De principes van Hercule Poirot

Hallowe’en Party is niet het beste dat Agatha Christie heeft geschreven, maar ach, het leest vlot weg en de zijdelingse observaties zijn bij Christie altijd het amusantst. Ook dit keer. Het boek is geschreven in de late jaren zestig en hoewel het er allemaal niet met zoveel woorden staat, merk je dat Hercule Poirot en zijn tijdgenoten de nieuwe tijd maar niks vinden. De naoorlogse babyboom bereikte de volwassenheid, met rellen, drugsgebruik, langharig werkschuw tuig, de wrange nasleep van de Summer of Love. Christie benut haar personages om eens onderhoudend te mopperen.

Maar wat ik vooral leuk vind in haar boeken: de redenaties van de detective. Ik bedoel niet de ontknoping, die dit keer ronduit vergezocht is, maar de principes waarop de redenaties zijn gebaseerd. Zeg maar: de vuistregels van het gezonde verstand. Hier zijn er drie, waarvan u de eerste twee terugvindt in het achttiende hoofdstuk.

Eén

Een meisje heeft gezegd dat ze ooit een moord heeft gezien. De vraag lijkt te zijn of dit werkelijk het geval is, en iedereen die met Poirot spreekt, zegt dat het meisje in kwestie een talent had voor het vertellen van stoere verhalen. Waar of niet waar? Hercule Poirot:

Nobody believes it is true. The probability is, therefore, that it was not true.

Waar Christie de lezer op het verkeerde been zet met een te simpele vraag, namelijk of iets waar of onwaar is, gaat haar personage een niveau dieper: kunnen we een uitspraak doen over de waarschijnlijkheid?

Toepassing: de digitale paleografie. De vraag is niet of deze of gene klerk een tekst heeft geschreven, maar met welke waarschijnlijkheid we kunnen zeggen dat hij dat heeft gedaan. Als we dat kunnen uitdrukken in een percentage, is onze kennis robuuster geworden.

De praktijk. Het gebeurt nogal eens dat een oudheidkundige een beroep moet doen op een communis opinio, waarmee hij feitelijk een redenering grondvest op een als feit gepresenteerde aanname. Zulke schijnzekerheid is onvermijdelijk, laat dat vooropstaan, want de oudheidkundige kampt altijd met tekortschietende data. Maar zoals je je veel loos gezever bespaart door bij het gebruik van het woord “interdisciplinair” te vragen op welke waarheidstheorie de spreker zich baseert, zo moet je bij “communis opinio” even vragen of de waarschijnlijkheid 80% of 90% of 100% bedraagt. Hoe robuust is die communis opinio?

Twee

In de loop van het verhaal heeft een collega van Poirot enkele sterfgevallen geïdentificeerd waarbij vraagtekens waren. Er waren al wat geruchten dat sommige sterfgevallen iets met elkaar van doen hadden. Hercule Poirot:

I have the idea that a lot of separated incidents might tie up more closely than anyone has thought … Probably not all of them, but several of them.

In jargon heet dit excess empirical content. Je kunt diverse theorieën hebben, en nooit zal een daarvan ooit alle verschijnselen verklaren (dat wil zeggen: met elkaar in verband brengen). Alles verklaren kan sowieso niet, en zolang dat zo is, is die theorie de beste, die de meeste verschijnselen met elkaar verbindt. Nauwkeuriger geformuleerd: die theorie is de beste, die het meeste verband aanbrengt tussen de meeste verschijnselen van de meest uiteenlopende aard.

Toepassing. We stellen voortdurend andere vragen aan het verleden. De antwoorden zullen echter moeten komen vanuit de data. Als we het geschiedbeeld willen veranderen, moet er van excess empirical content sprake zijn.

De praktijk. Als een archeoloog claimt dat na zijn vondst de geschiedenisboeken moeten worden herschreven, moet hij kunnen aangeven hoe sprake is van excess empirical content. Al het overige is hype.

Drie

Een vrouw is vermist en er zijn allerlei verklaringen. Hercule Poirot:

When a girl disappears, there are not many reasons. The first is that she has gone away with a man. The second is that she is dead. Anything else is far-fetched and practically never happens.

Oké, dat zei Poirot in 1969, en vermoedelijk zou hij nu zeggen dat als een vrouw verdwijnt, het wel zal zijn om een stalkende man te ontlopen. Maar over het algemeen is een verklaring die in veel andere gevallen de juiste is gebleken, de beste werkhypothese.

Toepassing. Als je wil reconstrueren hoe de piramiden zijn gebouwd, hoef je niet verder te kijken dan bouwtechnieken die vaak zijn gedocumenteerd en dus waarschijnlijker zijn dan technieken die zelden of nooit zijn gedocumenteerd. Laat die aliens er dus maar buiten.

De praktijk. Als weer iemand een pseudowetenschappelijke theorie verkondigt, doe zo iemand een Agatha Christie cadeau.

Deel dit:

7 gedachtes over “De principes van Hercule Poirot

  1. Jort Maas

    Mbt 1:

    In dit geval gaan de percentages over de subjectieve ‘overtuiging’ van de onderzoeker. Maar met de werkelijkheid heeft zij niets te maken. Want een fenomeen kan nooit 60% waar zijn. Zij is of waar, of niet waar. Het is opmerkelijk hoeveel wetenschappers dit overigens niet inzien en daardoor gaat dit dus ook vaak fout.

    Mbt 2:

    Uit data alleen komen nooit antwoorden/verklaringen. Ze kunnen enkel gebruikt worden om theorieen te ontkrachten (wat overigens ook niet wil zeggen dat de overgebleven theorie dan 100% waar is, maar je bent wel verder gekomen). Dat is ook waarom men data wil, als instrument, niet als doel.

    Mbt 3:

    Denken als Poirot leidt in dit geval tot tunnelvisie. A priori beperkingen zou men niet moeten opleggen, maar men zou wel slechte verklaringen (aliens) moeten afserveren. Niet omdat het onmogelijk is (ok excessief onwaarschijnlijk) maar omdat andere verklaringen beter zijn.

    1. FrankB

      “Zij is of waar, of niet waar. Het is opmerkelijk hoeveel wetenschappers dit overigens niet inzien”
      Het is minstens zo opmerkelijk dat u niet inziet dat wetenschap geen toegang biedt tot waarheid, zoals u die ziet. Want wetenschap houdt altijd de mogelijkheid open dat een theorie fout blijkt te zijn. En daarom is uw

      “Want een fenomeen kan nooit 60% waar zijn.”
      een stropop. Beter is al “we weten met 60% waarschijnlijkheid dat X waar is. Omdat er over waarheidstheorieën ook al een hoop gezeur is – zoals u fraai illustreert – geef ik de voorkeur aan “we weten met 60% waarschijnlijkheid dat X correct is.” En dat begrijpen wetenschappers heel wat beter dan u.

      1. Jort Maas

        Wetenschap biedt toegang tot objectieve kennis over de werkelijkheid. En die kan inderdaad fout zijn, objectief in de zin van Popper dus. Epistemologisch heb je dan de interessante situatie dat iemand in het bezit kan zijn van pure waarheid maar geen manier heeft om dat te weten. Overigens gaat de wetenschap er meestal vanuit dat een theorie onjuist is, want ze denkt dat betere theorieën mogelijk zijn. De hele exercitie zou anders volkomen zinloos zijn.

        Ik ben het dus gedeeltelijk met u eens, maar naar mijn idee trekt u de verkeerde conclusie. Dat ‘omdat’ men geen directe kennis heeft van de werkelijkheid het de wetenschapper is die objectief is, en dat diens subjectieve oordeel over een hypothese (of een wazige waarschijnlijkheidswaarde van die hypothese) dan autoriteit heeft. Het is niet de wetenschapper die objectief is, maar de theorieën van de wetenschapper. Dat weet de wetenschapper dus laat die de theorieën testen. Niet diens idee over de waarschijnlijkheid ervan. Daarom plakt bijna niemand ‘zekerheidspercenages’ achter zijn/haar hypothese in wetenschappelijke artikelen, en als men dat wel doet kunnen ze gevoeglijk genegeerd worden. Het gaat namelijk vooral over hun hypothese/theorie en of die de kritiek kan weerstaan.

        Als we uw redenatie volgen: “dat wetenschap geen toegang biedt tot waarheid” is het vervolgens zinloos om er een percentage op te plakken: “we weten met 60% waarschijnlijkheid dat X correct is.” Tenzij u geïnteresseerd bent in subjectieve overtuigingen van feilbare mensen uiteraard.

        En als laatste, u maakt nogal wat aannames over mij terwijl u helemaal niet weet wie ik ben of wat mijn professie is. Nu vind ik dat irrelevant omdat het om de argumenten moet gaan, maar dan weet u dat u dat doet. Overigens was dit niet bedoeld als een verkapte aanval op Jona, hij weet dat ik er lol uit haal om wat kritische voetnoten bij zijn bijna altijd boeiende maandagstukjes te zetten.

    2. FrankB

      Overigens is het in de natuurkunde nog wat erger gesteld. Men ziet er geen been in theorieën toe te passen waarvan men zeker weet dat ze onwaar is. BCS theorie voor supergeleiding wordt bij gebrek aan beter nog steeds toegepast, hoewel ze voorspelt dat het fenomeen boven 36K onmogelijk is. Dat is al een jaar voor veertig geleden weerlegd.
      En natuurlijk gaat elke natuurkundige voor het gemak uit van een Platte Aarde wanneer hij/zij de reistijd van huis naar werk berekent (op voorwaarde van een kleine afstand). Alleen filosofische malloten staan er op de waarheid van de Aardse curve en de gekromde ruimtetijd er in te verwerken.

  2. Mbt 1

    Het is in mijn beroep o.a. de bedoeling om een planning te maken. De verwachting is meestal een precieze datum, waarbij men wel aanvaardt dat die kan schuiven maar liefst niet te veel, waardoor men aanvaardt dat de planner zelf een marge inbouwt. Om dergelijke planning te maken, wordt het werk opgeknipt in behapbare stukken, die kunnen worden ingeschat door de mensen die het zullen uitvoeren. Ook daar gebruikt met precieze getallen, die opnieuw de inherente onzekerheid absorberen. De valkuil is dat in kenniswerk een precieze schatting kunnen maken een groot deel van het werk zelf vergt.

    Ik heb ooit geprobeerd om lessen te trekken en ingang te doen vinden, uit het boek van Doug Hubbart “How to measure anything”. De kerngedachte is dat je een 90% confidence interval opstelt. In mijn job: iets zal bijna zeker klaar zijn nà tijdstip 1 en bijna zeker voor tijdstip 2. Je vertrekt van 100% en schuift beide grenzen op tot je de eerste lichte twijfel begint te voelen.

    Bijkomende technieken zijn zoals gezegd, de boel opknippen, maar ook de vraag verder specifiëren, referenties zoeken, de wisdom of the crowds, … Het is soms wonderlijk om te zien hoe scherp men zo’n interval kan krijgen. En de crux is natuurlijk dat je gaandeweg het venster verder verkleint met de opgedane kennis. Opgelet: het is nog altijd de bedoeling 90% zeker te zijn. Op 10 dergelijke oefeningen mag je – moet je zelfs bijna – een keertje mis zijn.

    Oefeningetjes voor de lezer (die ik eveneens hanteer in mijn pogingen tot overtuiging in diverse werksferen: 1) hoeveel mensen wonen in Afrika 2) hoeveel weegt een olifant (opzettelijk vage vraag) 3) Hoe ver is het in vogelvlucht naar Tokio 4) wat is de marktkapitalizatie van Nvidia (of een bedrijf naar keuze). Veel plezier!

  3. Yde Linsen

    Naar aanleiding van ‘Drie’

    Een vrouw is vermist en er zijn allerlei verklaringen.

    Na een ruzie met haar ontrouwe echtgenoot verdween Agatha Christie op 3 december 1926 om 11 dagen later herkend te worden in een hotel waar zij zich had ingeschreven als Nancy Neele, de naam van de minnares van Archibald Christie.

    https://www.groene.nl/artikel/de-verdwijntruc-die-nooit-ophield

    https://nkdoorgaan.nl/het-mysterie-van-agatha-christies-verdwijning-een-onopgeloste-gebeurtenis/

Reacties zijn gesloten.