De ganzen van het Capitool

De ganzen van het Capitool (reliëf uit het museum van Ostia)

Een van de oudste data uit de Romeinse geschiedenis die we precies kennen is 18 juli 387 v.Chr., de dag waarop de Romeinen aan het riviertje Allia, even ten noorden van hun stad, een nederlaag leden tegen een leger van Gallische Senonen. Het kan ook 386 zijn geweest en misschien is dat iets plausibeler om een reden die ik zo zal uitleggen.

Wat die Galliërs daar deden, is onbekend, al staat vast dat ze enkele maanden later in dienst waren van Dionysios, de alleenheerser van Syracuse. Dat deze contact met ze heeft gelegd via een bevriende Griekse stad aan de Adriatische Zee, ze als huurlingen in dienst heeft genomen en ze heeft gevraagd om, als ze toch naar hem op weg waren, ook even het land van de langzaam steeds belangrijkere stad Rome te plunderen, en dat ze daarbij wat succesvoller waren dan voorzien, is denkbaar. De Romeinse traditie houdt het er overigens op dat de Galliërs op zich niets tegen de Romeinen hadden maar dat een Romeinse gezant de furor Gallicus over zijn stad afriep door het volkenrecht te schenden.

Lees verder “De ganzen van het Capitool”

Eutropius (5): De feiten verantwoorden

Kleio, de muze van de historische wetenschappen.

Terwijl u dit op leest, breng ik een bezoek aan het nieuwe Nabu-museum in Batrun. Daar ga ik zeker over bloggen, maar het zal wel volgende week worden. Om u toch te vervelen met de Oudheid, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Toen Polybius zijn negenendertig boekrollen over de opkomst van Rome had voltooid, voegde hij een veertigste toe, waarin hij zijn werkzaamheden verantwoordde. Dat lijkt het eerste deel te zijn geweest dat kopiisten niet langer overschreven, zodat het verloren is gegaan. In de Oudheid bekreunde men zich niet erg om de controleerbaarheid van een geschiedverhaal. Lucianus, die in Hoe schrijf je geschiedenis? vertelt wat de Romeinen van een historicus verwachtten, heeft over het tweede punt op ons lijstje van vijf weinig te melden. Eutropius kan het maar weinig schelen: hij geeft op precies één plaats aan waar zijn informatie vandaan komt en vrijwel zeker heeft hij dat overgeschreven uit een uittreksel van Livius’ verloren twintigste boek.

Lees verder “Eutropius (5): De feiten verantwoorden”

Eutropius (4): De feiten vaststellen

Polybius. Afgietsel uit het Museo nazionale della civiltà romana, Rome

Terwijl u dit op leest, ben ik voor mijn werk een dagje in Sidon. Omdat ik vermoedelijk geen tijd zal hebben voor mijn dagelijkse stukje, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Toen de historicus Polybius in de tweede eeuw v.Chr. beschreef hoe de Romeinen het Middellandse Zee-gebied hadden verenigd, had hij daarvoor negenendertig boekrollen nodig. Een halve eeuw later gebruikte Valerius Antias eens zoveel rollen voor een geschiedenis van de Romeinse Republiek. Toen Titus Livius aan het begin van onze jaartelling dezelfde materie behandelde, besloeg het resultaat 142 boekrollen. Het moge duidelijk zijn dat Antias en Livius minder tijd besteedden aan archiefonderzoek dan aan het schrijven van hun tekst. Anders dan Polybius, die ooggetuigen interviewde, baseerden Antias en Livius zich op eerdere auteurs, die ze zorgvuldig lazen en in eigen woorden navertelden.

Lees verder “Eutropius (4): De feiten vaststellen”

Kom een cursus doen

(Even wat reclame). Ik verdien mijn geld als reisleider en met cursussen. Of die cursussen supergoed zijn, dat weet ik niet goed. Ik streef ernaar het hele verhaal over de Oudheid te vertellen, dus niet “de Oudheid met de beperkingen van de archeoloog” of “de Oudheid met de beperkingen van de classicus”. En ik hoor zeggen dat ik een goede verteller ben die kan uitleggen hoe we weten wat we weten.

Van de andere kant: het allerlaatste academische onderzoek ligt achter betaalmuren en ik sta buiten de onderzoeksdiscussies, dus als u wil weten wat universiteitsmensen doen, bent u bij mij aan het verkeerde adres. Daar staat weer tegenover dat ik weet welke vragen werkelijk bij het publiek leven en dat ik daar bij mijn verhalen ook van uitga, en niet van dit of dat hyperspecialisme.

Enfin, die cursussen zouden iets voor u kunnen zijn. Over ruim een week begin ik weer en ik geef even een overzicht.

Lees verder “Kom een cursus doen”

De handtekeningen gezet

Wim Weijland, directeur Rijksmuseum van Oudheden (links), en Bert Looper, directeur Tresoar (rechts), hebben de akte getekend. Achteraan ikzelf (Livius) en Luc de Vries (Tresoar).

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, werk ik alweer bijna twee maanden in Leeuwarden aan een project om de duizenden foto’s die mijn zakenpartner en ik (met bijdragen van nog enkele anderen) sinds 2003 hebben gemaakt, in het openbare domein te plaatsen. Dat project is eigenlijk een beetje toevallig ontstaan, doordat ik twee jaar geleden namens RomeinenNu bij Tresoar kwam overleggen over de mogelijkheid een website te bouwen die alle bestaande Romeinse dingen samenbracht en wel zó, dat het kwaliteitsniveau van de voorlichting verbeterde. (Tresoar is bekend als de schatkamer van Friesland maar beheert ook het Buma-legaat, een fonds dat oudheidkundige informatie wil verspreiden.)

Het had een echt Web 3.0-project kunnen worden. Een gesubsidieerde partij kan immers anno vandaag niet aankomen met het aanbieden van wat zelfgeschreven content. Het gaat tegenwoordig om een trechter waarmee de bezoeker naar informatie komt, niet langer om de aanbieder die informatie zendt. Helaas is dat project er niet gekomen, maar toen ik en passant bij Tresoar die 85.000 foto’s eens noemde, werd een nevenprojectje geboren.

Lees verder “De handtekeningen gezet”

Pas op de plaats

tijd_is_geld_amsterdam_gevelsteen_ozab
Tijd is geld, en ik heb van allebei weleens te weinig. (Gevelsteen, Oudezijds Achterburgwal, Amsterdam)

Van hard werken, zo zegt men, is nog nooit iemand doodgegaan. Dat is onzin. Mensen moeten niet te lang te hard werken. Workaholics zijn een gevaar voor zichzelf, voor hun product en voor anderen. Verhalen over mensen die zestig uur per week werken schijnen pure mythologie te zijn, al zijn er natuurlijk mensen die zestig uur op hun werk aanwezig zijn. Of zestig uur kunnen factureren.

Ik weet van mezelf dat ik minder uren per week kan werken dan de gemiddelde Nederlander, wat niet zo erg is omdat ik betrekkelijk goedkoop woon. Ik heb wat meer momenten nodig om mijn geest te ontspannen dan u. Dit blog is één voorbeeld: ik ben er gelukkiger van geworden dat ik elke dag ontspannen kan beginnen, zittend achter de computer, met een boterham en een mok koffie erbij. Een ander voorbeeld is dat ik niet kan zonder siësta. Op kantoor in Zutphen, waar ik natuurlijk geen dutje kan doen, zijn mijn collega’s al gewend aan mijn hoge cafeïne-inname. Toch val ik in de trein naar huis steevast in slaap.

Lees verder “Pas op de plaats”

Populariseren en annoteren

Kort na the Thousand Days That Built the Future (om eens een verouderde naam te gebruiken voor de doorbraak van het internet), begon ik, eerst op een homepage bij Planet Internet, met de website die nu Livius.org heet. Niet veel later werd ik benaderd door vier Amerikaanse universiteiten, die me vroegen of ik alsjeblieft geen annotatie wilde aanbrengen, omdat studenten mijn teksten gebruikten als werkstukken. Blij te kunnen helpen, deed ik dat.

Na enige tijd realiseerde ik me dat dit erg onverstandig was. Het grote probleem, dat de oudheidkundige wetenschappen momenteel aan het doden is, is dat mensen informatie zoeken op het internet en daar oncontroleerbare informatie vinden. Het sprookje dat Archimedes met brandspiegels schepen in brand zou hebben gestoken, is daarvan een mooi voorbeeld: wie met Google naar informatie zoekt, ontdekt dat menigeen zich afvraagt hoe ’ie ’t ’m flikte, terwijl niemand verwijst naar de bronnen. Dat kan ook niet, want die zijn er niet, maar de informatie circuleert ongecontroleerd eindeloos rond. Ongeannoteerde informatie dient te worden bestreden en ik baal er verschrikkelijk van dat ik een grote website heb gebouwd waarmee ik uiteindelijk “went over to the dark side”.

Lees verder “Populariseren en annoteren”