
Ja, u beweert dat u bestaat,
wij kennen dat verhaal.
Jawel, u zegt dat u bestaat,
dat zeggen ze allemaal
en zo wordt er zoveel beweerd.
Maar waar bent u geregistreerd?
Staat uw bestaan wel zwart op wit?
Heeft u een pas in uw bezit?

Ja, u beweert dat u bestaat,
wij kennen dat verhaal.
Jawel, u zegt dat u bestaat,
dat zeggen ze allemaal
en zo wordt er zoveel beweerd.
Maar waar bent u geregistreerd?
Staat uw bestaan wel zwart op wit?
Heeft u een pas in uw bezit?

[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme, het Mohisme en de School van de Namen behandelt hij dit najaar het taoïsme. Het eerste blogje in deze reeks was hier.]
Chinese filosofen hebben er een handje van te beweren dat hun gedachten niet nieuw zijn, maar dat ze slechts eeuwenoude waarheden aan het licht brengen en in ere herstellen.
We hadden gezien dat de eerste Confucianisten voor de rechtvaardiging van hun eigen gedachten niet alleen verwijzen naar de Zhou-literatuur en de daar genoemde Shang en Xia, maar bovendien mythologische koningen aannemen die geleefd zouden hebben vóór de Xia-dynastie: Yao en Shun. Deze wijze vorsten waren niet heel toevallig toonbeelden van confucianistische waarden.

[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme, het Mohisme en de School van de Namen behandelt hij dit najaar het taoïsme.]
De filosofische scholen uit de Periode van de Honderd Scholen van het Chinese denken worden, zoals we eerder zagen, vaak in zes hoofdstromingen ingedeeld. We hebben het vroege confucianisme al behandeld, en vervolgens hebben we het mohisme en de School van de Namen bekeken. Het is nu tijd om naar de tweede belangrijkste hoofdstroming naast het Confucianisme te kijken: het taoïsme.
Het taoïsme heet in de moderne spelling overigens daoïsme, maar omdat de naam taoïsme zo is ingeburgerd, gebruik ik in dit geval de oude spelling.

[In de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat zij nu eigenlijk doen, is het woord nu aan mijn goede vriend Richard Kroes, die archeologisch bureauonderzoek doet. Hij had zó veel interessants te vertellen over de wijze waarop momenteel in Nederland archeologie wordt bedreven, dat ik zijn antwoorden heb verdeeld over drie blogs. De eerste was hier.]
Hoe vergroot dit welk inzicht?
Dat weet niemand. Ik neem nu even ook het werk mee dat mijn collega’s in het veld doen nadat ik mijn bureauonderzoekshypothese heb opgesteld: de “gespecificeerde archeologische verwachting” testen. Ze zoeken eerst naar archeologische indicatoren om te beoordelen of iets überhaupt een vindplaats is. Het gaat dan om zaken als aardewerkfragmenten, huttenleem, houtskool, bot of vuursteen, die meestal worden opgespoord door booronderzoek. Vervolgens beoordelen ze wat een vindplaats “waard” is: wat zit er eigenlijk aan resten? hoe oud zijn die? zijn ze nog gaaf en goed geconserveerd? gaat het om iets zeldzaams? Dit is meestal proefsleuvenonderzoek. Daarna volgt het besluit over de wijze waarop waardevolle informatie behouden moet blijven. Lees: moeten we het opgraven of kunnen we het behouden door het plan aan te passen?

[In de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat zij nu eigenlijk doen, is het woord nu aan mijn goede vriend Richard Kroes, die archeologisch bureauonderzoek doet. Hij had zó veel interessants te vertellen over de wijze waarop momenteel in Nederland archeologie wordt bedreven, dat ik zijn antwoorden heb verdeeld over drie blogs. De eerste was hier.]
***
Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
Heel mijn werk bestaat uit hindernissen. De zorg voor het erfgoed in de bodem is gebaseerd op het principe “de veroorzaker betaalt”. Die veroorzakers zijn particulieren, bouwers, projectontwikkelaars, MKB’ers, boeren, grote bedrijven, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. Alleen die laatste twee zijn toegerust voor archeologisch onderzoek en de eerder genoemden zitten er meestal niet op te wachten. Archeologie is – zeg maar – een opgedrongen product, net als rijlessen.

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers kunnen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat is namelijk niet altijd wat het publiek denkt. Vandaag is het woord aan mijn goede vriend Richard Kroes, een archeoloog die niet, zoals u wellicht zou denken, de hele dag staat te graven. Hij heeft zó veel interessants te vertellen dat ik de blog maar in drieën heb gesplitst.
***
Wat bestudeert u?
Ik bestudeer gebieden in westelijk Nederland waar particulieren, gemeenten, bedrijven en projectontwikkelaars iets willen bouwen of een andere ingreep in de bodem willen uitvoeren. Er staan dan wetten in de weg en praktische bezwaren: er worden voorwaarden gesteld opdat eventuele archeologische resten in de bodem behouden blijven of in ieder geval niet ongezien verdwijnen.

In het Engels kun je van iemand vragen of ’ie voor dit of dat project bereid is an extra mile te gaan: zich bovenmatig in te spannen. Dat gaat terug op een vers uit het Evangelie van Matteüs, uit de Bergrede, waarin Jezus adviseert:
Als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op.noot
Het komt uit de Bergrede, waarin Matteüs Jezus presenteert als een schriftgeleerde, die zijn commentaar geeft op de Wet van Mozes. Als God de Joden uitverkoren heeft, is het minste wat Joden terug kunnen doen, proberen de Wet zo goed mogelijk na te leven en diepste betekenis te vinden. De Jezus van Matteüs is hier een schriftgeleerde die zijn duit in het zakje doet, ongeveer zoals de auteur van 4QMMT. Jezus’ uitleg is een oproep tot een welhaast bovenmenselijke volmaaktheid: mensen moeten ernaar streven even volmaakt te zijn als God zelf. Je moet dus maar een extra mijl lopen.

De geschiedenis herhaalt zich niet en de wetenschapsgeschiedenis doet dat in principe evenmin. Maar soms toch wel. De koolstofrevolutie die ooit de chronologie van de Oude Wereld op z’n kop zette, herhaalt zich nu in de Nieuwe Wereld.
Wat was er ook alweer aan de hand? De chronologie van de slotfase van de Europese Prehistorie was lange tijd gebaseerd op teksten. Grote archeologen als Oscar Montelius en Gordon Childe hadden een soort spreadsheet van de diverse culturen gemaakt, wisten welke oude culturen min of meer gelijktijdig waren, en konden dit overzicht koppelen aan Egypte, waar geschreven koningslijsten bestonden. Dit was een vrij grof chronologisch frame, maar het was beter dan niets.

De archeologische interpretatie stoelt op diverse poten. Zoals vergelijking: dit is een Romeins castellum want het lijkt op al bekende castella. Een meer tot de verbeelding sprekende interpretatiewijze noem ik gemakshalve “laboratorium”: door steeds weer nieuwe technieken is de archeologie momenteel de innovatiefste van de oudheidkundige disciplines. Verder benutten archeologen inzichten uit andere vakgebieden. Het ontstaan van de Taalgrens graaf je niet op, maar baseer je op teksten.
Nu volgt mijn maandelijkse gemopper: archeologen zijn met teksten onvoldoende vertrouwd. In de jaren ’80 propten de universiteiten de stof van vijf à zes jaar in vier jaar. De nadruk lag voortaan bij de technieken, terwijl kennis van de tekstwetenschappen gemarginaliseerd raakte. Deze smallere, technischere archeologie werd daarna geïnstitutionaliseerd in een onderzoeksschool, zoals ook andere disciplines in deze tijd geïnstitutionaliseerd versmalden.

De redacteuren van de Thesaurus linguae Latinae zijn inmiddels klaar met de letter R, en dat betekent dat ze zich hebben beziggehouden met de kleur rood. Blijkbaar maakte men in het oude Rome onderscheid tussen allerlei roodtinten, die worden vertegenwoordigd door allerlei bijvoeglijke naamwoorden, waarvan er ongeveer twintig zijn te vinden bij de R. Ze zijn meestal afgeleid van de Indo-Europese stam *h₁reudh-.
Het meest gebruikte woord voor “rood” is ruber, afgeleid dus van *h₁reudh, kon een breed spectrum aanduiden – van vuurrood, cinnaberrood, scharlakenrood, bloedrood of karmijnrood tot tinten die naar oranje neigden, zoals saffraan- of goudkleurig. Ook lichamelijke reacties werden taalkundig vastgelegd: men kon blozen, en daarom duidt rubor niet alleen de blos zelf aan, maar ook de verlegenheid.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.