Kort Irakees (9): Faisal II

Een mooi portretje hierboven: Faisal II, kleinzoon van de Faisal die met Lawrence of Arabia Jordanië, Syrië en Irak bevrijdde, en zoon van koning Ghazi van Irak. Die kwam in 1939 bij een auto-ongeluk om het leven, zodat de kleine Faisal hem moest opvolgen, een paar weken voor zijn vierde verjaardag. De foto hierboven zal niet heel veel later zijn gemaakt en toont de kind-koning in een traditioneel Arabisch gewaad. Tot zijn achttiende verjaardag in 1953 traden enkele familieleden op als regent en ook daarna had hij machtige adviseurs.

Lees verder “Kort Irakees (9): Faisal II”

De ongrijpbare David Bowie

In een wat overmoedige bui kocht ik Bowie. De getekende biografie, van Michael Allred en Steve Horton, ingekleurd door Laura Allred. Als de kop die ik dit stukje meegeef de indruk wekt dat het drietal Bowie presenteert als ongrijpbaar genie dat zijn fans steeds een stap vóór was, dan vrees ik dat ik u moet teleurstellen. Ze hebben überhaupt geen grip. Misschien is dat een compliment aan Bowie, dat hij zelfs na zijn dood iedereen te slim af is, maar uiteindelijk is dit boek geen bevredigende lectuur.

Vertaling

Het komt misschien ook doordat ik in mijn haast de Nederlandse vertaling had gekocht. Die is op zich prima – laat daarover geen misverstand bestaan – maar schept ook afstand tot een wereld die u nu eenmaal kent in het Engels. U moet op Mars hebben geleefd als u niet weet hoe de woorden

Van alle shows die we tot nu toe hebben gespeeld zal deze ons het langste bijblijven omdat het niet alleen de laatste van de tour is…

eigenlijk hebben geklonken en als u niet weet wat erop volgde. P. Moretti laat die oplawaai gelukkig onvertaald, maar in feite is het omzetten in het Nederlands, hoe respectabel ook, een obstakel. U kent Bowie, u kent zijn universum, u kent het in het Engels.

Geen biografie maar een kroniek

Zou ik Bowie. De getekende biografie in het Engels hebben gelezen, dan was Bowie. Stardust. Rayguns & Moonage Daydreams me vermoedelijk ook tegengevallen. Het is namelijk niet de biografie de het voorgeeft te zijn. Het is een kroniek. Het boek begint op het moment dat Bowie een einde maakt aan Ziggy Stardust, waarna als een flashback de carrière van 1962 tot 1973 wordt doorgenomen, met een epiloog tot ’s mans dood in 2016. Er gebeurt veel en het staat keurig netjes vermeld, vaak met de datum erbij. Op 17 oktober 1972 dronk David Bowie in het Beverly Hills Hotel thee met Elton John.

Vaak commentaar erbij. Op 17 juni 1972 (overigens de dag waarop ook in Washington iets opmerkelijks gebeurde) fotografeerde Mick Rock hoe David Bowie tijdens een concert in Oxford bij de finale van Suffragette City met z’n tanden gitaar speelde op de gitaar van Mick Ronson en dat is een van de meest iconische beelden geworden uit de rockgeschiedenis. De beroemde foto is keurig nagetekend. Op 19 juni molde Bowies eenjarige zoon de platencollectie van zijn vader. Op 25 juni speelde Roxy Music in het voorprogramma van Bowies optreden in Surrey en ontmoette Bowie Brian Eno. Feit op feit op feit.

Prachtige tekeningen

Zo’n opsomming is op zich nuttig en de tekeningen zijn geweldig mooi. Zeker de portretten zijn raak en het is natuurlijk een boeiende troupe: Freddy Mercury, Mott the Hoople, Lou Reed, Marc Bolan, Iggy Pop, Christopher Lee, Alice Cooper, Ringo Starr en natuurlijk Angela Bowie. Personage na personage na personage.

U voelt het probleem al: Allred en Horton hebben geen keuzes gemaakt. Nou vooruit, ze hebben ervoor gekozen Bowies drugsgebruik te verzwijgen, maar verder is alles aanwezig. David Bowie als acteur? Zit erin. David Bowie als producent? Zit erin. Bowies gevoel voor mode? Zit er in. Het hippe Londen rond 1970? Verwerkt. Speelfilm? Check. Beelden van de eerste maanlanding? Natuurlijk. David Bowie als icoon van homo-emancipatie? Vink maar af. Obligate nagetekende krantenkoppen? Uiteraard. Feit op feit, personage na personage: het is er allemaal.

Hamlet zonder prins

Het enige wat er niet in zit, is David Jones zelf. Hij wordt geen moment een rond karakter. Misschien is het omdat hij zelf voortdurend van rol wisselde, rollen die hij nodig had om de rock & roll te scheiden van zijn echte zelf. Allred en Horton geven het eenmaal aan, maar het blijkt nergens uit het verhaal.

Wellicht hebben ze de verkeerde periode centraal gesteld en was de spanning tussen Jones’ eigen identiteit en zijn publieke persona beter tot haar recht gekomen als ze de late jaren zeventig centraal hadden gesteld, toen Bowie worstelde met de cocaïne, naar Berlijn vluchtte om eraan te ontkomen, scheidde van Angie en (helaas) zichzelf uitvond als de disco-parodie van Let’s Dance. Ik vermoed dat die jaren geschikter waren voor biografen die willen benadrukken waarom Bowie zijn Ziggy’s Stardust, zijn Halloween Jacks, zijn Thin White Dukes, zijn Pierrots en Blind Prophets zo nodig had.

Wat Allred en Horton nu bieden, is een beschrijving van buitenaf: een opsomming van losse, onverbonden gebeurtenissen. Het is prachtig getekend; dáárvoor moet u het boek zeker lezen. Ze hebben echter geen grip op de stof gekregen, de man blijft ongrijpbaar, onkenbaar – in feite de alien die David Bowie speelde. En hoewel hij daar dus aanleiding toe heeft gegeven, denk ik dat dit toch ook het falen is van de biografen.

Geliefd boek: Het goud van de zwendelaar

Bij stripboeken gaat het om de combinatie van beeld en verhaal. Stripboeken met een goed verhaal die – in mijn ogen – slecht getekend zijn, zijn voor mij onverteerbaar. Goed getekende strips met een slecht verhaal zijn iets beter te verteren. Maar de echt goede stripboeken combineren uitstekend tekenwerk met een sterk verhaal.

Het goud van de zwendelaar is zo’n parel. Het vertelt het verhaal van Pablos, een zwerver en zwendelaar uit het Spaanse Segovia, die rond 1625 in het koloniale Zuid-Amerika op zoek gaat naar rijkdom. In de cel van de Spaanse Alguazil (gezaghebber) van Cuzco vertelt Pablos zijn levensverhaal en zijn zoektocht naar de goudstad El Dorado. Om te zeggen dat het verhaal de Alguazil erg inspireert is een understatement: de man gaat spoorslags op pad. Jaren later vertelt Pablos het verhaal opnieuw en dan blijkt dat hij El Dorado inderdaad gevonden heeft, maar op een andere plaats dan je zou verwachten. Bij de lezer gaan er dan steeds meer puzzelstukjes in elkaar vallen.

Lees verder “Geliefd boek: Het goud van de zwendelaar”

Geliefd boek: De kinderen van de wind

In maart schreef ik een in memoriam voor Albert Uderzo en één van de dingen die ik noemde, was dat het bij stripverhalen niet het belangrijkst is of je goed schepen of paarden kunt tekenen, maar of je goede personages kunt neerzetten. En vandaag wil ik het hebben over een andere grootmeester van het beeldverhaal die dat als geen ander kan, namelijk François Bourgeon. Een man die juist fantastisch goed schepen kan tekenen, iedere plank, iedere katrol zit op de juiste plaats, maar het zijn de mensen op de schepen die hij zo levensecht weet neer te zetten dat je het gevoel hebt samen met hen aan boord te zitten.

In De kinderen van de wind maken we kennis met Isabeau de Marnaye (of niet?) die verkleed als man naar zee gaat, verliefd wordt op een matroos, gevangen genomen wordt door de Engelsen, ontsnapt en in Afrika verzeild raakt. Zo naverteld lijkt het allemaal niet heel origineel, maar Bourgeon gebruikt het liefdesverhaal tussen de vrijgevochten (en sexy!) Isa en haar Hoël om het grotere thema van de transatlantische slavenhandel aan te pakken.

Lees verder “Geliefd boek: De kinderen van de wind”

Cervantès, Cervantes en Don Quichot

Er zijn boeken die iets onbenoembaars hebben waardoor je ze niet veilig in een pasklaar hokje kunt plaatsen, die je verontrusten, die onder je huid kruipen. Un certain Cervantès van de Franse striptekenaar Christian Lax is zo’n boek.

Het verhaal is op zich niet heel erg ingewikkeld: de Amerikaanse oorlogsveteraan Mike Cervantès keert vanuit Afghanistan, waar hij bij een vijandelijke aanval een hand heeft verloren en de gevangene is geweest van de Taliban, terug naar zijn geboortestreek in Arizona. Hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en houdt zich aanvankelijk wat op de achtergrond, maar een vriend zorgt voor hem en helpt hem zijn draai in het burgerlijk leven terug te vinden.

Dat lukt maar gedeeltelijk. Als zijn vriend financiële problemen krijgt, slaat Cervantès een bankkantoor kort en klein en belandt in de nor. Hij heeft dan al eens gehoord dat zijn naam, zijn handicap en zijn krijgsgevangenschap hem doen lijken op Miguel de Cervantes, de auteur van de Quichot. In de gevangenis leest Cervantès – ik bedoel de Amerikaan – het verhaal van de dolende ridder. Dat doet zijn toch al verwarde hoofd helemaal op hol slaan. Hij begint te hallucineren dat hij gesprekken heeft met de Spaanse Cervantes.

Lees verder “Cervantès, Cervantes en Don Quichot”

1-2-3-4 Ramones

Een paar jaar geleden realiseerde ik me ineens dat de Ramones op mij het effect hebben van een ijsjeswinkel. Ik word er blij van. Veel wist ik echter niet van mijn nieuw-onderkende muzikale voorkeur, dus ik besloot er het een en ander over te lezen: de autobiografie van Johnny Ramone, de herinneringen van de familie van Joey Ramone, het boek waarmee Marky Ramone zich presenteert als dé drummer van de band en het meelijwekkende verhaal van Dee Dee Ramone. Een psychopathische gitarist, een zanger met dwangstoornissen, een alcoholistische drummer en een heroïne-verslaafde bassist. Eeuwig ruzie. De enige normale Ramones waren de eerste en derde drummer Tommy en Richie, die de heksenketel allebei voortijdig vaarwel zegden.

Het zou de heren, die zich graag wat dommer voordeden dan ze waren, bepaald hebben verbijsterd als ze wisten dat ik bij het lezen van de verhalen van Joey en Dee Dee steeds weer moest denken aan de mythe van Prometheus: de Griekse godheid die de mensheid het vuur gaf en daarvoor een lange, pijnlijke straf kreeg. De Ramones vernieuwden de muziek maar Joey en Dee Dee betaalden daarvoor een te hoge persoonlijke prijs. Dat is ook de boodschap van het stripverhaal One, Two, Three, Four Ramones van Bruno Cadène, Xavier Bétacourt en Éric Cartier.

[Hierna wat spoilers.]

Lees verder “1-2-3-4 Ramones”

Driemaal Don Quichot

Je kunt de wereldliteratuur verdelen in ruwweg twee categorieën: (a) ridderromans en (b) andere romans. De tweede categorie gaat niet over ridders en is dus eigenlijk alleen interessant voor specialisten, terwijl in de eerste categorie de Quichot alle andere verhalen overbodig maakt. U hoeft in uw leven dus maar twee boeken te lezen: het eerste deel van de Quichot en het tweede.

Deze op zich overzichtelijke situatie wordt enigszins gecompliceerd door het feit dat talloze auteurs inspiratie hebben ontleend aan de avonturen van de weergaloze ridder van La Mancha. Aangezien een goed voorbeeld goed doet volgen, zijn de afgeleide kunstwerken doorgaans prima verteerbaar. Ik sprak al eens over Graham Greenes Monsignor Quixote, een van mijn lievelingsboeken. Vandaag drie stripverhalen.

Lees verder “Driemaal Don Quichot”

Jarig

guust

Zonder u  te willen beledigen: de kans is groot dat u straks, zoals honderdduizenden anderen, vanuit kantoor (waar u uw mooie jeugdjaren verprutst) naar huis gaat, daar dineert, dan de TV aanzet en vervolgens de hele avond blijft kijken in de hoop dat er iets wordt uitgezonden dat de moeite waard is. U kunt natuurlijk ook uw stapel Guust Flaters uit de kast halen en een avond onbedaarlijk lachen.

Vandaag is het zestig jaar geleden dat Guust voor het eerst verscheen.

Democratie

democracy

“Door de makers van Logicomix” staat er op het omslag van het stripverhaal Democratie, en die aanbeveling was genoeg om het mee te nemen. Het is niet onwaar: Alecos Papadatos tekent opnieuw, Annie Di Donna kleurt opnieuw. Wie van het oorspronkelijke team ontbreken zijn Apostolos Doxiadis en Christos Papadimitrou, die het brein vormden achter Logicomix en het tot een prachtig, terecht geprezen boek maakten. Tekenaar Papadatos werkt dit keer samen met Abraham Kawa en helaas pakt het, ondanks het boeiende thema, slecht uit.

Het verhaal zelf is boeiend genoeg. Aan de vooravond van de slag bij Marathon, waarin een Atheens leger een Perzische overmacht versloeg die de Atheense alleenheerser Hippias wilde terugbrengen, vertelt een zekere Leander het verhaal van het ontstaan van de democratie. Het voortbestaan daarvan is de inzet van het conflict met de Pers. Leander heeft meegemaakt hoe twintig jaar daarvoor de gedegenereerde heerschappij van Hippias ten einde was gekomen, deels door een Spartaanse ingreep, deels doordat de Atheense staatsman Kleisthenes (getekend als een blauwogige Demosthenes) had aangestuurd op een democratisch systeem.

Lees verder “Democratie”

Nou moe?!

guust_berlijn

Kijk, dat is nou leuk: Almere heeft een stripheldenbuurt. Er is een Lucky-Lukestraat, een Obelixstraat en een Willie-Wortelstraat. Enkele striptekenaars hebben een straatnaam gekregen – Marten Toonder heeft zelfs een laan én een pad naar zich vernoemd gekregen – en verder zijn er algemene namen zoals de Weg-van-het-beeldverhaal. Mijn favoriet is de Hendrik-IJzerbrootlaan en ik vind het geruststellend dat deze Vinexwijk een Familie-Doorzonstraat heeft. Zelfspot ontbreekt de Almeerse ambtenaren niet: er is een Dorknoperlaan. Hier vindt u het hele lijstje.

Uiteraard zal iedereen wel iets vinden dat zijns of haars inziens ontbreekt. Dat er geen straat is vernoemd naar de hoofdpersoon van Peter Pontiacs Kraut (een journalist die fout was in de Tweede Wereldoorlog) is alleen maar logisch, al had Pontiac zelf van mij wel een weggetje mogen hebben. Persoonlijk zou ik wel hebben willen wonen aan de Labradorstraat 26, persoonlijk zou ik het plein tegenover de openbare bibliotheek hebben vernoemd naar het tijdschrift Pep en voor De Generaal dacht ik persoonlijk aan een plantsoen met uitzicht op Fort Pampus. Allemaal persoonlijke meningen. Maar wat ik, om zo te zeggen, objectief erg vind: Guust Flater moet genoegen nemen met een bruggetje. Niemand in Almere, helemaal niemand, kan trots de post laten sturen naar een Flateradres.

Gretverdegretver.

Lees verder “Nou moe?!”