertaald, tot Hein van Dolen dit varkentje waste. Dank je wel Hein!

Lees verder “#Romeinenweek: Nebisgast”

Apostata, gebundeld

Dit boek moet u dus lezen. Of beter: u moet ze alle drie de bundels lezen. Het stripalbum dat er onder ligt is trouwens ook alleszins de moeite waard.

Toen de Amerikaanse schrijver Gore Vidal een roman publiceerde over de Julianus die ook de held is van Ken Broeders’ reeks Apostata, constateerde hij dat de Romeinse keizer “in Europa altijd iets van een verborgen held is geweest”. De overwegend christelijke geschiedenis van het oude continent heeft inderdaad weinig ruimte gehad voor deze heerser, die tussen 361 en 363 als laatste heeft geprobeerd de cultus voor de oude goden te herstellen.

Dat wil niet zeggen dat het leven van de keizer slecht is gedocumenteerd. In tegendeel. Hij heeft zelf het een en ander geschreven, er is de fenomenale geschiedenis van de Romeinse officier Ammianus Marcellinus, er zijn toespraken van Julianus’ voor- en tegenstanders. Hij speelt een rol in drie kerkgeschiedenissen. Bovendien is de vierde eeuw, de laatste bloeitijd van het Romeinse Rijk, archeologisch heel redelijk gedocumenteerd. We kennen de landschappen waardoor Julianus reisde, we kennen zijn persoonlijke gedachten, we kennen de impact die hij had op zijn tijdgenoten.

Lees verder “Apostata, gebundeld”

Julianus de Afvallige

(klik=groot)

Het is vandaag op de kop af 1702 jaar geleden dat even ten noorden van Rome, bij de zogeheten Milvische Brug, twee legers op elkaar stuitten. De verdediger van de eeuwige stad was Maxentius, de aanvaller en overwinnaar is de geschiedenis ingegaan als Constantijn de Grote. Zijn zege maakte hem tot alleenheerser in het westelijke deel van het Romeinse Rijk, maar de legende heeft de betekenis van zijn zege nog vergroot: de keizer zou vlak voor de veldslag een visioen hebben gehad dat hij had uitgelegd als een oproep christen te worden.

Historisch klopt daarvan weinig, maar het is wel waar dat Constantijn het christendom begunstigde, zeker nadat hij ook de oostelijke, meer christelijke provincies had veroverd. Zijn zoons zetten het beleid voort en in 382, zeventig jaar na de veldslag bij de Milvische Brug, kwam een einde aan de subsidiëring van de heidense gebedsplaatsen.

Eén keizer heeft geprobeerd de oude erediensten nieuw leven in te blazen: Julianus de Afvallige. In 355 werd hij benoemd tot bestuurder van de westelijke gebiedsdelen, waar hij spectaculaire militaire successen boekte. In 360 kwam hij in opstand en hij had geluk: zijn tegenstander overleed. Nu hij alleenheerser was, kon Julianus zich richten op de heropening van de oude tempels. Zijn tijdgenoten – zowel heidenen als christenen – keken verbijsterd naar de enorme aantallen offerdieren die naar het altaar werden geleid en waren onthutst over de schoolwet waarmee de keizer de christenen uit het onderwijs weerde. Aan deze poging het heidendom te herstellen, dankt hij de bijnaam Apostata, ‘de afvallige’.

Nu er een keizer aan de macht was die de heidenen een goed hart toedroeg, zagen lokale leiders hun kans schoon. Er vloeide christelijk martelarenbloed, maar de keizer zelf ging subtieler te werk, bijvoorbeeld door de joden toestemming te geven hun tempel te herbouwen. Zou dat zijn gebeurd, dan was Christus’ voorspelling gelogenstraft dat de tempel ‘een woestenij zou blijven‘ en was zijn goddelijke alwetendheid ter discussie gesteld.

Het is een leuk tijdverdrijf te bedenken hoe de geschiedenis zou zijn verlopen als Julianus zijn programma had kunnen uitvoeren, maar hij sneuvelde al in 363 in een oorlog tegen de Perzen, tweeëndertig jaar oud. Hij is echter ‘something of an underground hero’ gebleven, zoals Gore Vidal het raak formuleert in zijn roman over deze keizer. Hij trekt nog altijd de aandacht en toevallig zijn er net twee boeken verschenen die zijn loopbaan belichten.

Het eerste is de vertaling van het geschiedwerk dat de Romeinse officier Ammianus Marcellinus wijdde aan de jaren tot 378. Vertaler Daan den Hengst gaf het de titel Julianus, de laatste heidense keizer mee. Het is een serieus boek dat ook serieus is uitgegeven, maar laat dat u niet afschrikken. Ammianus is een van de meest lezenswaardige auteurs uit de Oudheid, streeft naar objectiviteit en biedt een prachtig panorama van de nazomer van het Romeinse Rijk. Hij heeft deelgenomen aan Julianus’ Perzische campagne en bewonderde de jonge keizer, maar dat weerhield hem er niet van kritische kanttekeningen te maken.

Van een heel andere orde is het stripalbum dat vorige week in de boekhandel belandde: een nieuw deel in de Apostata-reeks van de Antwerpse tekenaar Ken Broeders. Speelden de eerste vier delen in het westen, in het vijfde grijpt Julianus de macht en trekt hij naar het oosten. Beestachtig mooi getekend, goed gedocumenteerd en verontrustend: van harte aanbevolen.

[Ik post mijn wekelijkse religie-column doorgaans enkele dagen nadat deze op Sargasso is verschenen, maar dit stukje hangt net iets teveel met de datum samen. Dus voor één keer plaats ik het op dezelfde dag.]