WvdK | De slag in het Teutoburgerwoud

Reconstructie van het antieke landschap bij Kalkriese, de locatie van een van de gevechten in het Teutoburgerwoud: moeras vooraan, palissade van het Romeinse kamp achteraan

[De slag in het Teutoburgerwoud is een van de beroemdste gebeurtenissen uit de Oudheid. Een van de bronnen is het in het jaar 30 n.Chr. door de Romeinse officierVelleius Paterculus gepubliceerde historische zakboekje, waarin hij de wereldgeschiedenis samenvatte. Ook de gebeurtenissen in het Teutoburgerwoud komen aan bod. Paterculus was bevriend met keizer Tiberius (ze hadden samen gevochten in het Midden-Donau-gebied) en een ooggetuige van de regering van keizer Augustus. Zijn verslag van de slag in het Teutoburgerwoud gaat terug op andere ooggetuigen.

Over de betekenis van de Romeinse nederlaag zijn lange tijd te stellige uitspraken gedaan. Dit was echter niet het moment waarop Duitsland werd geboren. De Romeinen gaven hun posities op de oostelijke Rijnoever pas later op. Hier is een alweer wat ouder stukje waarin ik het een en ander bij elkaar plaats.]

***

Tiberius had de Pannonische en Dalmatische oorlog nog maar net afgerond toen, nog geen vijf dagen nadat hij die enorme onderneming tot een goed einde had gebracht, de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Quintilius Varus stamde uit een eerder beroemde dan adellijke familie. Hij was een zachtmoedig man, rustig in zijn optreden, wat traag van lichaam en geest, meer gewend aan de rust van het kamp dan aan actieve krijgsdienst. Dat hij niet afkerig was van geld, bleek in Syrië, waar hij gouverneur was geweest: arm betrad hij een rijke provincie, rijk verliet hij een verarmd gewest. Eenmaal aan het hoofd van het leger in Germanië geplaatst, verbeeldde hij zich dat de mensen daar – die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden en die zelfs niet te bedwingen waren met geweld – tot beschaving konden worden gebracht door rechtspleging. Met deze intentie trok hij naar het hart van Germanië, waar hij, alsof hij te maken had met mannen die eraan gewend waren van vrede te genieten, de zomer in zijn rechterstoel doorbracht met rechtspraak en het afhandelen van formaliteiten.

Wie hen niet kent, kan zich nauwelijks voorstellen hoe slim in al hun barbaarsheid de Germanen zijn. Ze verzonnen een hele reeks processen, die ze de ene keer lieten escaleren in scheldpartijen, terwijl ze de andere keer de Romeinen dankbaar zeiden te zijn, omdat hun rechtspraak aan scheldpartijen een einde maakte en deze nieuwe en onbekende orde hun woeste volksaard temperde. Wat voordien gewapenderhand was uitgevochten, zou voortaan worden beslist door rechtspraak. Zo bereikten ze dat Quintilius zijn voorzichtigheid liet varen, en dat hij zich eerder recht zag spreken als voorzitter van het hooggerechtshof, dan dat hij zich beschouwde als commandant van een leger aan het Germaanse front.

Nu was er een jonge, sterke edelman, sneller van begrip dan bij de barbaren gebruikelijk is: Arminius, de zoon van de Germaanse heerser Sigimer. Zijn enorme geestkracht straalde van zijn gezicht en uit zijn ogen. Bij de voorafgaande veldtochten was hij onze onvermoeibare bondgenoot geweest, en hij bereikte daarom na het Romeinse burgerrecht ook de rang van ridder. Bijgevolg kon hij, toen de gelegenheid zich voordeed, de meegaandheid van de Romeinse aanvoerder misbruiken voor het plegen van een misdaad. Slim als hij was, zag hij in dat niemand zo eenvoudig te overweldigen is als degene die niets vermoedt, en dat een gevoel van veiligheid maar al te vaak rampen veroorzaakt. Dus maakte hij anderen – eerst slechts enkelingen, later meer – deelgenoot van zijn plannen: hij zei hun dat de Romeinen konden worden overrompeld en wist hun te overtuigen. Hij voegde de daad bij het woord en bepaalde het tijdstip voor de hinderlaag.

Zijn stamgenoot Segestes, een loyale man met een solide reputatie, bracht dit nieuws over met de suggestie enkele personen te arresteren. Het Noodlot beheerste echter Varus’ gedachten en had zijn geest verduisterd. Zo gaat het immers: als een god iemands geluk wil verstoren, tast hij meestal diens oordeelsvermogen aan en bereikt daarmee – en dat is het erge! – dat de gebeurtenis iemands verdiende loon lijkt te zijn, waardoor toeval verandert in schuld. Daarom weigerde Varus Segestes te geloven en verklaarde hij dat hij de vriendschapsbetuigingen van de Germanen beschouwde als een erkenning van zijn verdiensten. Na de eerste waarschuwing was er echter geen tijd meer voor een tweede.

Het verloop van deze afschuwelijke catastrofe wil ik ooit nog in een boek met een gepaste omvang uiteenzetten, zoals anderen dat hebben gedaan. Hier zal ik slechts onder tranen het belangrijkste vertellen. Het leger dat van alle Romeinse troepen als het sterkste, gedisciplineerdste, dapperste en ervarenste gold, is omsingeld door de zorgeloosheid van de generaal, de onbetrouwbaarheid van de vijand en de onrechtvaardigheid van het Lot, zonder dat het een kans kreeg onbelemmerd te vechten – hoe graag het dat ook had gewild – of een uitval te doen. Enkelen hebben zelfs zwaar moeten boeten voor het feit dat ze de wapens opnamen en streden zoals Romeinen betaamt. Omringd door wouden, moerassen en hinderlagen werden ze tot de laatste man afgeslacht door dezelfde vijanden die zij zelf altijd als vee hadden afgeslacht, op zo’n manier dat hun leven of dood afhankelijk waren van Germaanse woede of genade.

Hun aanvoerder toonde meer moed bij het sterven dan bij het vechten. Naar het voorbeeld van zijn vader en grootvader doorstak hij zichzelf. Van de twee kazernecommandanten gaf de een, Lucius Eggius, een voortreffelijk voorbeeld en de ander, Ceionius, een schandelijk: toen het grootste deel van de troepen was omgekomen, nam hij het initiatief tot overgave. (Blijkbaar wilde hij liever sterven als gevangene dan als soldaat.) Ook Numonius Vala, de onder normale omstandigheden kalme en betrouwbare ondercommandant van Varus, stelde een afgrijselijk voorbeeld: hij vluchtte met zijn eskadrons naar de Rijn en ontnam aan de infanterie zo de dekking door de cavalerie. Zijn vergrijp werd echter door het Noodlot gewroken: hij overleefde degenen van wie hij deserteerde niet en vond de dood als deserteur.

Het halfverbrande lijk van Varus werd door de hysterische vijanden verscheurd. Zijn hoofd werd afgehouwen en naar [de Germaanse leider] Marbod gebracht, die het naar Augustus zond. Ondanks het gebeurde heeft deze het de eer waardig geacht van een familiebegrafenis.

Toen Tiberius van de ramp hoorde, schoot hij zijn vader [keizer Augustus] te hulp. … Uitgezonden naar Germanië verzekerde hij de Gallische provincies, reorganiseerde hij de legers en versterkte hij de garnizoenssteden om daarna … met zijn leger de Rijn over te steken. Daar zette hij een offensief in tegen de vijand terwijl zijn vader en het land al tevreden waren geweest als hij de vijand in bedwang had gehouden. Maar hij drong door tot in het hart van Germanië, heropende de militaire wegen, verwoestte de velden, verbrandde de huizen, verjoeg degenen die zich tegen hem te weer wilden stellen en keerde, zonder noemenswaardige verliezen, terug naar de winterkampen, beladen met roem.

Op deze plaats moet Lucius Asprenas, die diende als onderbevelhebber van zijn oom Varus, met ere worden genoemd. Met de dappere en energieke steun van de twee door hem gecommandeerde legioenen wist hij de [aan de Rijn achtergebleven] niet-actieve legereenheden van deze catastrofe te redden. Door snel op te rukken naar de winterkampen in Neder-Germanië heeft hij het vertrouwen van de wankelmoedige volken aan deze zijde van de Rijn versterkt. (Overigens zijn er die geloven dat hij weliswaar de levenden in veiligheid bracht, maar dat hij de bezittingen van de doden confisqueerde en naar hartenlust erfenissen aanvaardde van degenen die met Varus waren omgekomen.)

Prijzenswaardig was ook de moed van kazernecommandant Lucius Caedicius en degenen die in Aliso door een enorm aantal Germanen werden belegerd. Ze overwonnen alle moeilijkheden, die door het gebrek aan middelen bijna onverdraaglijk en door de kracht van de vijanden nagenoeg onoverkomelijk waren. Met een goed doordacht plan en na kort beraad loerden ze op een kans en verschaften zich gewapenderhand een terugkeer naar hun kameraden.

Uit deze voorbeelden blijkt dat Varus, stellig een serieus man met goede bedoelingen, zijn leven en zijn magnifieke leger eerder verloor door onvoldoende militair inzicht dan door gebrek aan moed bij zijn soldaten. Toen de Germanen de gevangenen mishandelden, verrichtte Caelius Caldus, een jongeman die zijn aloude familie eer aandeed, een heldendaad: hij greep een stuk van de ketting waarmee hij gebonden was en sloeg dat zo hard op zijn hoofd, dat zijn hersens en bloed eruit spatten en hij ogenblikkelijk stierf.

***

[Velleius Paterculus, Romeinse geschiedenis 2.117-120; vertaling Jona Lendering. De (uitgestelde) Week van de Klassieken, met als thema “controverses”, is van donderdag 3 tot en met zondag 13 september.]

Marius in Karthago

De zogenaamde Marius (Glyptothek, München)

Terwijl u dit leest, zal ik vermoedelijk aan het ontbijt zitten in Tunis, wachtend op de chauffeur die ons straks zal rijden naar Annaba, het antieke Hippo Regius. Als die naam u iets zegt, is het omdat het de stad is waar Augustinus bisschop is geweest. Het is vandaag dus afscheid van Karthago, hoewel ik er volgend jaar zal terugkeren, en ik neem de gelegenheid te baat een van mijn favoriete Latijnse regels te citeren.

Over de Romeinse auteur Velleius Paterculus wordt soms wat lacherig gedaan omdat hij zich in zijn Romeinse Geschiedenis nogal bewonderend uitliet over keizer Tiberius (r.14-37). Het beeld van die keizer heeft nogal geleden onder het portret dat Tacitus een eeuw later van hem zou schilderen (en dat in feite een commentaar is op de toen regerende Hadrianus). We kunnen echter voorbij Tacitus kijken en constateren dat Tiberius, hoewel hij zijn fouten heeft gehad, het zo gek niet heeft gedaan en dat Velleius’ inschatting zo slecht niet is. Sterker nog: Velleius is helemaal zo’n beroerd historicus niet. Hij heeft tenminste gereisd, weet wat het is om in het leger te dienen, heeft een brede culturele belangstelling en heeft bestuurswerk gedaan. Zeker destijds waren dat aanbevelingen en voor wie “grotemannengeschiedenis” wil schrijven is dat nog altijd het geval.

Maar ter zake.

Lees verder “Marius in Karthago”

Eutropius (8): De feiten presenteren

Janus op een Romeins zilverstuk

Terwijl u dit op leest, ben ik voor mijn werk een dagje in Baalbek. Omdat ik vermoedelijk geen tijd zal hebben voor mijn dagelijkse stukje, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Eutropius is op zijn best bij het laatste punt van het lijstje: het presenteren van de feiten. Hij denkt echt aan zijn lezer, bijvoorbeeld door uit te leggen hoe dicht bij Rome enkele steden lagen. Een door de Thracische Bessi bewoonde nederzetting duidt hij aan met de naam die in de tijd van zijn lezers gangbaar was, Hadrianopel, aangezien het niet aannemelijk was dat Valens zou weten waar Uskudama had gelegen. Een grote verdienste van Eutropius is bovendien dat hij de ruim driehonderd plaatsnamen uit zijn tekst, anders dan de persoonsnamen, foutloos weergeeft. De verklaring moet liggen in zijn dagelijkse betrokkenheid bij de keizerlijke correspondentie.

Zijn ambtelijke ervaring zal ook de reden zijn waarom Eutropius goed begrijpt hoe het staatsapparaat functioneerde. Over juridische zaken geeft hij een geloofwaardig oordeel, zoals zijn commentaar dat van de wetten van keizer Constantijn “sommige goed en billijk, de meeste overbodig, enkele nodeloos streng” waren. Als hij uitlegt wat de bevoegdheden waren van een dictator, doe het hij het zó dat keizer Valens het zal hebben begrepen.

Lees verder “Eutropius (8): De feiten presenteren”

De slag in het Teutoburgerwoud (6)

Een van de gesneuvelde Romeinen (Kalkriese Museum)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus en het vierde en vijfde boden de problematische informatie van Cassius Dio. Vandaag de afloop.]

De Romeinen probeerden verder te marcheren, maar werden van alle kanten bestookt. Wellicht bereikten ze, na de bovenloop van de Eems te zijn overgestoken, op de derde dag de vlakte – vol door regen gezwollen waterlopen – waar nu de stad Münster is. Daar achter begon een groot moeras waardoor Lucius Domitius Ahenobarbus tien jaar eerder een knuppeldam had aangelegd die eindigde bij de Lippe. Als de legionairs die zouden bereiken waren ze op veiliger terrein, want ook de Germanen konden zich niet eenvoudig een weg banen door het moeras.

Het mocht echter niet zo zijn. De Romeinse legermacht desintegreerde voordat ze de knuppeldam bereikte. Tacitus vermeldt een droom van generaal Germanicus, waarin deze Varus bij Ahenobarbus’ knuppeldam in het moeras ziet. Cassius Dio schrijft:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (6)”

De slag in het Teutoburgerwoud (5)

Slingerstenen, gevonden bij Kalkriese: bewijs voor de aanwezigheid van lichtbewapende soldaten in Romeinse dienst

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus, het vierde bood de problematische informatie van Cassius Dio en eindigde met de constatering dat de Romeinen door een smalle corridor moesten trekken.]

Zoals gezegd was de Romeinse weg over de smalle strook droog land tussen de heuvels van het Wiehengebirge en de moerassen niet gemakkelijk, maar veel keuze hadden de Romeinen niet. De opstand die “een eind verderop” uitbrak, vond namelijk vrijwel zeker plaats bij de vier jaar eerder onderworpen Chauken aan de monding van de Eems. Vanaf de plaats waar Varus vertrok, vermoedelijk bij Minden, kon hij alleen oprukken over de genoemde smalle strook. Nogmaals de vertaling van Gé de Vries:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (5)”

De slag in het Teutoburgerwoud (3)

Varus (Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Hier is het verslag van de gevechten van Velleius Paterculus, dat volgt op zijn beschrijving van een oorlog op de noordelijke Balkan.]

Hij had deze oorlog nog maar nauwelijks voltooid, toen de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus was dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten waren afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider [Tiberius] elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Quinctilius Varus stamde uit een eerder beroemde dan adellijke familie. Hij was een zachtmoedig man, rustig in zijn optreden, enigszins traag van lichaam en geest, meer gewend aan de kalmte van het kamp dan aan actieve krijgsdienst. Dat hij niet afkerig was van geld, bleek in Syrië, waar hij gouverneur was geweest: arm betrad hij een rijke provincie, rijk verliet hij een verarmd gewest. Toen hij aan het hoofd van het leger in Germanië stond, beeldde hij zich in dat de mensen daar – die behalve een stem en ledematen niets menselijks hadden en die zelfs niet te bedwingen waren met geweld – door rechtspleging tot beschaving konden worden gebracht. Met deze intentie trok hij naar het hart van Germanië, waar hij (alsof hij te maken had met mannen die eraan waren gewend van vrede te genieten) de zomer in zijn rechterstoel doorbracht met rechtspraak en het afhandelen van formaliteiten.

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (3)”

Consullijst

Detail van de Fasti Capitolini (Rome, Capitolijnse Musea)

Als je één stad zou moeten aanwijzen als hét centrum van de oude wereld, kun je kiezen uit Babylon, Athene, Jeruzalem en Rome. Als je in die laatste stad één plek moest aanwijzen, zou dat het Forum Romanum zijn. En daar was de Triomfboog van keizer Augustus een van de opvallendste monumenten. De inscriptie waarvan ik hierboven een fragment toon, was onderdeel van die boog (of van een monument er onmiddellijk naast).

Het is de geautoriseerde lijst van de Romeinse magistraten. Iets boven het midden leest u bijvoorbeeld Bellum Punicum Primum ofwel “Eerste Punische Oorlog”, het eerste conflict tussen Rome en Karthago. Daaronder vindt u de namen van de consuls uit het eerste oorlogsjaar: Appius Claudius Caudex en Marcus Fulvius Flaccus. Daar weer onder staan Manius Valerius Maximus en Manius Otacilius Crassus. Als u goed kijkt ziet u dat voor die regel nog XC staat. Ooit stond er CCCCXC maar vier Cs zijn weggevallen. De betekenis is dat Valerius en Otacilius consuls waren in het 490e jaar sinds de stichting van Rome.

Lees verder “Consullijst”

#Romeinenweek: het Teutoburgerwoud

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

[Vandaag geen “Methode op Maandag”, want momenteel vindt de Romeinenweek plaats. Er zijn tientallen activiteiten in het hele land en ze zijn zonder uitzondering allemaal ontzettend leuk. Het thema is “100% Romeins?”: hoe Romeins was de Romeinse tijd eigenlijk? Ik citeer deze week elke dag een bron over de Romeinse aanwezigheid in de Lage Landen. Vandaag: Velleius Paterculus over de Slag in het Teutoburgerwoud, waarin de Romeinen werden verslagen.]

Tiberius had de Pannonische en Dalmatische oorlog nog maar net afgerond toen, nog geen vijf dagen nadat hij die enorme onderneming tot een goed einde had gebracht, de ongelukstijding uit Germanië kwam: Varus dood, drie legioenen, evenveel eskadrons en zes cohorten afgeslacht. Het was alsof de enige gunst die het Noodlot ons bewees, eruit bestond dat deze slag ons niet werd toegebracht terwijl onze leider elders bezig was. Zowel de oorzaak van de ramp als de persoonlijkheid van de gouverneur vragen om een toelichting.

Lees verder “#Romeinenweek: het Teutoburgerwoud”

Klassieke literatuur (5b): geschiedschrijving

Kleio, de muze van de geschiedschrijving. Mozaïek uit Zeugma, nu in Gazi Antep.

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich werkelijk in de klassieke letteren wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een cursus, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur kun je verder Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus lezen, maar voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek niet.]

Ik heb u eergisteren al voorgesteld aan Herodotos, de auteur van de Historiën, en aan Thoukydides, die het genre dat we gemakshalve “geschiedenis” noemen versmalde tot de daden van enkele grote mannen. Vandaag behandel ik enkele andere schrijvers, en dan begin ik met Xenofon, een van de onderhoudendste auteurs uit de Oudheid. Dat is ook niet zo vreemd, want behalve auteur was hij huurling, econoom, filosoof, paardenfokker, reiziger, balling, biograaf, romancier, generaal en hoveling. Met zo’n leven ben je natuurlijk niet in staat iets te schrijven dat saai is.

En inderdaad: zijn Hellenika (een geschiedenis van zijn eigen tijd), zijn biografie van koning Agesilaos en zijn geromantiseerde boek over de jeugd van Cyrus de Grote zijn buitengewoon lezenswaardig. Maar de Anabasis, het ooggetuigenverslag van een burgeroorlog in het Perzische Rijk, spant de kroon: Xenofon gaat mee op pad in het huurlingenleger van een rebel, is aanwezig bij de beslissende (verloren) veldslag, en commandeert een deel van het leger als het probeert terug te keren naar Griekenland – dwars door het besneeuwde oosten van wat nu Turkije heet. Van de 14.000 soldaten keerden er 6000 terug.

De Anabasis is verschillende keren in het Nederlands vertaald (onder andere door Gerard Koolschijn en Nicolaas Matsier en door Marc Moonen) maar die vertalingen zijn bij mijn weten niet meer leverbaar. Koolschijn vertaalde in 1990 ook de Hellenika maar ik adviseer de Landmark-vertaling, die voldoet aan de eisen die we aan een vertaling stellen in de eenentwintigste eeuw. Een Landmark-Anabasis is in de maak. John Nagelkerke vertaalde in 1999 het boek over de jeugd van Cyrus (Kyros de Grote. De vorming van een vorst): een boek dat wat meer aandacht had verdiend.

Lees verder “Klassieke literatuur (5b): geschiedschrijving”

Velleius Paterculus (8)

Kleio, de muze van de geschiedschrijving. Mozaïek uit Zeugma, nu in Gazi Antep.
Kleio, de muze van de geschiedschrijving. Mozaïek uit Zeugma, nu in Gazi Antep.

[Deze week recycle ik de inleiding die ik in 2012 schreef voor Vincent Huninks vertaling van de Geschiedenis van Rome van de Romeinse auteur Velleius Paterculus. De Nederlandse titel is Van Troje tot Tiberius en het e-boek is nog leverbaar. Het eerste deel is hier. Vandaag een samenvatting van Velleius’ kwaliteiten.]

Velleius mag dan niet de grootste historicus uit de Oudheid zijn, hij is een van de weinige auteurs uit de tijd van Tiberius en biedt een unieke visie op diens regering. Dat alleen al maakt hem tot een waardevolle auteur, die meer krediet verdient dan hij doorgaans krijgt. Hij is een levendige verteller, heeft oog voor sprekende details en is kritischer dan vaak wordt aangenomen. Zijn opvatting dat geschiedschrijving dient om lof en blaam toe te delen mag dan niet voldoen aan hedendaagse wetenschappelijke criteria, ze verdient respect, al was het maar omdat ze in niet-academische kringen nog volop leeft.

Deze inleiding begon met een typering van wat eenentwintigste-eeuwse lezers verwachten van een historicus, en er is niets mis met het aangeven van de verschillen tussen moderne en antieke geschiedschrijving. Maar Velleius dient natuurlijk tevens te worden gemeten aan de hand van de criteria die in zijn eigen tijd golden. Uit Lucianus’ Hoe geschiedenis moet worden geschreven en de opmerkingen van de antieke historici zelf komt een duidelijk beeld naar voren. De ideale geschiedkundige had een onafhankelijke geest, was objectief en eerlijk in lof en blaam, zocht naar oorzaken, kende de betrokkenen persoonlijk, had de door hem beschreven landen bezocht, had functies bekleed in het openbaar bestuur en bezat militaire ervaring.

Lees verder “Velleius Paterculus (8)”