Er was eens een man die een ezel had. Het dier had jarenlang onverstoorbaar de zakken naar de molen gedragen, maar zijn krachten namen af, zodat hij steeds minder geschikt was voor het werk. De eigenaar dacht erover hem naar het slachthuis te brengen, maar de ezel merkte dat er onheil in de lucht hing, en rende weg richting Bremen. Daar, zo dacht hij, zou hij wel stadsmuzikant kunnen worden.
Hij was al een eind onderweg toen hij langs de weg een jachthond zag liggen, die hijgde alsof hij zich dood had gelopen. “Waarom hijg je zo?” vroeg de ezel.
Ik heb al wel vaker geblogd over de Zeven Wereldwonderen. Laten we er maar eerlijk over zijn: van die mooie en indrukwekkende monumenten is weinig over. Het standbeeld van Zeus in Olympia kennen we slechts van afbeeldingen, de Hangende Tuinen van Babylon zijn verzonnen, er is niets meer over van de kolossos van Rhodos en van het mausoleum van Halikarnassos resteert alleen een kuil. De tempel van Artemis in Efese is gereduceerd tot zegge en schrijve één zuil.
De godin zelf, met haar curieuze cultusbeeld, is goed bekend en ik schreef al eens over haar. Ze was een moedergodin van het type waarvan er in Anatolië dertien in een dozijn gingen. Ze beschermde met name zwangere vrouwen, maar de vruchtbaarheid van de gehele natuur ressorteerde onder de Efesische Artemis. Dit soort culten waren oeroud en het heiligdom moet teruggaan op een offerplaats uit de Bronstijd. Griekse en Romeinse auteurs meenden dat het was gesticht door Amazones. Dat is natuurlijk flauwekul, maar het betekende dat ook deze auteurs wisten dat de cultusplaats oeroud was.
Skelet van een kat (Universiteitsmuseum Groningen)
[Laatste van vier blogjes van Han Borg over de academische collecties van de Rijksuniversiteit Groningen. Het eerste was hier.]
Met de brand (op 30 augustus 1906) van het tweede Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen (dat sinds 1850 op de plaats van twee vroegere conventen verrees) ging onder meer de complete verzameling zoölogie verloren: een neushoorn, een giraf en vele andere dieren gingen in het verwoestende vuur ten onder, mede omdat veel artefacten werden bewaard op sterk water, dat door de hitte ontplofte en het vuur zich razendsnel liet verspreiden. Dankzij de inspanningen van de president-curator van de RUG, burgers en studenten konden gelukkig de oude archiefstukken, de portretten van vroegere hoogleraren en studentenvaandels uit 1666 en 1830 gered worden, maar veel ging helaas ook verloren.
In het in 1909 geopende derde Academiegebouw werd vervolgens in 1949 een grote zolderruimte ingeruimd voor wél bewaarde zaken die vanaf 1934 te zien waren geweest in een historisch pand aan het Lopende Diep (het “Corps de Garde”), en die collectie bleef daar tot het nieuwe Universiteitsmuseum Groningen in 1987 geopend werd in het gebouw van de vroegere Universiteitsbibliotheek.
Tijdens de uitoefening van diverse functies voor de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) mocht ik ook het genoegen smaken om universiteitsmusea van diverse klassieke Europese universiteiten te bezoeken. Er bestond bijvoorbeeld een verband van vier universiteiten, dat tot doel had intensieve samenwerking op brede wetenschapsterreinen te bevorderen. Van dit G4-verband waren destijds Uppsala, Gent, Göttingen en Groningen lid. Later werd dit G4-verband uitgebreid met o.a. de universiteit van Tartu (Estland) en Bratislava. Het netwerk heet nu “Enlight”.
Gent, Tartu, Uppsala en Göttingen hebben, net als Groningen, prachtige historische collecties die met trots aan het brede geïnteresseerde publiek worden getoond. Ik herinner me een bezoek aan het Gents Universiteitsmuseum, waarbij de Academisch Beheerder van de universiteit zijn enthousiasme over datgene wat Gent in het museum kon laten zien bepaald niet onder stoelen of banken stak.
De werkkamer van Aletta Jacobs (Universiteitsmuseum, Groningen)
[Tweede van vier blogjes van Han Borg over de academische collecties van de Rijksuniversiteit Groningen. Het eerste was hier.]
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) vond haar oorsprong in de wens van de stedelijke en provinciale overheid om in het noorden van het land academisch onderwijs te kunnen bieden aan geestelijken, rechtsgeleerden en artsen. Volgens de feestredenaar tijdens de viering van het 400-jarig bestaan (prof. Jan Lokin) was “Groningen” de eerste universiteit die niet door een landheer of bisschop werd opgericht, maar door vertegenwoordigers van het volk.
Men betrok in 1614 enkele oude conventen in de binnenstad van Groningen, die na de Reformatie vrijgekomen waren. Het huidige (derde) Academiegebouw staat nog steeds op de locatie van twee van die conventen. Ook elders werden er gebouwen en plaatsen voor onderwijs gevonden en -met name in de 19e eeuw- bijgebouwd. De eerste hortus botanicus kwam te liggen in de eerste grote stadsuitbreiding ten noorden van de binnenstad (nog steeds Hortusbuurt geheten), een nosocomium in een oud convent vormde het eerste “Academisch Ziekenhuis”, maar werd eind negentiende eeuw verplaatst naar een buiten de wallen gelegen plek waar het zich nu nog, zij het geheel gemoderniseerd, bevindt. Neogotische gebouwen kregen hun plek verspreid over de binnenstad, met daarin laboratoria voor diverse natuurwetenschappelijke richtingen. Een Universiteitsbibliotheek met een deftige uitstraling lag op een steenworp afstand van het centrale Academiegebouw.
Gebrandschilderd raam in het Universiteitsmuseum Groningen
Vormt oktober 2026 het sluitstuk van een rampentoneelstuk in verschillende bedrijven: de maand waarin het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) bekend maakte uit bezuinigingsoverwegingen het voornemen te hebben het universiteitsmuseum te sluiten voor publiek?
Ondergetekende heeft jarenlang rondleidingen verzorgd voor binnen- en buitenlandse gasten van de RUG door het Academiegebouw van “mijn” instelling. Ik heb er gestudeerd en later gewerkt in diverse functies en op diverse plekken, maar één daarvan vormde altijd het toefje op de taart: het eclectische gebouw dat sinds 1909 het Broerplein (Academieplein & Broerstraat zijn andere namen voor hetzelfde plein) siert. En ook het dichtbijgelegen Universiteitsmuseum werd regelmatig bij zo’n excursie meegenomen.
Het is grappig hoe je over een en hetzelfde onderwerp diametraal tegengestelde blogjes kunt schrijven. Neem het vernieuwde station Amsterdam-Zuid, waar ik elke week minimaal vier keer tweemaal in- en uitstap. De vernieuwing heeft jaren geduurd en is nog niet voorbij, maar gisteren is een belangrijke fase afgerond.
Voor de drieëntwintig miljoen Nederlandssprekenden die niet in Amsterdam wonen: het zuiden van die stad wordt van oost naar west doorsneden door een autosnelweg en een spoorlijn met station. Ten noorden daarvan ligt een wijk waar ze stadswandelingen aanbieden langs de huizen van de penoze. (Dat hier ook de rechtbank staat, is toeval.) Langs de snelweg staan allerlei kantoren, berucht om drugsgebruik en sluwe fiscalisten. En helemaal in het zuiden ligt Buitenveldert, waar te veel expats wonen die te lui zijn om iets anders dan Engels te spreken.
De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarmee ik de aandacht voor archeologische vondsten en ongefundeerde parallellen tussen toen en nu wil verplaatsen naar het proces waarmee wetenschappelijke inzichten ontstaan, worden getoetst en worden gedeeld. Aan het einde van deze keten staan de communicatieafdelingen van de diverse instellingen en de onafhankelijke wetenschapsjournalistiek. Vandaag geef ik het woord aan Theo Toebosch, die als journalist veel schrijft over archeologie en erfgoed.
***
Wat doet u?
Als freelance journalist schrijf ik over archeologie, de Oudheid, erfgoed en geschiedenis. Onderwerpen waar ik wat van af weet, omdat ik ervoor heb doorgeleerd. Ik mag me doctorandus in de Griekse en Latijnse Taal en Cultuur noemen, met als hoofdvak Klassieke Archeologie, en Latijn en Oud-Grieks als bijvakken. Maar ik voel me geen echte archeoloog, omdat mijn hoofdvak zeer kunsthistorisch van aard was; ik had kunnen afstuderen zonder ooit een keer gegraven te hebben. Hoewel Oidipous Tyrannos van Sofokles nog steeds een van mijn favoriete literaire werken is en ik een groot liefhebber ben van Cicero’s redevoeringen, noem ik mezelf ook geen echte classicus. Dan had ik toch een van beide talen als tweede hoofdvak moeten doen en had ik nog steeds de 88 lettertekens van het Lineair B moeten kunnen herkennen. Hoewel ik geen journalistieke opleiding heb gedaan beschouw ik mezelf wel als een echte journalist: ik ga op onderzoek uit en als het moet ben ik niet bang om in mijn niche tegels te lichten. Lezers kunnen mijn artikelen tegenkomen in onder andere de NRC, EW Magazine en Archeologie Magazine. Daarnaast schrijf ik boeken met een archeologisch dan wel historisch onderwerp.
Ik ben een van de zeer weinige Nederlanders die de speelfilm Redbad in de bioscoop zagen. Dat was zo’n wanproduct – ik deed meteen verslag – dat ’ie bijna onmiddellijk uit roulatie is gehaald. Omdat ik me destijds al realiseerde dat een kaartje een collector’s item zou worden, heb ik het bewaard. Er is al eens een bedrag van vier cijfers voor geboden, dus er zijn slechtere beleggingen denkbaar voor de oude dag.
Radbodus, Radboud, Redbad
Waarom ging ik überhaupt naar de bioscoop? Omdat Radbodus, zoals hij in onze bronnen heet, ofwel Redbad, zoals hij in Fries heet, ofwel Radboud, zoals hij in het Nederlands heet, een interessant figuur is. We weten dat hij heeft bestaan en tot 719 regeerde in het westen en noorden van Nederland; we weten dat dit gebied Frisia heette; we weten dat hij voornaam genoeg was om zijn dochter Theudesinde uit te huwelijken aan de voorname Frankische edelman Grimoald II; we weten dat hij een rol speelde in de Frankische Burgeroorlog (715-718); we weten dat zijn Frankische tegenstanders hem typeerden als onverbeterlijke heiden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.