Kwakgeschiedenis: Jesaja

Gustave Doré’s gravure van Jesaja

Afgelopen vrijdag was ’ie er, keurig volgens planning: de proef van het boek dat Vincent Hunink en ik momenteel aan het maken zijn, Het visioen van Constantijn. Als ik tijd vind blog ik morgen over een relevant museumstuk, maar ik schrijf niet zonder reden “als ik tijd vind”, want ik zit dit weekend dus gebogen over de proef. Wat ik overigens een prettig werkje vind. Je ziet je stommiteiten en je krijgt een kans ze te verbeteren: menigeen benijdt je zoiets.

Het betekent echter dat ik vandaag geen “echt” stukje voor u heb. Ik verwijs u daarom naar deze blog, waarin het bericht dat een afdruk van de zegel van de profeet Jesaja zou zijn gevonden, kundig wordt gefileerd. Simpel samengevat: er staat inderdaad JESAJA (maar dat was geen heel erg ongebruikelijke naam) en daarop volgen letters die zich laten lezen alsof er “profeet” staat, NBYI ofwel nabi. Dat was inderdaad een beroep dat je kon hebben, maar de auteur van die andere blog, voor zover ik weet Deane Galbraith, wijst erop dat uit teksten uit Lachis blijkt dat dat woord destijds anders werd gespeld.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Jesaja”

Het belang van de Nineveh-expositie in het RMO

Ivoortje met een Egyptische sfinx, afkomstig uit Assyrië (Archeologisch museum van Bagdad)

Een paar weken geleden kreeg ik een mailtje dat me nogal verbaasde. Ik kreeg het verwijt dat ik veel aandacht besteedde aan de Nineveh-tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden. Dat ging ten koste van de aandacht die ik behoorde te besteden aan Griekenland en Rome.

Ik kan daarop natuurlijk antwoorden dat als iemand wil dat er meer wordt geblogd over de klassieke Oudheid, het hem of haar vrijstaat zelf elke dag een blogstukje te schrijven. (“Ik hoop dat hij zijn pols verrekt,” zoals Gerrit Komrij in een soortgelijke situatie opmerkte.) Ik kan ook antwoorden dat je pas kwaliteitseisen kunt stellen aan mijn werk als ik een verplichting zou zijn aangegaan tegenover een subsidiegever, maar ik ben zo vrij te denken dat die subsidiegever wel tevreden zou zijn. Als iemand namelijk zou vaststellen wat in 2017 de belangrijkste te beschrijven oudheidkundige onderwerpen waren, scoorde de Nineveh-expositie hoog. En eigenlijk precies om de reden die mijn correspondent aangaf: omdat het niet gaat over Griekenland en Rome.

Lees verder “Het belang van de Nineveh-expositie in het RMO”

Romeinse astrologie

Deel van een diptiek van twee astrologische tabletten (Archeologisch museum, Grand)

Wat u hierboven ziet, is de rechterhelft van een van de twee bijna identieke astrologische diptieken die in 1967 zijn opgegraven in het Franse Grand, het antieke Andesina. Of beter: er zijn daar 188 ivoren splinters opgegraven, waarvan in het lab twee diptiekjes vielen te maken. Ze zijn bijna dertig centimeter lang, ofwel precies één Romeinse voet, en dateren uit de late tweede eeuw n.Chr.

Hoe ze precies zijn gebruikt en door wie, dat valt weer eens niet te weten, maar dat deze voorwerpen het eigendom zijn geweest van een professionele sterrenwichelaar lijkt in elk geval mij een voor de hand liggende aanname. Je kunt je voorstellen dat zo iemand zijn praktijk had in de buurt van het Apolloheiligdom: een zonnegod immers die ook nog eens de geneeskunde een warm hart toedroeg. Op deze plek, waar mensen kwamen om te baden in de geneeskrachtige wateren, was behoorlijk wat publiek en menigeen zal hebben willen weten hoe groot de kans was op genezing. Zoiets verbeeld ik me althans bij deze tabletten.

Lees verder “Romeinse astrologie”

Meditrina

Meditrina (Archeologisch Museum, Grand)

De Romeinen hadden een feest dat ze Meditrinalia noemden. Ze vierden het op 11 oktober maar wisten, zoals dat met religie nu eenmaal gaat, eigenlijk ook niet waarom ze vierden wat ze vierden. Dus verzonnen ze de bijbehorende godin. Zoals de Floralia er waren voor Flora, zo waren de Meditrinalia er voor Meditrina. Gegeven de tijd van het jaar was een associatie met de wijnoogst vanzelfsprekend.

Ergens in de negentiende eeuw is geopperd deze godin te identificeren met afbeeldingen als de bovenstaande, die her en der in het Romeinse Rijk zijn gevonden. Deze fotografeerde ik in Grand, waar nog drie Meditrina’s zijn gevonden. Steeds opnieuw een grote vrouwenfiguur te midden van wat attributen van een bepaald ambacht, altijd in een nis tussen twee pilaartjes. Duidelijk is dat het gaat om een overvloedgodin die haar gunsten uitdeelt.

Lees verder “Meditrina”

Reims

Altaar voor Cernunos (Musée Saint-Rémi, Reims)
Altaar voor de Gallische god Cernunos, temidden van Apollo en Mercurius (Musée Saint-Remi, Reims)

Eigenlijk had ik u vandaag het eerste van drie stukjes willen aanbieden over museumvoorwerpen uit Grand, maar ik reisde dinsdag weer eens met de trein en ook al zit ik dan in de stiltecoupé en draag ik een koptelefoon, ik kan me domweg niet concentreren als er mensen zitten te praten. Dus schrijf ik maar een stukje dat wat minder concentratie vergt, namelijk over het reisje waarover ik ook gisteren schreef: hoe mijn zakenpartner en ik Bastenaken, de Titelberg, Trier, Hermeskeil, Straatsburg en Grand bezochten en tot slot Reims, het antieke Durocortorum.

Reims is voor mij een speciale plek. Toen ik in 1992 naar Griekenland fietste, was mijn aankomst hier een soort mijlpaal: de eerste grote bestemming die ik bereikte. Ik heb sindsdien elke maand wel een keer dezelfde droom over hoe ik er kom aanfietsen, met een moeiteloosheid die me in mijn droom doet herinneren dat ik over deze situatie weleens heb gedroomd maar dat het in de werkelijkheid dus ook al zo gemakkelijk gaat. Soms houd ik dat gevoel nog even vast maar het eindigt er altijd mee dat ik wakker word in een wereld waarin alles moeite kost. Van mijn fietstocht herinner ik me verder dat ik een bezoek heb gebracht aan de kathedraal en het Musée Saint-Remi, maar ik kan me geen concrete voorwerpen voor de geest halen.

Lees verder “Reims”

Grand

Langs de weg naar Grand, waar Constantijn zijn visioen zou hebben gehad.

De trouwe lezers van deze blog herinneren zich dat ik al een paar keer heb geschreven over een reisje dat mijn zakenpartner en ik in september hebben gemaakt langs Bastenaken, de Titelberg, Trier, Hermeskeil en Straatsburg. Ons werkelijke doel was echter Grand in Lotharingen.

Waarom? Een tijdje geleden speelde ik met de gedachte een boek te schrijven over de Franken en dat onderwerp bracht me bij de Panegyrici Latini, een verzameling antieke lofredevoeringen op de Romeinse keizer. Eén daarvan, gehouden in de zomer van 310 n.Chr., bleek aardig genoeg om een apart boekje aan te wijden. Stof te over. Niet alleen kwam in die toespraak de Frankenoorlog van een bekende keizer, Constantijn, aan de orde, maar de redenaar behandelde ook enkele bouwprojecten aan de Rijn én Constantijns visioen. Zich richtend tot de keizer haalde de spreker herinneringen op:

U was afgebogen naar de mooiste tempel op aarde, of nee: naar de reëel aanwezige Godheid, zoals U hebt gezien. Want ja, U hebt gezien, geloof ik, hooggeachte Constantijn, hoe uw Apollo onder begeleiding van Victoria U lauwerkransen presenteerde. (vert. Vincent Hunink)

Lees verder “Grand”

MoM | Zosimos

Portret van een man, eerste helft zesde eeuw (Glyptotheek, Munchen)

Een van de aardigste auteurs uit de Oudheid is Zosimos, een Byzantijnse historicus met een voor zijn tijd ongebruikelijke visie op het verleden. Op twee manieren. Om te beginnen was de Romeinse elite in de loop van de vierde en vijfde eeuw christelijk geworden maar bleef Zosimos hardnekkig trouw aan de oude goden. Hij heeft daardoor een uniek perspectief op de gebeurtenissen tussen pakweg 300 en 410. Daarmee verwant is zijn tweede bijzonderheid: hij had in de gaten dat het Romeinse Rijk in de late vijfde eeuw zwaar, zeer zwaar in de problemen was geraakt. Terwijl veel van zijn tijdgenoten meenden dat de teloorgang van de westelijke gebiedsdelen eigenlijk niet zoveel voorstelde omdat een christen vooral een burger was van het Koninkrijk Gods, zag Zosimos scherp dat er wél iets was veranderd. Hij was de eerste historicus van “the decline and fall of the Roman Empire”. Dat maakt hem interessant.

Maar wanneer leefde hij eigenlijk? Je leest weleens: tussen 498 en 518 publiceerde hij zijn Nieuwe geschiedenis. Maar ja, het is natuurlijk wel oudheidkunde, dus we hebben vanzelfsprekend te weinig informatie en in feite wordt weer eens hypothese op hypothese gestapeld. Het bewijs oogt in elk geval zwak.

Lees verder “MoM | Zosimos”