Byzantijnse krabbel (1): Constantijns stad

De zuil van Constantijn

In 324 versloeg Constantijn zijn medekeizer en zwager Licinius, met wie hij aanvankelijke bevriend was geweest maar van wie hij in de loop der jaren vervreemd was geraakt. Constantijn verwierf nu het bevolkingsrijke Klein-Azië, het oeroude en welvarende cultuurgebied Syrië alsmede Egypte, de spreekwoordelijke graanschuur van de antieke wereld. De organisatie van de nieuwe provincies vergde ’s keizers persoonlijke aandacht en dus verplaatste hij zijn residentie naar het oosten.

Dat was niet ongebruikelijk. Zijn vader Constantius had eerst zijn residentie gehad in Aquileia, later in Trier en zijn laatste regeringsjaren verbleef hij vaak in Londen, hoewel hij overleed in York. Zijn collega Galerius hield hof in achtereenvolgens Antiochië, Sirmium en Thessaloniki en stierf in Sofia. Het idee dat er één hoofdstad was, was de Romeinen vreemd: de regering zetelde waar de keizer was en die was eigenlijk voortdurend op reis. Dat neemt niet weg dat er steden waren waar zo’n vorst graag terugkeerde en waar mensen heen kwamen die hem moesten spreken. Daar verrezen dan een werkpaleis, een woonpaleis, een ontvangstzaal (basilica in jargon), een badhuis en een hippodroom. Zo ook in de stad die Constantijn, na te hebben geresideerd in Trier, Milaan en Thessaloniki, in de zomer van 324 uitzocht: Byzantium.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (1): Constantijns stad”

Het Midden-Oosten

Antiochië

Het is 2003, het is ergens in de zomer en mijn zakenpartner en ik worden wakker in een hotel in Iskenderun. We lopen naar de eetzaal, waar wat zeelieden zitten te ontbijten. “’Morning, captain!” horen we, “The boat, how is she?” Terwijl ik wat groente op mijn bordje schep, realiseer ik me ineens dat ik geuren ruik die ik nooit eerder heb geroken: de kruiden uit de oosterse keuken, die we vanaf die ochtend in ieder restaurant en in elke souq en bazar zouden ruiken. Ik plaag mijn zakenpartner, die die ochtend niet helemaal goed in orde was en het ontbijt oversloeg, nog wel eens met de constatering dat Iskenderun het onovertroffen culinaire hoogtepunt is geweest van onze reizen in het voetspoor van Alexander de Grote.

Het was voor het eerst dat ik me realiseerde dat ik niet meer in West-Europa was. De Griekse steden in het westen van Turkije, Ankara, de grote weg over de Anatolische Hoogvlakte: je kon steeds nog denken dat je ergens in Italië of Griekenland was. In Iskenderun – nog altijd een kosmopolitische havenstad – was dat niet meer zo, en toen we later op die dag in Antiochië en Seleukia waren, wist ik dat zeker. Ik had de geur van het Midden-Oosten opgesnoven.

Lees verder “Het Midden-Oosten”

Diogenes van Oinoanda

Een in 2003 nog niet opgegraven en uitgegeven tekstfragment

Een van de sympathieke trekken van de Romeinse cultuur is dat rijke mensen zich aan hun stand verplicht voelden iets te doen voor hun stadsgenoten. Dat kon de vorm aannemen van patronage – een miljonair bemiddelde bijvoorbeeld tussen de gemeente en de provinciale bestuurders – maar het kon ook betekenen dat zo iemand per testament iets naliet aan zijn stad. Van Plinius de Jongere is bekend dat hij Como een bibliotheek schonk, maar ook een badhuis was een mogelijkheid, of een portico, of een uitkering voor de wezen of een jaarlijkse vleesmaaltijd op de overlijdensdag van de weldoener.

De oudheidkundige jargonterm, bij mijn weten voor het eerst vermeld door Henri Pirenne en later verbreid door Paul Veyne, is évergetisme, wat is afgeleid van het oud-Griekse euergetes, “weldoener”. Natuurlijk mogen we cynisch denken dat deze liefdadigheid alleen maar mogelijk was door het uitbuiten van slaven, want ook het Romeinse Rijk was het paradijs niet, maar toch: onsympathiek is het idee van noblesse oblige nou ook weer niet.

Lees verder “Diogenes van Oinoanda”

Twee keizers

Diocletianus en Maximianus (Çukurbağ Archeologisch Project / Kocaeli Museum, İzmit)

Een wetenschap – en oudheidkunde is een wetenschap – schrijdt verder langs twee wegen. Aan de ene kant is er de gestage accumulatie van data, aan de andere kant is er de aanpassing van methoden en denkwijzen. Door het eerste kan het tweede leiden tot verfijning en zelfs tot verbetering en dáár wordt het boeiend. De eigenlijke accumulatie van data is in de oudheidkunde echter net zo oninteressant als in andere vakken en ik schrijf liever een stukje zoals dat van gisteren, waarin ik kan tonen hoe er muziek kan zitten in mijn vak en dat dat de moeite waard is.

Vandaag desondanks toch een stukje uit de vermaledijde categorie “gestage accumulatie van data”, want het bovenstaande reliëf is gewoon mooi. Het is gevonden in het Turkse İzmit, dat ooit Nikomedia heette en de residentie was van keizer Diocletianus, en het moet dateren van ergens rond het jaar 290. De vondst is echter niet alleen mooi. Ze is ook interessant.

Lees verder “Twee keizers”

Een tekst over Troje? (vervolg)

Het steile Troje

Een paar dagen geleden schreef ik over de mogelijkheid dat een tekst was ontdekt waarin Wilusa (ofwel Wilios, ofwel Ilios, ofwel Troje) zou zijn genoemd. Ik was niet de enige scepticus. Eric Cline, wiens boeken weleens zijn besproken (1, 2, 3) plaatste op Facebook ook wat vraagtekens, die ik hier met u deel.

While on an airplane home from a conference last night, I had come up with a list of my own questions … about this inscription and its recent biographical history, to whit:

Lees verder “Een tekst over Troje? (vervolg)”

Een tekst over Troje?

De oostelijke poort van Troje VI/VIIa

Zo op het eerste gezicht lijkt het nieuws behoorlijk belangrijk. En na deze eerste zin weet u al dat er een tweede gezicht is en dat het nieuws wellicht anders moet worden geduid. En u weet dan ook dat er een conclusie komt over de aard van het nieuws. Met andere woorden: op deze vroege zondagochtend kan ik, op een hotelkamer in het Kroatische Zadar, voor het volgende nieuws geen adequatere vorm bedenken dan een stomvervelend frame dat al veel te vaak is gebruikt. Niettemin is het bericht de moeite waard, dus lees even verder.

1. Op het eerste gezicht

De claim: onderzoekers hebben een 3200 jaar oude inscriptie vertaald waar informatie in blijkt te staan over de gebeurtenissen in westelijk Klein-Azië. Het interessante is dat daarin Troje wordt genoemd. De tekst, zo lezen we hier, is geschreven in het Luwisch (een Indo-Europese taal uit het westen van Klein-Azië) en beschrijft enkele gebeurtenissen uit het koninkrijk Mira. Als ik het goed samenvat nam een koning Mashuittas van Mira de macht over van koning Walmu van Wilusa (de oude naam van Troje). Deze Walmu was uit zijn stad verdreven maar Mashuittas gaf hem die stad terug in ruil voor beloftes een trouwe vazal te zullen zijn.

Lees verder “Een tekst over Troje?”

Liegen over Nikolaas van Myra

Het graf in de basiliek in Myra dat meestal wordt aangewezen als dat van bisschop Nikolaas

En hop, daar gaan we weer. Als het niet Trouw is die nonsens publiceert over Mithras, zijn het de andere media wel die kwakgeschiedenis publiceren over de Oudheid. Zoals een volstrekt stompzinnig verhaal over het gebeente van Nikolaas van Myra: de Standaard, het Algemeen Dagblad, het Reformatorisch Dagblad, Scientias. De simpele samenvatting: het gebeente dat in de elfde eeuw, kort na de Turkse verovering van het gebied dat nu Turkije heet, vanuit Myra naar Bari is overgebracht, is niet het echte gebeente van de vierde-eeuwse bisschop. Dat ligt – op dit punt maken de acht academici die momenteel in Myra onderzoek doen een gratuit voorbehoud – wellicht nog in een graf dat niet eerder is onderzocht en er gaaf uitziet. Dat voorbehoud is echter zó onbelangrijk voor ze dat ze het persbericht de deur al uit hebben gedaan.

Tja. In die basiliek liggen wel meer mensen begraven. Er zal best een graf zijn dat niet eerder is onderzocht. Maar het is extreem onwaarschijnlijk dat dat het graf is van Nikolaas. Hoe zat het ook alweer? Lees even mee bij Orderic Vitalis, die het verhaal van de grafroof heeft verteld. Er waren destijds, in 1087, twee teams actief om het gebeente van Nikolaas in Italië in veiligheid te brengen te roven. Terwijl het team uit Venetië het netjes aan de burgemeester van Myra ging vragen, sloeg het team uit Bari zijn slag en bracht de botten over naar de hak van Italië.

Lees verder “Liegen over Nikolaas van Myra”