Snouck Hurgronje

Wie in Leiden over het Rapenburg naar het Academiegebouw wandelt, passeert op nummer 61 het huis waar Christiaan Snouck Hurgronje heeft gewoond. Afgezien van de in steen gebeitelde naam herinnert er weinig aan de geleerde, die leefde van 1857 tot 1936 en tot op de dag van vandaag ietwat omstreden is. Snouck was namelijk de islamoloog die de strategie ontwierp waarmee generaal Van Heutsz tussen 1898 en 1903 de bevolking van Atjeh onderwierp. Niet iedereen kan, om het zacht uit te drukken, waardering opbrengen voor de architect van een koloniale oorlog.

Er is echter meer. Snouck Hurgronje had zich in 1885, minimaal in naam, bekeerd tot de islam en had enige tijd in Mekka en gewoond en gestudeerd. Voor menig moslim gold hij als vertrouwenspersoon, ja als leraar. Tegelijk schreef hij rapporten voor de Nederlands-Indische autoriteiten, waarin hij doorgaf wat hem was verteld. Was het, zoals Snouck Hurgronjes biograaf Philip Dröge in zijn onlangs verschenen boek Pelgrim opmerkt, wel eerlijk van de Nederlandse geleerde om de mensen die hem bewonderden, zó te belazeren? Was hij niet in feite gewoon een spion?

Lees verder “Snouck Hurgronje”

De brug over de Kwai (12)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Kleding

Bij indiensttreding kregen we uiteraard uniformen, die gezien het klimaat was gemaakt van katoen. We kregen een lange broek die van onderen heel nauw was omdat er puttee’s omheen moesten, een jasje, hemd en onderbroek, sokken en soldatenschoenen (half-leer, half-linnen met kopspijkers op zolen en hakken), en dan puttee’s. Van alles twee. De puttee’s moest je over de onderkant van je broekspijpen en de bovenkant van je schoenen wikkelen. Tenslotte een stalen helm. Alle kleding was groen, ook ondergoed en handdoek. Eén stel kleding aan, één stel in je rugzak. Verder kreeg je een aluminium veldfles en drie etenspannetjes.

Toen we krijgsgevangen werden had iedereen in principe deze uitrusting nog (behalve de helm). Hiermee moesten we het tot het eind van de oorlog doen. Hoe het gebeurde weet ik niet meer, maar we raakten steeds meer dingen kwijt, verloren, gestolen of versleten.

Lees verder “De brug over de Kwai (12)”

De brug over de Kwai (11)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Huisvesting

Als gevangenen waren wij op Java en in Singapore steeds gehuisvest in kazernes, in stenen gebouwen dus. We werden wel nauw gelegerd. In een kazerne waar normaal tweehonderd militairen (met hun vrouwen en kinderen) in gelegerd waren, dus zeg achthonderd mensen, stopten de Japanners 3600 krijgsgevangenen. Ieder kreeg een plaatsje van 2 bij 1 meter, soms 2 meter bij 75 centimeter. Deze afmetingen hebben de hele oorlog door gegolden.

Je lag op de grond op een deken of op een matje,  matrassen waren er niet. Ik had een kussensloop waar een deel van mijn kleding in zat als kussen.

In Thailand lagen we in bamboehutten, honderd meter lang, vijf meter breed. In het midden een pad van 1 meter breed, links en rechts een verhoging van 75 cm hoog, waar wij op lagen. Ieder weer 2 bij 1 meter. Aan het hoofdeinde een schot van bilik (gevlochten bamboe) van 50 cm, daarboven 50 cm open ruimte, daarboven het atapdak dat schuin omhoog iets overstak, zodat we droog bleven. We lagen op dunne (1 tot 2 cm) bamboes. In Martonna lagen we in Japanse legertenten, twintig man in een tent van 7 bij 5 meter grondvlak. Op de grond wat dwarsbalken, daarop weer dunne bamboes.

Lees verder “De brug over de Kwai (11)”

De brug over de Kwai (10)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

De bevrijding

In Tamoeang was niet veel te doen. We moesten een diepe droge gracht om het kamp heen graven van vier meter diep en breed, en viermaal 500 meter lang. Op de hoeken kwamen pillboxen met schietopeningen naar buiten en ook naar binnen. Het zag ernaar uit dat de Jappen ons hierin bij elkaar zouden drijven als de geallieerden dichtbij zouden komen. De Jappen konden ons dan makkelijk in bedwang houden en eventueel allemaal dood schieten. De geallieerden zaten echter nog ver, bij Rangoon, bijna 1000 km van ons kamp. Wel hoorden we regelmatig geallieerde bommenwerpers overvliegen.

Als er geen achterstand op het werk was kregen we ongeveer eens per maand een amateurcabaretvoorstelling. Op een augustusavond in 1945, terwijl wij net zo’n cabaretvoorstelling hadden, kwam plotseling een Engelse sergeant-majoor het toneel ophollen om te vertellen dat de Japanse kampcommandant liet mededelen dat de oorlog afgelopen was. Hierop werd spontaan het God Save the King en het Wilhelmus gezongen. We hebben die nacht niet meer geslapen.

Lees verder “De brug over de Kwai (10)”

De brug over de Kwai (9)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Houthakken

In Nong Pladuk zaten wij niet erg lang. Een keer werden wij met honderd man met een trein met een reservebrug 80 km de jungle ingestuurd om de brugdelen in de jungle te verbergen. Kennelijk moesten deze brugdelen dienen voor eventuele reparaties na bombardementen van de grote brug over de rivier de Kwai.. Dat karwei duurde twee dagen.

In november 1944 moest een ploeg van vijfonderd man de jungle in om hout te hakken, brandhout voor de stoom locomotieven. Ik was één van die vijfhonderd, allen Hollanders. Onze officieren waren toen al van ons gescheiden en in aparte kampen gezet. We hadden wel onze eigen sergeants en sergeant-majoors en ook per vijfhonderd man een dokter. Deze leiding was erg belangrijk om de orde te bewaren, te zorgen dat er niet te veel gestolen werd, dieven te bestraffen (met stokslagen) en om te zorgen voor hygiëne en voor eerlijke verdeling van het eten. Dit soort discipline is misschien ook de reden geweest dat de krijgsgevangenen het er in het algemeen veel beter afbrachten dan de Aziatische koelies, die de Jap ook in grote aantallen (162.000) inzette op de spoorlijn. Wij hadden 20% doden, de koelies veel meer.

Lees verder “De brug over de Kwai (9)”

De brug over de Kwai (8)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Basiskampen

Het eerste basiskamp waar ik kwam was het kamp Chungkai (60 km van het beginpunt), een groot kamp voor naar schatting 5000 man. Na enkele weken werden we per trein naar Nong Pladuk vervoerd. Na weer drie maanden werd het Nakhon Pathom, een kamp 20 km ten oosten van Nong Pladuk, 50 km ten westen van Bangkok, met 10.000 gevangenen. Algauw kwam het bericht dat de spoorlijn klaar was.

Op 17 oktober ontmoetten de spijkerploegen die aan beiden uiteinden begonnen waren elkaar bij km 257. De Jap had toen ineens veel minder mensen nodig. Van de oorspronkelijk 60.000 gevangenen werd de helft uitgezocht om naar Japan te gaan voor werk in de kolenmijnen. De Jap zocht daarvoor bij voorkeur fitte mensen uit die er niet Indisch uitzagen. Waarom ik niet uitgekozen werd weet ik niet, maar ik bleef in Thailand.

Lees verder “De brug over de Kwai (8)”

De brug over de Kwai (7)

De moeder en broer van de auteur op een foto die midden 1942 is gemaakt in hun eerste kamp voor burgergeinterneerden. Deze is later als ansicht verstuurd en bereikte de auteur na een jaar in Thailand.
De moeder en broer van de auteur op een foto die midden 1942 is gemaakt in hun eerste kamp voor burgergeinterneerden. Deze is later als ansicht verstuurd en bereikte de auteur na een jaar in Thailand.

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Martonna (zomer 1943)

Na drie maanden Tamarkan was het werk klaar en werden de gevangenen elders ingezet. Met vijfhonderd man gingen we op stap, eerst 60 km met het werktreintje, een soort vrachtwagen op treinwielen, daarna 60 km lopen. We kwamen langs het grote houten viaduct van Wangpo (bestaat nu nog). We liepen 12 tot 15 km per dag met in je rugzak alles wat je bezat. Veel was dat niet. Een half versleten uniform, een slaapzak, een klamboe, een slaapmatje, een paar schoenen, een kussensloop, twee pannetjes, een veldfles, een paar puttee’s (beenwindselen) en een boek. Veel meer zal het niet geweest zijn. Op het werk liep je meestal alleen in afgeknipte uniformbroek met riem, verder niets, meestal ook geen schoenen.

Lees verder “De brug over de Kwai (7)”

De brug over de Kwai (6)

De auteur, Dick van Zoonen, in 1941
De auteur, Dick van Zoonen, in 1941

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Psychische gesteldheid

Ik ben eigenlijk nooit bang geweest, want we waren er altijd van overtuigd dat de oorlog binnen een paar maanden voorbij zou zijn en natuurlijk ook dat wij de oorlog zouden winnen.

Achteraf bekeken was dit eigenlijk niet zo vanzelfsprekend. De oorlog is een dubbeltje op zijn kant geweest als je de geschiedenis naleest.  Achteraf bezien is er ook een reële dreiging geweest dat de Japanners ons bij een geallieerde landing in de buurt, dood zouden schieten, maar dat geloofden wij niet, net als de joden in Europa eigenlijk niet geloofden dat de Duitsers hen dood gingen maken.

Lees verder “De brug over de Kwai (6)”

De brug over de Kwai (4)

De brug over de Kwai
De brug over de Kwai

[Een tijdje geleden kreeg ik van de familie van de heer Dick van Zoonen het verhaal toegestuurd van zijn wederwaardigheden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik plaats het deze weken op mijn blog. De eerste aflevering was hier en een overzichtspagina groeit daar.]

Brug over de rivier de Kwai

In Banpong werden we in open vrachtauto’s geladen. Staande werden we 60 km verderop gebracht in een kamp met Engelsen die een brug aan het bouwen waren over de rivier de Kwai. Officiële naam Mènam Kwee Hjai. In het kamp zaten al 900 Engelsen en daar kwamen nu 600 Hollanders bij.

De Engelsen zaten er al drie maanden en  hadden een houten noodbrug al klaar. Het verdere werk was: een betonnen/ijzeren brug parallel aan de houten brug bouwen en de spoordijk van en naar de brug maken. Alle vaklieden waren Japanse soldaten, gevangenen deden alleen de ongeschoolde arbeid.

Lees verder “De brug over de Kwai (4)”

De brug over de Kwai (3)

De auteur, Dick van Zoonen, in 1941
De auteur, Dick van Zoonen, in 1941

[Een tijdje geleden kreeg ik van de familie van de heer Dick van Zoonen het verhaal toegestuurd van zijn wederwaardigheden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik plaats het deze weken op mijn blog. De eerste aflevering was hier en een overzichtspagina groeit daar.]

Krijgsgevangen

Zo begonnen dus de eerste drie maanden gevangenschap in onze eigen kazerne in Bandoeng. In het begin was het regime niet erg streng. ’s Middags mocht er bezoek binnenkomen, meest vrouwen en kinderen van de gevangenen. Aan het bezoek kon je briefjes mee geven. Zo kon ik mijn ouders laten weten waar ik zat en hoe het ging.

Algauw werd de bezoekuren korter en minder frequent en na ongeveer een maand werden ze helemaal afgeschaft. Briefjes versturen werd toen veel moeilijker. Het kon alleen nog maar via het corvee dat dagelijks de stad in moest om voorraad voor de keuken te halen. Dit briefjes versturen mocht niet van de Jap en als er iemand betrapt werd, werd er geslagen.

Lees verder “De brug over de Kwai (3)”