Een nieuw “eerste” alfabet?

Een van de beschreven scherven (uit dit artikel)

Een van de redenen waarom men in de achttiende en negentiende eeuw de Oudheid bestudeerde, was dat men meende dat als men iets in zijn oorspronkelijke staat kende, men ook het wezen ervan doorgrondde. Het vroegste christendom was volmaakt geweest en later was het minder geworden; ooit was er een zuiverder Grieks gesproken geweest en dat was later vervuild geraakt. Hier komt de obsessie met “eerstes” vandaan die de oudheidkunde nog steeds teistert.

Vaak is dat aandachttrekkerij, maar niet altijd. De Amerikaanse archeoloog Glenn Schwartz publiceerde een paar weken geleden een artikel over een viertal beschreven stukjes klei uit de Bronstijdnederzetting Umm el-Marra ten oosten van Aleppo, waar hij samen met de Universiteit van Amsterdam onderzoek heeft gedaan in de jaren voor de burgeroorlog. De vondst is dus alweer wat ouder en in 2010 al gepubliceerd. Nu komt Schwartz erop terug in een artikel met de bescheiden kop “Non-Cuneiform Writing at Third-Millennium Umm el-Marra, Syria” (€). Het nieuwtje zit in de ondertitel: “Evidence of an Early Alphabetic Tradition?”

Lees verder “Een nieuw “eerste” alfabet?”

Elie Aron Cohen

Oorlogsmonument in Aduard

Een monumentje voor de gevallenen. Het staat in Aduard, even ten westen van Groningen. Het trof me door het opschrift: “Aduard gedenkt zijn gevallenen”, waarna niet alleen de mensen staan vermeld die in Nederland zijn gedood – wellicht verzetsstrijders – maar ook degenen die zijn vermoord in Auschwitz, Sobibor, Neuengamme en Malchow. Zo te zien richtte Aduard het monument al op vóór alle slachtoffers bekend waren, want drie namen zijn later toegevoegd.

Zoals gezegd trof het opschrift me. Het onderscheid dat je soms ziet, waarbij de joden een apart monument krijgen, ontbreekt. Ik heb daar altijd twee gedachten bij. Soms denk ik: wat de joden overkwam, was zo uitzonderlijk dat het een speciaal monument verdient. Dan weer denk ik: door de joden apart van andere Nederlanders een monument te geven, presenteer je ze als bijzonder en neem je het standpunt over van de bezetter. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken.

Lees verder “Elie Aron Cohen”

Hongerwinter in Amsterdam

Twee deelnemers aan een hongertocht (Wikimedia Commons; fotograaf onbekend / Anefo)

Voor mensen met hart- en vaatziekten, diabetes, vetzucht en nog zo wat ziekten van een welvarende maatschappij, meestal de rijkeren dus, was de Hongerwinter eigenlijk wel een goede medicijn. Sommigen hadden daarna geen last meer van die kwalen. Maar de meesten leden honger, of stierven zelfs.

De Hongerwinter van 1945

De boeren in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal leverden in ruil voor waardevolle spullen of koffie en thee, zakken met graan en aardappelen en groenten zoals kool. Je moest daarvoor al gauw helemaal naar de Kop, voorbij Hoorn en Alkmaar. Hele gezinnen trokken met handkarren de pont over op weg naar voedsel. Barre tochten waren dat, want het was een strenge winter en veel warme kleren had men niet. De Duitsers wisten van de hongertochten en soms stonden er soldaten bij de toegang tot de pont naar Amsterdam en dan kwamen de mensen na hun barre tocht terug met lege handen – de handkarren werden ook in beslag genomen – thuis.

Sommigen kwamen helemaal niet terug. Op een dag kwamen twee kinderen vanuit het noorden bij de pont aan. Er stonden weer eens soldaten. Andere families met handkarren trokken zich haastig terug tot de wacht opgeheven zou zijn, desnoods tot ’s avonds laat. Maar deze kinderen sloften door. De soldaten, blij met toch nog een vangst, tilden het zeildoek op: de kinderen waren met hun vader van huis gegaan, ze mochten ongehinderd door met hun handkar en het lijk dat erin lag.

In Heemskerk, zo vertelde men, was een groentekweker waar je per persoon een kilo groente mocht kopen. Van mijn stiefmoeder kreeg ik de opdracht een kilo te halen. Ik had een fiets met houten banden, geen handschoenen, ik kreeg twee dunne boterhammen mee en het vroor flink.

Hier moet even een lus in het verhaal: tegenover de suikerfabriek van Halfweg, over de Haarlemmervaart, kon je stiekem suikerbieten uit de grond trekken die thuis werden vermalen en gekookt tot er een afschuwelijk smakende brij ontstond, maar het was suikerhoudend voedsel. Wel, met die rotzooi waren helaas die boterhammen besmeerd, dus dat schraapte ik er onderweg zorgvuldig af.

Ik was nog niet op de oude Hemweg, toen mijn handen blauw werden en verschrikkelijk zeer deden. De pijn ging over: ze werden gevoelloos, en ik was nog niet op een kwart van de heenweg. Uit angst dat mijn handen zouden bevriezen ben ik omgedraaid. Met lege handen thuiskomen was er niet bij, maar wel zocht mijn (stief)moeder een paar oude lappen op, ik geloof  kapotte dassen die ik om mijn handen kon wikkelen. Ik was nog voor sluitingstijd bij de groentekweker en fietste in het donker met groente terug. Blame mijn stiefmoeder niet want ik kreeg een extra portie en het smaakte heerlijk, zelden heb ik zo lekker gegeten. En aan mijn handen mankeer ik nog steeds niets.

Hoe kwam je aan hout voor wat warmte en om te kunnen koken?

Dit zijn gelukkig wat grappiger verhaaltjes. Ik woonde vanaf 1943 bij mijn vader en zijn tweede vrouw in Amsterdam in de Bestevaerstraat. Mijn jongere stiefzusje en ik hoorden dat in de straat achter ons, de Lumeystraat, aan het eind een houten noodschooltje werd afgebroken door de buurtbewoners. Wij erheen! Iedereen sleepte al met lange planken en al gauw werden we door medestanders geholpen met het loswrikken van planken. Op weg naar huis met onze laatste buit -het schooltje was finaal weg- werd er geroepen: “Wegwezen!”

We waren pas halverwege de Lumeystraat. We belden aan de eerste deur aan die onmiddellijk openging en we veilig waren op de trap. Zo verging het alle houtsjouwers. De Duitse patrouille trof aan het eind van de straat slechts een plotseling braakliggend stukje grond aan.

Je kon ook houten blokjes tussen de tramrails vandaan bikken, die branden lekker want er zat veel teer aan. We gingen met een bijl gewapend naar de Krommerdt waar al veel mensen bezig waren. Zusje stond op wacht maar zag te laat dat er al een aantal mensen bijeengedreven was door soldaten. “Wegwezen!” riep men. Ik rende weg, achter me werd geschoten, ik denk in de lucht. Een deur ging open, ik werd naar binnen gesleurd en via de tuinen achter in veiligheid gesteld. De bijl was ik kwijt. Ik vind het nog steeds hartverwarmend te bedenken hoe mensen in tijden van nood niet alleen klaar staan voor elkaar maar ook onbaatzuchtig zijn.

[Vandaag een bijdrage van Ank Fokma, die dit lang geleden schreef voor een ter ziele gegane website met de verhalen van gewone mensen over historische gebeurtenissen. Ik wilde haar herinneringen niet definitief van het internet laten verdwijnen.]

De ondergang van het Romeinse Rijk

Een van de aardigste boeken die ik de afgelopen jaren heb gelezen, is The Fate of Rome van Kyle Harper. Ik schreef al eerder over het boek, dat groot is in een klein genre.

Een klein genre

Dat kleine genre is “ondergang van het Romeinse Rijk”. We hebben relatief weinig geschreven bronnen, hoewel er met de gestage publicatie van papyri en Aramese teksten wel wat bij komt, en het archeologisch materiaal is nog onvoldoende verkend. De voorkeur ging immers lange tijd naar de klassieke periode. Lees verder “De ondergang van het Romeinse Rijk”

Babylonische lamsstoofpot

Er gaan dagen, weken voorbij zonder dat ik Babylonische gerechten eet, dus ik was blij dat Manon Henzen op deze pagina tekst en uitleg geeft over een Babylonische lamsstoofpot. Manon weet alles van historisch koken en als u denkt dat dat een soort hobbyisme is, ziet u dat verkeerd. Ook in de historische gastronomie bestaan scholen en modes; tegenwoordig reconstrueren we het eten uit de Oudheid en Middeleeuwen anders dan dertig jaar geleden. Manon heeft in Nijmegen een eigen kookatelier – Eet!verleden; u vindt de pagina hier – en verzorgt de laatste tijd online cursussen zoals deze en die. Op deze blog kwam u al eens een recept tegen van ham in deegkorst. Ze maakte ook een leuk boek over brood.

Historisch koken

Het probleem met de reconstructie van antiek voedsel is, zoals altijd, datagebrek. Archeologen hebben wel pannen, schotels en bekers opgegraven en kunnen chemische analyses doen van de etensresten, maar dat helpt ons maar beperkt verder. We hebben recepten nodig en hoewel we die hebben, zijn ze niet zomaar te gebruiken. De antieke koks schreven namelijk voor hun collega’s, die voldoende professioneel waren om niet bij het handje gehouden te hoeven worden. Kookboeken als dat van Apicius (in feite een verzameling kookboeken) of de Babylonische kleitabletten zijn erg beknopt, wat het antieke voedsel voor ons moeilijk reconstrueerbaar maakt. Bedenk bovendien dat zoiets vanzelfsprekends als “laat vijftien minuten sudderen” het slingeruurwerk veronderstelt en dat er geen Christiaan Huygens is geweest in de Oudheid.

Lees verder “Babylonische lamsstoofpot”

Op reis (schaamteloze reclame)

Fresco uit Trier (Bischöfliches Dom- und Diözesanmuseum)

Stel, u houdt van reizen en u wil op uw reizen oudheden zien. Zoiets komt in de beste families voor. Ik kan over uw reislust (en budget) geen uitspraken doen maar durf aan het feit dat u op dit moment deze niche-blog aan het lezen bent wel de conclusie te verbinden dat u op reis ook weleens gaat kijken naar een ruïne of in een oudheidkundig museum. Welnu, ik heb twee reizen te noemen die uw belangstelling zouden kunnen hebben. Ik zeg er meteen bij dat ik degene ben die de deelnemers soms attendeert op het interessante tempeltje links, op een aspect van het landschap voor ons en het aardige beeldje in de vitrine rechts.

Eén, Historizon organiseert in juli een reis langs de Neder-Germaanse limes. Ik heb eerder met deze club samengewerkt en dat was altijd opvallend prettig, menselijk. Daarom heb ik ook zin in een reis langs Xanten, Bonn en Trier. Zeg maar het reisje langs de Rijn, Moezel en Ardennen waar onze ouders van droomden, maar dan met een Romeins karakter. We bezoeken op de terugweg de expositie “Oog in oog met de Romeinen” in Tongeren (recensie), en zullen twee nachten doorbrengen in Mainz. Die stad is leuk om te beobachten, kan ik u verzekeren; ik heb er echt een zwak voor.

Lees verder “Op reis (schaamteloze reclame)”

De roeping van de eerste leerlingen (2)

Het Meer van Gennesaret

Als we kijken naar de tekst die ik zojuist plaatste, valt meteen op dat Lukas het verhaal van Jezus’ roeping van de eerste leerlingen, oorspronkelijk verteld door Marcus, veel sterker aanpast dan Matteüs. Lukas’ versie bevat niet alleen een wonderbaarlijke visvangst extra, maar hij verschuift ook informatie (het slotzinnetje duikt op in een ander hoofdstuk) en past de geografische informatie aan. Ik heb geen idee waarom hij Marcus’ naam “Meer van Galilea” verandert in “Meer van Gennesaret”. Meestal doet Lukas moeite om de topografie duidelijk te zijn voor zijn publiek, dat het land van Israël niet kende, maar dit keer verandert hij de naam van een vrij bekende landstreek in die van een obscuur vissersdorp. Wie een verklaring weet, mag het zeggen.

Vispartij

Dan is er de vispartij. Hier maakt Lukas een buiging naar een van oorsprong niet joods publiek. De heidense wereld kende het concept van de theios anêr, de goddelijke man. Dat is een sterveling met eigenschappen die hem boven de rest van de mensheid uittillen; tot de voorbeelden behoren de Siciliaanse slavenopstandeling Eunus, een Babylonische profeet die beweerde de uitverkorene van Nanaia te zijn, de charismatische wonderdoener Apollonios van Tyana, een filosoof die zich Peregrinus Proteus noemde en een zekere Alexander, die de slangengod Glykon introduceerde. Maar ook vorsten behoorden tot deze categorie. Dit soort mannen – volgens mij altijd mannen – hadden een lijntje met het hogere en verrichtten wonderen waarmee ze heel concreet heil bewerkstelligden. Apollonios kon een schat opsporen, keizer Vespasianus verrichtte genezingen, Jezus zorgde voor wonderbaarlijke visvangsten. Dit was een concept dat heidenen herkenden en waaraan Lukas appelleerde.

Lees verder “De roeping van de eerste leerlingen (2)”

De roeping van de eerste leerlingen (1)

De “Jezusboot” in Ginosar

Kijk, het zit zo. Je wil je medemens in nood natuurlijk helpen, en dat geldt ook voor mensen in grote geestelijke nood, maar er zijn grenzen. Pelgrims die betalen om, net zoals de eerste leerlingen van Jezus van Nazaret, netten te mogen uitwerpen in het Meer van Galilea, hebben hun recht op humanitaire hulpverlening verspeeld. Vandaar dat je in Ginosar, het antieke Gennesaret, een scheepswrak kunt bekijken dat al sinds jaar en dag wordt gehypet als de boot van Jezus. Het is niet uit te sluiten dat Jezus het bootje heeft gezien, maar er is een koolstofdatering uit 40 v.Chr. ± 80, zodat er fors meer kans is dat het scheepje al is vergaan voordat Jezus zich vestigde in Kafarnaüm. Kortom: over de rug van mensen die ook echt niet beter verdienen maakt de archeologie, de scheepvaartarcheologie in dit geval, zichzelf weer eens ondergeschikt aan andere doeleinden dan het delen van inzicht.

Omdat dat niets nieuws is, gaan we snel naar het Bijbelverhaal in kwestie, dat gaat over de roeping van de eerste leerlingen. Middenin het origineel, links en rechts leest u hoe Matteüs en Lukas het hebben aangepast. De Nederlandse versie is de Nieuwe Bijbelvertaling.

Lees verder “De roeping van de eerste leerlingen (1)”

Latijnse, heidense literatuur

Manuscript van Caesars Gallische Oorlog (Biblioteca Nazionale, Napels)

Als u iets wil weten over een antieke auteur, pakt u uw telefoon of tablet en zoekt het op. De Wikipedia biedt u een eerste inleiding tot Ploutarchos en als u wil  weten wat de Wijze van Chaironeia dacht over vleesconsumptie, vindt u zijn essay met een paar klikken in het Grieks, Engels of Frans. Simpel. Nog geen kwart eeuw geleden was het zo makkelijk nog niet en moesten geïnteresseerde lezers zich behelpen met boeken. Er bestonden destijds diverse kennismakingen met de antieke literatuur; zo herinner ik me dat er eens twee tegelijk verschenen, een van Hein van Dolen en een van Ilja Pfeijfer. Allebei niet meer leverbaar want zulke werkjes zijn inmiddels even overbodig als een stoker op een elektrische trein.

Dat wil niet zeggen dat het boek helemaal geen bestaansrecht meer heeft. Voor de tweede lijn van de wetenschapsvoorlichting, waarin we uitleggen hoe we weten wat we weten en tonen waarom een wetenschappelijke opleiding zin heeft, zullen we vooralsnog boeken nodig hebben. Een fijne vorm is de persoonlijke selectie, waarin een ervaren lezer aangeeft wat hij of zij mooi vindt én – en dat is cruciaal – waarom. (Concreet voorbeeld: ik heb net een 842 pagina’s tellend monster over het Aramees liggen; een dunner boek waarin een professor Gzella uitlegt waarop ik moet letten, zou ik minder angstaanjagend vinden.)

Lees verder “Latijnse, heidense literatuur”

We moeten Antwerpen helpen, echt

Het Steen.

In Antwerpen, een van de boeiendste steden van België, is wat ophef ontstaan over de aanbouw van een terminal voor cruiseboten. Die komt naast het Steen. Die van Antwerpen zijn er niet heel gelukkig mee.

Toch moet me van het hart dat het goed is dat er toeristen gaan naar Antwerpen. Ik zeg dat vanuit historisch schuldbewustzijn; wij Amsterdammers lieten ooit de Westerschelde afsluiten om te verhinderen dat Antwerpen onze concurrent werd en toen dat niet langer ging vaardigden we Jan van Speijk af. Als Amsterdammers hebben we iets goed te maken, dus ik verwijs internationale reizigers graag naar de mooie stad aan de Schelde.

Lees verder “We moeten Antwerpen helpen, echt”