MoM | Joodse retoriek (1)

Mattheüs met in zijn linkerhand het evangelie (gevelsteen, Lauriergracht 74, Amsterdam). De bijl is het attribuut van een bijna-naamgenoot, Matthias. Ik heb er geen verklaring voor.

Hoewel dit stukje en het volgende gaan over het kerstverhaal, wil ik beginnen met twee Bijbelpassages die daar niet zoveel mee te maken hebben. Om te beginnen de toespraak van Stefanos, de eerste christelijke martelaar. U vindt zijn woorden hier. Wat u daar helaas niet meteen ziet, is dat die toespraak grotendeels bestaat uit citaten uit de joodse Bijbel. In totaal tweeënzestig in tweeënvijftig regels. Hetzelfde geldt voor mijn tweede tekst, het gebed van de profeet Jona in het gelijknamige Bijbelgedeelte. U leest het hier. In totaal zeven citaten in acht versregels, 167 woorden in de Nederlandse vertaling.

Zulke citaten vormen, om zo te zeggen, een oud-joodse vorm van welsprekendheid. Iedere cultuur heeft zijn eigen manier om overtuigend te spreken en in de joodse religieuze wereld, waarin men meende dat God zich openbaarde in heilige geschriften, gold het als buitengewoon overtuigend als een schrijver of spreker erin slaagde allerlei citaten door zijn tekst te vlechten. Wat wij overtuigend vinden, dat een bewering correspondeert met toets- en kwantificeerbare waarnemingen en wordt verantwoord in een notenapparaat met literatuurlijst, speelde in het toenmalige jodendom een ondergeschikte rol. “Citatenvlechten” is ook de wijze waarop de twee kerstverhalen, die van Lukas en Mattheüs, tot stand zijn gekomen.

Lees verder “MoM | Joodse retoriek (1)”

Iraniërs in Betlehem

istanbul_chora_herod_magi
De drie wijzen uit het oosten bij koning Herodes. Byzantijns mozaïek uit de Chora-kerk in Istanbul.

Toen Jezus geboren was in Betlehem, kwamen er magiërs uit het Oosten. Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’

U kent deze passage misschien in een andere vorm, waarin sprake is van “wijzen” uit het Oosten. Maar de medewerkers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben geen fout gemaakt: de evangelist Mattheüs (2.1-2) gebruikt het woord magoi. En die kennen we: het zijn de religieuze specialisten van het oude Perzië, die mensen bijstonden door bij het heilige vuur de voorgeschreven, lange gebeden op te zeggen. Daarnaast lijken ze dromen te hebben uitgelegd. Met magie in onze zin van het woord, hekserij dus, heeft het niets te maken.

Met astronomie heeft het evenmin iets te maken, zodat het toch al wat merkwaardige bezoek van Perzische geheugenkunstenaars helemaal vreemd wordt. Een simpele verklaring is dat de bezoekers geen magiërs waren, maar sterrenwichelaars uit Babylonië. Daarvoor pleit dat de astrologen van Babylon wereldberoemd waren en dat in het Tweestromenland een grote Joodse gemeenschap was. Maar dat zou betekenen dat Mattheüs een woord heeft gebruikt zonder de betekenis goed te kennen. Dat niet valt uit te sluiten – niets menselijks is de evangelisten vreemd – maar het is wetenschappelijk wat onbevredigend te zeggen dat een auteur zelf niet weet wat hij bedoelt.

Lees verder “Iraniërs in Betlehem”