Kruik (Ninevitisch 5)

Aardewerk uit het allervroegste Nineveh (Ashmolean Museum, Oxford)

Het zal niemand verbazen dat ik vandaag nog even verder blog over de Nineveh-tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden. Eigenlijk heb ik een groot deel van de afgelopen vrijdag fluitend doorgebracht, mijn foto’s ordenend en bladerend in de mooie catalogus. Museumbezoek kan je soms zo blij maken. Dat geldt overigens ook voor de betrekkelijk nieuwe Griekse opstelling in opgemeld museum: gewoon móói – alleen een ongelooflijke droogstoppel loopt na het zien daarvan niet blijer het Rapenburg op.

Dat geldt dus ook voor de kruik die hierboven is afgebeeld. Normaliter moet je ervoor naar Oxford, naar het Ashmolean Museum, maar de komende maanden is ’ie in Nederland. En ook dit stuk ceramiek is dus gewoon mooi. En bovendien verdraaid oud.

Lees verder “Kruik (Ninevitisch 5)”

Fluitende neanderthalers

Fluit (Nationaal Museum van Slovenië, Ljubljana)

Cerkno is een dorpje in westelijk Slovenië, richting Italiaanse grens. Archeologen vonden in een grot die “Divje babe” wordt genoemd het bovenstaande voorwerp: een stuk bot, afkomstig van een holenbeer, waarin gaten waren geboord. Een fluit.

Een leuke vondst natuurlijk, maar de echte sensatie was de ouderdom: het voorwerp is 60.000 jaar oud. Dat is fors ouder dan twee andere fluiten, die beide zijn gevonden in zuidelijk Duitsland, te Hohler Fels en Geiβenklösterle. Die zijn zo’n 39.000 tot 40.000 jaar oud. De fluit uit Cerkno is dus niet zomaar wat ouder, maar heel erg veel. En dat maakt het ook heel erg veel leuker.

Lees verder “Fluitende neanderthalers”

Oudheid als ambitie

De Nijmeegse uitgeverij Vantilt was zo vriendelijk me een exemplaar toe te sturen van Oudheid als ambitie. De zoektocht naar een passend verleden, 1400-1700 van Karl Enenkel en Koen Ottenheym. Ik voel me bij presentexemplaren altijd wat opgelaten omdat zo’n cadeautje doorgaans een onuitgesproken (en soms wél uitgesproken) verzoek is erover te schrijven, terwijl ik vaak betwijfel of het wel verstandig is er aandacht op te vestigen. Classici, historici en archeologen leggen, wanneer ze überhaupt schrijven voor het grote publiek, de lat nogal laag en wekken daardoor vooral de indruk dat het vak intellectueel weinig voorstelt. Voor Oudheid als ambitie was ik echter meteen gewonnen.

Nou ja, bijna meteen. De inleiding is niet opwindend, maar toen ik die las had ik al gezien dat het vervolg interessant zou zijn, heel interessant. Oudheid als ambitie is zo’n boek waarvan je al jaren hoopt dat iemand het schrijft: een overzicht van de door de eeuwen veranderende omgang met de oude wereld. Idealiter is dat een trilogie, met een eerste deel over de continuïteit van de laatantieke cultuur in de Middeleeuwen, daarna een deel over de periode die begint met de Renaissance en tot slot een deel dat begint met Montesquieu en Winckelmann. Enenkel en Ottenheym bieden het middendeel.

Lees verder “Oudheid als ambitie”

Hunebedden, dolmens en menhirs

Drie jaar geleden publiceerde de Vlaamse wetenschapsjournalist Herman Clerinx Romeinse sporen, een van de meest lezenswaardige boeken over de oude geschiedenis van de Lage Landen. Het bevatte niet alleen een reeks korte beschrijvingen van wat er in de eerste eeuwen van onze jaartelling zoal in onze contreien is gebeurd, maar ging ook in op aspecten van het wetenschappelijk onderzoek én het vermeldde 309 vindplaatsen.

In Een paleis voor de doden. Over hunebedden, dolmens en menhirs volgt Clerinx dezelfde formule: paragrafen van twee, hooguit drie bladzijden; informatie over zowel de steentijdmonumenten als de wetenschappelijke voetangels en klemmen; een overzicht van vindplaatsen, waarbij naast de Benelux ook de omringende landen aan bod komen, compleet met gps-coördinaten en routebeschrijvingen. En ook dit keer is het weer uiterst lezenswaardig.

Lees verder “Hunebedden, dolmens en menhirs”

Pre-Clovis

Enkele Clovis-voorwerpen (©Wikimedia Commons, gebruiker Bill Whittaker)

Wetenschap schrijdt voort met stapjes. Vandaag lees ik over een zo’n kleine stap: de ontdekking van een prehistorische nederzetting van zo’n 14.000 jaar oud bij Triquet in westelijk Canada. In Nederland wordt het, zonder veel context, gemeld door Nu.nl. De context is echter boeiend, al moeten we ervoor teruggaan naar de vijftiende eeuw.

Zoals bekend stak Columbus in de zomer van 1492 de Atlantische Oceaan over, op weg naar India. Hij ontdekte enkele eilanden en identificeerde de bewoners als Indiërs. Vijf jaar later constateerde Amerigo Vespucci dat deze eilanden niet behoorden bij India, maar een Nieuwe Wereld vormden, die de cartograaf Waldseemüller in 1507 naar Vespucci “Amerika” doopte. De ontdekking vormde een schok, groter en dieper dan wij ons kunnen voorstellen.

Lees verder “Pre-Clovis”

De Indo-Europese migraties

Stele uit Nevsha (Archeologisch Museum van Varna)

Zoals ik gisteren vertelde, is de vraag waarom de Indo-Europese talen op elkaar lijken, in een kwaad licht komen staan doordat de nationaalsocialisten zich meester maakten van de hypothese dat de veronderstelde Urheimat, waar de Indo-Europeanen hadden gewoond voor ze naar alle windstreken waren gemigreerd, had gelegen op de Noordduitse Laagvlakte. In de nationaalsocialistische interpretatie waren de oerbewoners van dat gebied (de “Ariërs”) autochtoon, onvermengd met migranten die bij hen waren komen wonen, raszuiver en daardoor in allerlei opzichten briljant.

Er was een tweede reden waarom het onderzoek stokte. Weliswaar betwijfelde niemand dat de Indo-Europese talen op elkaar leken doordat ze afstamden van één oertaal, maar men had domweg onvoldoende gegevens om daarover werkelijk uitspraken te doen. Zoals we zagen, probeerde men eerst aan de hand van de gedeelde woordenschat enkele aspecten van het thuisland te reconstrueren – er waren bepaalde dieren en gewassen geweest, men had de ploeg gekend en men had er met karren gereden – en was zo’n reconstructie in principe archeologisch toetsbaar.

Lees verder “De Indo-Europese migraties”

De eerste landbouwers

Stamboom van het Aziatisch en Europees DNA (klik = groot; ©Archaeogenetics Research Group, universiteit van Huddersfield)

Oudheidkundigen maken sinds de zeventiende, achttiende eeuw gebruik van drie soorten bewijsmateriaal: geschreven bronnen, materiële resten en parallellen in andere samenlevingen. Drie vensters op het verre verleden. Met het DNA-onderzoek, waar ik het gisteren al over had, gaat nu een vierde venster open. Ik rondde mijn vorige stukje af met een verwijzing naar de stamboom van DNA-groepen (hierboven) en vroeg uw aandacht voor de ongebruikelijke vertakking onder H. De verspreiding daarvan lijkt samen te hangen met de verspreiding van de landbouw.

Het ontstaan daarvan is een beetje een puzzel, die steeds verandert als er ergens oudere vondsten worden gedaan. De laatste keer dat ik het opzocht leek het erop dat ergens rond 9500 v.Chr. mensen aan de bovenloop van de Eufraat begonnen met de teelt van tarwe, meer precies eenkoorn en emmer. Na een eeuw of vijf werden de eerste schapen en geiten getemd in de Zagros– en Taurusbergen. Veeteelt is dus een latere ontwikkeling dan akkerbouw. Ruwweg tegelijk ontstond de eerste monumentale architectuur: ik blogde al eens over de fenomenale monumenten die zijn aangetroffen in Göbekli Tepe en Sanli Urfa. Vee en varkens volgden en het eerste aardewerk in het Nabije Oosten dateert van ruwweg 7000 v.Chr. In vijfentwintig eeuwen was de samenleving ingrijpend veranderd – archeologen noemen dat een revolutie.

Lees verder “De eerste landbouwers”