MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (2)

Wetenschappers die hun inzichten willen delen, zo vat ik even het stukje van Ionica Smeets samen waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, kunnen het beste kijken naar de bij het publiek bekende grotere thema’s. Dat zijn, zoals Smeets afrondt, “de verzoeknummers die we als wetenschappers best eens wat vaker mogen doen.”

Volgens mij zit er een koe van een probleem in de woorden “we als wetenschappers”. Misschien is het in Smeets’ vakgebied, de wiskunde, anders dan in het mijne, maar geesteswetenschappers worden getraind in allerlei kleine specialismen en precies de eigenschappen die hun het respect opleveren van hun collega-wetenschappers maken het hun onmogelijk zichzelf goed uit te leggen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen – ik denk aan een Frits van Oostrom – maar dat zijn bijna altijd mensen die hun wetenschappelijke vorming hebben gehad vóór de kaalslag in de jaren tachtig, toen de opleidingen werden gereduceerd tot vier jaar, ofwel drie jaar minder dan nodig is. De academische reactie was terugtrekking op nóg kleinere specialismen en dus nóg minder kans het grote publiek te bereiken. De humaniora, die ooit de samenleving algemene vorming hadden te bieden, verschraalden tot geesteswetenschappen en specialiseerden zich de irrelevantie in.

Lees verder “MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (2)”

MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (1)

Het Meisje van Yde (©Drents Museum, Assen)

“Wetenschappers”, schrijft hoogleraar wetenschapscommunicatie Ionica Smeets dit weekend in haar wekelijkse column in De Volkskrant, “mogen best wat vaker voldoen aan de vraag om verzoeknummers”. Ze eindigt haar stukje met een kristalhelder, door de Vlaamse filosoof Jean Paul Van Bendegem bedacht voorbeeld: de fictieve discipline “Buitenlandse reizen”. Haar eerste beoefenaren

ontdekken dat reisgidsen een belangrijke factor zijn bij buitenlandse reizen. In de loop der jaren verdiept het onderzoek zich en ontstaan er groepen onderzoekers die zich helemaal specialiseren in de vormgeving van reisgidsen. Eén getalenteerde wetenschapper verdiept zich jarenlang in drukinkten.

Vervolgens krijgt hij het verzoek om een lezing te geven bij een culturele vereniging die een avond organiseert met als thema: “Wat heeft de wetenschap ons te zeggen over buitenlandse reizen?” De beste man vertelt een enthousiast verhaal over druktechnieken, de geschiedenis van inkt en allerlei fascinerende aspecten van drukinkt. Hoe boeiend dat verhaal ook is, na afloop zal het publiek zich volkomen terecht afvragen wat dit alles in hemelsnaam te maken heeft met buitenlandse reizen. En wat de wetenschap nu eigenlijk te zeggen heeft daarover.

Lees verder “MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (1)”

De Mainzer Beobachter (de echte)

Je heb bloggers en bloggers. Sommigen beperken zich tot één hoofdthema, anderen schrijven over alles wat maar bij ze opkomt. Je moet eens weten hoeveel van die laatsten ergens in hun CV schrijven dat ze over alles een mening klaar hebben liggen. Zou Multatuli in onze tijd leven, hij zou hebben behoord tot die tweede categorie: iemand die over elk onderwerp wel een opiniërend stukje kon schrijven. Pak van Sjaalman.

Dat werd begin 1866 wat lastig, omdat hij gedwongen was Nederland te verlaten. Of beter: hij was wegens openlijke geweldpleging (“het moedwillig toebrengen van slagen … waardoor geene ziekte of beletsel van te werken van langer dan 20 dagen is ontstaan”) veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en voelde zich te goed om die uit te zitten. Omdat hij, gevlucht naar het Rijnland, geld nodig had, ging hij stukjes schrijven voor de Opregte Haarlemsche Courant: vrij uitgebreide, redelijk betaalde samenvattingen van wat de Duitse kranten zoal te melden hadden. Broodschrijverij dus.

Lees verder “De Mainzer Beobachter (de echte)”

De paasdatum in het jaar 30 (2)

Bij gebrek aan paas-ikoon geef ik u een ikoon die goede vrijdag voorstelt. Heilig Kruis-klooster, Omodos.
Bij gebrek aan paas-ikoon geef ik u een ikoon die goede vrijdag voorstelt. Heilig Kruis-klooster, Omodos.

Zoals ik al beschreef, kampen we met elkaar tegensprekende bronnen. Zoals altijd in de oudheidkunde. Dat is de gewoonste zaak ter wereld. We kennen ook twee elkaar uitsluitende verhalen over de Atheense tyrannendoders, we weten de namen van diverse verraders die de Perzen de weg om Thermopylai zouden hebben gewezen, we bezitten vier of vijf beschrijvingen van het visioen van Constantijn (al tijdens zijn leven), we beschikken over elkaar tegensprekende beschrijvingen van de slag bij Kadesj, we kennen uit de Griekse literatuur twee sterfdata voor Alexander de Grote (die allebei onjuist bleken) en zo voort en zo verder. Zoals bijna altijd is een beredeneerde hypothese in de oudheidkunde het hoogst haalbare.

In dit geval zijn er vooral praktische bezwaren tegen het verhaal van Marcus. Het is bijvoorbeeld niet bijster aannemelijk, denken we te weten, dat de Joodse leiders iemand konden arresteren, getuigen tegen hem konden oproepen, een verhoor konden organiseren en de gearresteerde konden uitleveren in de nacht waarop iedereen Pesach vierde. En denk eens aan die wonderlijke episode dat Pilatus de gewoonte heeft een gevangene vrij te laten en dat het volk kiest voor Barabbas. Als zo’n gebruik heeft bestaan – er is discussie over – had het uitsluitend zin zo’n kerel vrij te laten om hem in staat te stellen het paasmaal te gebruiken. Dat pleit toch echt meer voor Johannes dan voor Marcus.

Er zijn meer argumenten, zoals de plaatsing van Marcus’ tijdsbepalingen, die een late aanpassing van de tekst lijken te zijn – maar ik laat de vormkritiek even wat ze is. Waar het om gaat is dat de meeste wetenschappers kiezen voor het verslag van Johannes. Daaruit volgt dat Jezus stierf in een jaar waarin 14 nisan viel op een vrijdag. Dat was in de jaren 30 en 33 het geval en de eerste datum past beter bij wat bekend is over de duur van Jezus’ optreden: dat zal zo rond 28 n.Chr. zijn begonnen en eerder twee of drie dan vijf of zes jaar hebben geduurd. De Joodse autoriteiten verhoorden de messias dus op donderdag 6 april in de avond en de Romeinse autoriteiten executeerden de koning der Joden op vrijdag 7 april 30. Beide procedures waren juridische schertsvertoningen.

****.

En nu ik toch aan het corrigeren ben: ik schreef dat Baruqa de weergave was van een West-Semitische naam, misschien zelfs de Hebreeuwse naam Baruch. Dat laatste, zo hoor ik, is toch niet mogelijk. Dan zou het met een /k/ en niet met een /q/ gespeld moeten zijn geweest. Ik meende dat gutturalen in de Semitische talen vrij eenvoudig uitwisselbaar waren en heb hier nooit vragen over gehad, maar ik zat blijkbaar verkeerd. Hierop komt echter nog een vervolg.

Rest me u vandaag een mooi, zonnig Paasweekend te wensen.

De paasdatum in het jaar 30 (1)

Romeinse soldaten bespotten Jezus (Catacomben van Praetextatus, Rome; tweede eeuw)
Romeinse soldaten bespotten Jezus (Catacomben van Praetextatus, Rome; tweede eeuw)

Al tijden ligt er op mijn bureau een aantekening dat ik een fout moet herstellen die ik een tijdje geleden heb gemaakt. Ik ben er een paar keer op gewezen, moest er even rustig voor zitten om te doorgronden hoe het ook alweer zat en vervolgens vond ik die rust niet werkelijk. (Zo liggen er ook nog vier interviews te wachten en ruim honderd mailtjes.) Nu ik ziek ben, heb ik het betreffende blogstukje aangepast en dat was weleens tijd ook, want het ging om een fout die ik vorig jaar met Pasen heb gemaakt en die ik dus een jaar heb laten liggen.

Ik had destijds een reeks stukjes over het Lijdensverhaal en stelde in dit deel de vraag op welke datum Jezus stief. Was dat:

  • zoals de eerste drie evangeliën beweren, op Pesach (dus op vrijdag 15 nisan)?
  • zoals Johannesevangelie stelt, op de voorbereidingsdag voor Pesach (dus op vrijdag 14 nisan)?

Er zijn nog wat slagen om de arm, maar die zal ik u besparen. In het gewraakte stukje had ik het verkeerd uitgelegd. Nu dan even goed.

Lees verder “De paasdatum in het jaar 30 (1)”

Koepelbouw in Tripoli

Tripoli, Hammam Ezzedine
Tripoli, Ezzedine-hammam

Ik heb weleens een stukje geschreven over de manier waarop men in de Oudheid en Middeleeuwen koepels bouwde. U vindt het hier. Het architectonisch probleem is hoe je een ronde koepel plaatst op een vierkante onderbouw: hoe plaats je een iglo op een kubus? Het gewicht van de koepel rust dan namelijk op precies vier plaatsen, namelijk op de punten waar de onderrand van de koepel rust op de verticale muren. De koepel kan nooit te groot zijn, omdat de kubus dan bezwijkt onder het gewicht van de onvoldoende gesteunde koepel.

De bouwers van het Pantheon in Rome losten het op door een rond gebouw onder de koepel te zetten, maar de gebruikelijke oplossing was een andere. Op de vierkante ruimte werd een achthoek geplaatst, daarop vaak een zestienhoek en daarop soms nog een tweeëndertighoek. De bovenstaande foto, die ik nam in het Ottomaanse Ezzedine-badhuis in de Libanese havenstad Tripoli, toont het mooi: een vierkante rand met daarboven de achthoek. De donkerroze vlakken zijn de trompen, waar de vierhoek overgaat in de achthoek. Zo komen de neerwaartse krachten van de koepel niet alleen op vier punten halverwege de bovenrand van de vier muren, maar ook op de vier hoeken.

Lees verder “Koepelbouw in Tripoli”

Baruqa

De schlemielige resten van de Toren van Babel
De schlemielige resten van de Toren van Babel

Soms herken je in de Oudheid iets uit het heden. Zo hebben in Frankrijk joodse en islamitische leiders hun gelovigen opgeroepen mee te betalen aan de herbouw van de Notre Dame. Niet dat die oproep werkelijk nodig was, want elke Fransman, elke Europeaan heeft deze dagen het gevoel verweesd te zijn, maar dit deed me denken aan een bankafschrift uit Babylonië.

Midden in Babylon verrees de enorme tempeltoren Etemenanki, het “huis van het fundament van de hemel op aarde” dat behoorde bij de hoofdtempel Esagila. Toen koning Nebukadnezzar het monument in de zesde eeuw v.Chr. had vernieuwd, had hij gebluft dat de toren tot in de hemel zou reiken en dat er zóveel bouwvakkers werkten dat alle talen van de wereld bij de bouwput werden gesproken. De joodse auteur van het verhaal van de Toren van Babel schreef een buitengewoon effectieve parodie op ’s konings propaganda.

Lees verder “Baruqa”