Hunebed van de dag: D1 (Steenbergen)

Hunebed D1 bij Steenbergen

Hunebed D1, het op vier na noordelijkste hunebed in Nederland, bleek in gebruik als klimrek voor kinderen. Althans toen wij er waren. Ik kon de familie geen ongelijk geven: het is een fijne plaats om te picknicken.

Het grafmonument ligt wat hoger op wat Van der Sanden in zijn Gids voor de hunebedden aanduidt als “een deels verstoven dekzandhoogte”. Ik weet niet precies wat dat betekent, maar zanderig is het er zeker en het hunebed ligt ook wat hoger dan de ernaast gelegen onverharde weg. Het monument, dat ongeveer 11 ½ meter lang is en 3½ breed, is nooit wetenschappelijk onderzocht, dus wie weet wat we er nog te weten kunnen komen over de Trechterbekercultuur.

Lees verder “Hunebed van de dag: D1 (Steenbergen)”

Hunebedden van de dag: D3 en D4 (Midlaren)

Hunebed D3 bij Midlaren

De hunebedden D3 en D4, samen ook wel de Hunenborg genoemd, het “reuzenkasteel”, kwamen als een verrassing. Niet door de afmetingen: D3 is bijna vijftien meter lang en vier meter breed, D4 is met 10¾ meter wat korter maar is met 4½ meter wel weer wat breder. De hunebedbouwers maakten er niet iets speciaals van dit keer. Het verrassende is enerzijds dat ze in elkaars verlengde staan. Niet dat ze elkaar aanraken, maar ze zijn duidelijk op elkaar afgestemd en dat is uniek.

De grootste verrassing van de hunebedden D3 en D4 is echter hun locatie. Ik kwam van Midlaren aanfietsen over het Hunebedpad, dus ik moest in de buurt zijn, maar nergens zag ik een wijd veld met wat boompjes, wat meestal de plek is voor zo’n Trechterbekergraf. Het enige wat ik zag was een groepje boerderijen. Pas langzaam begon me te dagen dat ik door smal pad tussen twee heggen moest om tussen de boerderijen te komen. Daar stonden de twee hunebedden, onder een paar prachtige eikenbomen. D3 is de westelijke en ligt het verste van de weg; u ziet het hierboven. D4 is de oostelijke en de eerste die je ziet. Zie de foto hieronder.

Lees verder “Hunebedden van de dag: D3 en D4 (Midlaren)”

Hunebed van de dag: G1 (Noordlaren)

Hunebed G1 bij Noordlaren

Het op één na noordelijkste hunebed in Nederland, hunebed G1, staat ook wel bekend als de Steenberg. In het Gronings is dat natuurlijk zoiets als Stainbarg. Dat is een gebruikelijke naam voor zo’n monumentaal Trechterbekergraf. Volgende week blog ik over een Drents dorp dat naar een hunebed Steenbergen is genoemd.

We weten dit keer iets over het landschap waar de hunebedbouwers hun grafmonument neerzetten, want in het westen kronkelde de Drentsche Aa en in het oosten de Hunze. Op de landtong daartussen woonden dus mensen. Ze hadden hun akkers vlakbij een klein rond meertje, dat is ontstaan toen een gletsjer zich terugtrok (een “doodijsgat”). Er zijn meer hunebedden bij zulke meertjes, zoals D2 en D35, die liggen bij pingoruïnes.

Lees verder “Hunebed van de dag: G1 (Noordlaren)”

De ontdekking van het oudste Irak

‘Ubaid-aardewerk (Archeologisch Museum van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet)

De eerste opgravers in Irak waren mensen als Botta, die Nineveh ontdekte; Layard, die de Assyrische hoofdsteden opgroef; Koldewey, die hetzelfde deed in Babylon; en Hamdi, die het museum van Constantinopel stichtte. Hun enorme verdiensten staan buiten kijf, want het was bepaald geen sinecure in het zich hervormende Ottomaanse Rijk, zonder veel duidelijke verhoudingen maar vol etnische spanningen, je werk te doen. Al bood die onduidelijkheid ook kansen. Kansen die wij misbruik zouden noemen.

Afgezien van de organisatorische problemen hadden deze archeologen te maken met het feit dat ze hun vondsten alleen konden interpreteren aan de hand van teksten. Die vormden weleens een dwaalspoor, zoals toen Koldewey in Babylon speurde naar Hangende Tuinen die even reëel waren als Diagon Alley in Londen. En dan waren er de dieper liggende lagen, die de allereerste steden documenteerden. Toen schreven de mensen nog niet, dus de opgravers hadden geen idee way ze opgroeven. Sumeriërs? Nooit van gehoord. Ook wisten ze niet hoe oud het spul was dat ze opgroeven. Ze noemden het dus maar “aardewerk zoals gevonden in Nineveh”. Zo ontstond de gewoonte archeologische culturen te vernoemen naar de eerste vondplaats. De La Tène-cultuur is een Europees voorbeeld en Andronovo is een Aziatisch voorbeeld.

Lees verder “De ontdekking van het oudste Irak”

Hunebed van de dag: G5 (Heveskesklooster)

Hunebed G5

Het allernoordelijkste hunebed in Nederland is gevonden op een plek die bekendstaat als Heveskesklooster. Het geeft niet als u niet weet waar dat ligt, want het is een vlek op de landkaart. Het bijbehorende dorp Heveskes, even ten zuiden van Delfzijl, bestaat niet eens meer.

Archeologen die een wierde onderzochten, vonden het hunebed in 1982 en omdat het ter plekke niet viel te conserveren, brachten ze het over naar het Muzeeaquarium in Delfzijl. Het is in een oude Duitse munitiebunker, net over de zeedijk. Behalve het hunebed biedt het, zoals de naam al aangeeft, een aquarium met Waddenzeevissen. Ook zijn er zalen met uitleg over geologie en archeologie, over de geschiedenis van de regio en over de Delfzijlse zeevaart.

Lees verder “Hunebed van de dag: G5 (Heveskesklooster)”

Alle hunebedden

Hunebed D54 bij Havelte

Het beste was dus tot het laatste bewaard. Deze zomer vinkte ik de drie laatste exemplaren af op mijn lijstje van hunebedden. Anderhalf jaar daarvoor had ik het plan opgevat ze allemaal eens te bezoeken. Dat plan beloofde immers leuke fietstochtjes voor de perioden zonder lockdown, en dat in een van de mooiste gebieden van Nederland: Drenthe. Het laatste deel van de buit haalde ik binnen op 20 augustus in Havelte, waar twee van die oude grafmonumenten zijn, en in Diever, waar ook hunebeddenvorser Albert van Giffen (1884-1973) begraven ligt. Dit drietal behoorde tot het mooiste en lag in een zonovergoten, schitterend landschap. Fiets van Diever verder via de radiotelescoop van Dwingeloo en je dag is goed.

Trechterbekercultuur

Vermoedelijk ten overvloede: hunebedden zijn van enorme zwerfkeien gemaakte grafmonumenten en behoren tot de zogeheten Trechterbekercultuur. Die moet u tussen 3350 en 2750 v.Chr. plaatsen, dus terwijl in Egypte de Naqada-tijd overgaat in het Oude Rijk en terwijl in Mesopotamië de stedelijke cultuur zich ontwikkelt. De bouw van de hunebedden staat daarvan los, maar Drenthe was via Roemenië, waarvandaan de hunebedbouwers incidenteel metaal importeerden, verbonden met het Nabije Oosten.

Lees verder “Alle hunebedden”

Celtic Fields

Celtic Fields bij Wekerom (foto Jan van Uffelen)

De naam “Celtic Field” is een eeuw geleden bedacht door Britse archeologen en is eigenlijk een beetje misleidend. Het begrip suggereert immers dat deze akkers door de Kelten zouden zijn gebruikt. In feit zijn ze veel ouder en jonger: zo oud als de Vroege Bronstijd (ca. 1800 v.Chr.) en zo jong als de Vroege Middeleeuwen (ca. 650 n.Chr.). Bovendien vinden we Celtic Fields bijna altijd buiten het gebied van de La Tène-cultuur: in België, Denemarken, Engeland, Duitsland, Nederland, Polen, en Zweden. Anders gezegd, in heel Noordwest-Europa maar zelden op een plek waar ze Keltisch spraken. Misschien is het halfvergeten Nederlandse woord “raatakker” beter.

Het gaat om kleine, vierkante of rechthoekige akkers. Een typisch voorbeeld meet ongeveer 35×35 meter, hoewel ze ook iets kleiner (30×30 meter) of iets groter (50×50 meter) kunnen zijn. De grootte doet vermoeden dat elke akker door één familie of misschien zelfs door één individu kon worden bewerkt.

Lees verder “Celtic Fields”

Doggerland

Een 50.000 jaar oude vuistbijl, gevonden op de Maasvlakte. Het voorwerp is gemaakt van Wommersomkwartsiet, gewonnen in Vlaams Brabant, 175 kilometer verderop. Het illustreert hoe mobiel Neanderthalers waren.

Nederland heeft geen archeologiemuseum. Net als Vlaanderen overigens, dat in Brugge tot voor kort wel zo’n museum had. Onze musea tonen vooral voorwerpen, waarmee ze een verhaal over het verleden vertellen. Dat is ook goed. Het verleden is immers belangrijk. Maar ik zou willen dat ergens ook naar behoren werd uitgelegd wat archeologie is. Gelukkig is er nu de expositie over Doggerland in het Rijksmuseum van Oudheden. Het sterke is dat deze niet alleen gaat over de Steentijd van een gebied dat nu ligt op de bodem van de Noordzee, maar dat ze ook vertelt hoe en waardoor we weten wat weten.

De naam “Doggerland” is daarbij ietwat misleidend, want die term verwijst naar de Doggersbank, de ondiepte halverwege Nederland en Engeland. De expositie gaat echter over een wat groter gebied. Veel vondsten zijn vlak onder de Nederlandse kust gedaan. De paleolithische voorwerpen komen bijvoorbeeld van de stranden van de Zeeuwse archipel en de Waddeneilanden, terwijl flink wat mesolitische vondsten zijn gedaan op de Maasvlakte. Lees verder “Doggerland”

Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Lees verder “Gustaf Kossinna (2)”