Romeins Nijmegen (3) Bloei en verval

Een Bacchus uit het badhuis (Stadhuis Nijmegen)

[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het derde; het eerste was hier.]

Bloeitijd

In de tweede eeuw bloeide Ulpia Noviomagus. Op het grafveld zijn prachtige barnstenen en kristallen voorwerpen gevonden die bewijzen dat in elk geval de elite het breed kon laten hangen. Oude schattingen hielden het erop dat het stadje zo’n 5.000 inwoners had; inmiddels is duidelijk dat het er fors meer waren, misschien wel 10.000. Met een legioenbasis ernaast was het al met al te groot om te worden gevoed vanuit het achterland, zelfs al verrees langs de Waal de ene boerderij na de andere. Graan en andere levensmiddelen moesten worden geïmporteerd, en de inscriptie van graanhandelaar Marcus Liberius Victor, die zijn producten aanvoerde vanuit het verre Henegouwen, is heel typerend.

Lees verder “Romeins Nijmegen (3) Bloei en verval”

Deel dit:

Romeins Nijmegen (2) Noviomagus

Een cupido van barnsteen (Valkhof Museum, Nijmegen)

[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het tweede; het eerste was hier.]

Ulpia Noviomagus

In de jaren na de Bataafse Opstand reorganiseerden de Romeinen het Rijnland. Ze bekortten de weg naar de Donau door het Zwarte Woud (de Agri Decumates) te annexeren, en ook kregen meer legerbases stenen funderingen. Rome was niet langer in het offensief maar ging ervan uit dat de noordelijke rivieren voor langere tijd moesten worden verdedigd. In deze context moeten we ook de legioenbasis in Nijmegen plaatsen.

Er was in 2011 een claim dat een legioen zijn hoofdkwartier had ingericht in het stadscentrum, waar de resten zouden zijn gevonden op het Sint-Josephhof. Ik heb over die claim sindsdien niets meer gehoord, maar het zou een loepzuivere parallel opleveren met Jeruzalem, dat eveneens in 70 werd verwoest. Daar vestigde een legioen zich in de veroverde stad, maakte daarmee duidelijk wie de baas was, en dwong de bewoners te vertrekken naar het drie kilometer verderop gelegen Shu‘afat. Idem in Nijmegen: onderworpen opstandelingen, legioen in hun stad, bevolking drie kilometer verderop. Omdat ik over de Nijmeegse basis echter nooit meer had gehoord, was opheldering daarover een van de redenen waarom ik afgelopen weekend Nijmegen bezocht. Ik heb de deskundigen echter niet kunnen spreken en de oplossing van dit mysterie ligt derhalve voorshands verborgen in de mist der tijden.

Lees verder “Romeins Nijmegen (2) Noviomagus”

Deel dit:

Romeins Nijmegen (1) Ontstaan

Bataafse munt (Valkhof Museum, Nijmegen)

Ik ging naar Nijmegen om een badhuis te zien. Ik zag geen badhuis. Maar het was een geslaagd weekend. Deze week enkele blogjes, waar u ook het blogje over de Nijmeegse classicus Vincent Hunink bij mag rekenen. Maar eerst even iets over de geschiedenis van Romeins Nijmegen.

Oppidum Batavorum

In 19 v.Chr. werd in het oosten van de huidige stad een militaire basis ingericht (Hunerberg), die echter niet lang in gebruik is gebleven. Even oostelijker lag op het Kops Plateau een kleiner kamp, dat tientallen jaren functioneerde. De meest duurzame stichting lag echter in het huidige stadscentrum, waar een civiele nederzetting verrees, bewoond door migranten uit het Overrijnse die de geschiedenis in zijn gegaan als Bataven. Die naam betekent “bewoners van de Betuwe”, wat weer is afgeleid van *bat-agwiō, “vruchtbaar eiland” (tussen Waal en Rijn). De burgerlijke nederzetting heette Batavodurum of ook wel Oppidum Batavorum, wat allebei “Batavenburcht” betekent.

Lees verder “Romeins Nijmegen (1) Ontstaan”

Deel dit:

De Germanen (6) Religie

Metalen godsbeeldje edelsmeedwerk  (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

[Dit is het laatste van zes blogjes over de oude Germanen. Het eerste was hier.]

Er zijn nog twee met elkaar verwante onderwerpen die ik ter afronding van deze reeks blogjes wil bespreken: de Germaanse religie en de “archaic survivals”. Over het eerste weten we te weinig en dus roepen wetenschappers het tweede in, maar ook daarmee zijn problemen. En om het helemaal complex te maken zijn er allerlei versteende theorieën die inmiddels niet meer als hypothese worden herkend en gelden als feit. Zo werd ooit gedacht dat alle religie was ontstaan als de verering van natuurkrachten, hoewel dat ten dele christelijke polemiek is (“alleen het monotheïsme is een zuivere religie, de heidenen vereerden valse goden zoals natuurverschijnselen”). De notie blijft echter terugkomen, en niet alleen in de germanistiek.

Ter zake nu. Wat weten we wel? Ik denk het volgende.

Lees verder “De Germanen (6) Religie”

Deel dit:

Zes vragen aan Vincent Hunink

Drie beeldschermen en Vincent Hunink

Als er journalistieke aandacht is voor de Oudheid, gaat het meestal over archeologische vondsten, die nogal stereotiep worden gebracht (“schat”, “mysterie”). Verder zijn er altijd weer slecht onderbouwde parallellen tussen toen en nu (West-Europa wacht al twee eeuwen het veronderstelde lot van het Romeinse Rijk). Vandaag begint op deze blog een rubriek waarin ik de aandacht meer wil leggen op het eigenlijke wetenschappelijke proces. Als lezers weten wat onderzoekers feitelijk doen, begrijpen ze immers beter wat er op het spel staat en herwint de oudheidkunde draagvlak. Als eerste laat ik de Nijmeegse classicus Vincent Hunink aan het woord.

Sinds 1990 vertaalt hij met grote regelmaat teksten van klassieke en niet-klassieke auteurs. Recent werkte hij mee aan Ik en Rome, de grote uitgave van de verzamelde brieven van Cicero, en vertaalde hij de brieven van Plinius de Jongere. Zijn nieuwe vertaling is: Commodianus, Ik wijs de weg! een experiment uit het vroege christendom (Instructiones).

Lees verder “Zes vragen aan Vincent Hunink”

Deel dit:

De Germanen (5) Cultuur

Een gereconstrueerde Germaanse boerderij (Archäologisches Freilichtmuseum, Oerlinghausen)

[Dit is voorlaatste van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]

Het moge na de vorige blogjes duidelijk zijn dat “de” Germanen vooral hebben bestaan in de fantasie van de Romeinen. Die spraken over een onbeschaafde krijgerscultuur, terwijl ze in de praktijk wisten dat degenen met wie ze vochten, verdragen sloten en handel dreven, niet één volk vormden, maar een verzameling van verschillende stammen met verschillende levenswijzen. De Germanen tussen Rijn en Weser hadden een veel gevarieerder cultuur dan de Elbe-Germanen, terwijl de Germaanse talen uit het oosten (zoals het Gotisch) verschilden van het noordelijke Germaans. In het zuiden hadden Germaanse groepen zich gevestigd tussen de eerdere, Keltische groepen.

Het is dus gevaarlijk bloggen over “de” Germaanse cultuur. Daar komt nog bij dat er tussen de Jastorf-cultuur en de Late Oudheid volop veranderingen zijn opgetreden: wat bij de Germanen (ietwat misleidend) bekendstaat als de “Romeinse IJzertijd”, is feitelijk een proces, een ontwikkeling van een egalitaire naar een meer hiërarchische samenleving.

Lees verder “De Germanen (5) Cultuur”

Deel dit:

De Germanen (4) Meer geschiedenis

Germaans krijgersgraf (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

[Dit is het vierde van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]

In het vorige blogje had ik een begin gemaakt met een geschiedenis van de Germanen, een geschiedenis die grotendeels een geschiedenis is die door Romeinse auteurs wordt verteld. Maar die vertelden niet altijd de hele waarheid. Eén factor die ze niet lijken te hebben herkend, is dat de Elbe-Germanen de andere groepen wat opduwden richting Rijn.

Romeinse controle

Je kunt ook zonder legers een land beheersen, en dat was Romes nieuwe beleid voor de regio tussen Rijn en Donau. Het is grappig dat er enerzijds een culturele discussie was over “de Germanen”, die konden worden gepresenteerd als nobele wilden en als degenen tegen wie een Romeinse man kon bewijzen wie ’ie was, terwijl het concrete beleid was gericht op samenwerking met losse stammen of volken – dus niet “de Germanen”, maar de Chamaven, de Bructeren of zo. Rome wees leiders aan, stamkrijgers dienden in de Romeinse legers, en er was handel. Publius Cornelius Tacitus zegt ergens tussen neus en lippen door dat de Germanen het meeste hielden van “de oude munten” en dus voldoende wisten om te herkennen dat de Romeinen met het zilvergehalte sjoemelden. De Germaanse kooplieden wisten heel goed wat ze deden.

Lees verder “De Germanen (4) Meer geschiedenis”

Deel dit:

The Odyssey, een recensie (2)

Bijna drie uur duurt ’ie: de film The Odyssey van Christopher Nolan. Uren vol met flashbacks, vooruitzichten, boodschappen, ontroering, hier en daar ook humor (een Nieuw-Grieks sprekende anonieme bewoner van een door Odysseus bezocht eiland), geweld, prachtige beelden. Een ‘totaal-ervaring’ dus, maar ook eentje waarvoor je je soms schrap moet zetten. Laat me beginnen met de meest kritische noot die ik kan verzinnen. Amerikaanse films hebben de neiging om moralistische boodschappen te laten klinken, en ook The Odyssey ontkomt daar niet aan. En dat terwijl de avonturen van Odysseus al meer dan genoeg materiaal vormen om zoveel tijd van je te vragen. Dat moralistische sausje had Nolan van mij weg mogen laten.

Dat geschreven zijnde kom ik op het waagstuk van Nolan, want ga er maar aan staan: een iconisch werk over een al even iconische held verfilmen. De regisseur is daarin volgens mij goed tot (hier en daar) zeer goed geslaagd. Hij koos acteurs (m/v) die bijna allemaal overtuigen. Landschappen waar je even stil van wordt. Scenes die beklijven, omdat ze zoveel spektakel bevatten. En ook weet hij geweld vooral te suggereren: afgezien van één hoofd (van een godenbeeld) rollen er nergens echte koppen, lijkt de camera te stoppen voordat het te erg wordt, kijk je eigenlijk nergens even weg omdat het geweld te heftig is of dreigt te worden. En de muziek in de film (soms heftige bombast, maar ja: dat is het verhaal zelf ook al) klopt met de beelden. Net als de andere geluidseffecten dat doen.

Lees verder “The Odyssey, een recensie (2)”

Deel dit:

The Odyssey, een recensie (1c)

De shoot-out (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

[Dit is het laatste van drie blogjes die Nimue van Dijk wijdde aan de speelfilm The Odyssey. Het eerste was hier.] 

Odysseus heeft volgens de film inderdaad iets verschrikkelijks gedaan, en boetedoening in de vorm van zijn omzwervingen is noodzakelijk, maar hij vindt in zekere zin absolutie door zijn schulderkenning. Zijn directe en indirecte slachtoffers daarentegen blijven buiten beeld; hun verlies krijgt geen vergelijkbare afronding. Dit levert naar mijn mening iets van frictie op binnen een film die een punt maakt van de blijvende gevolgen van geweld, maar vooral de dader de catharsis gunt.

Het einde van de beschaving

Zo vind ik dat er meer van dit soort interne frictie is. Om weer terug te komen op de afrekening met de vrijers: dit wordt slim geframed als een soort omkering van de slachting in Troje, als Odysseus die het onkruid dat hij in Troje gezaaid heeft nu wiedt. Dat neemt niet weg dat de film ons door de vrijers te demoniseren manipuleert om van dit geweld te genieten, terwijl we het andere geweld dat we zien moeten veroordelen. Dan is er ook nog de sleutelscène aan het eind van de film, waarin Odysseus, vermomd als bedelaar, voor Penelope uit de doeken doet wat het innemen van Troje echt inhield. Hier wordt expliciet de link gelegd met het verbreken van Zeus’ Law en de toestand waar de beschaving in verkeert. “Our age of bronze is collapsing,” zegt Odysseus onheilspellend.

Lees verder “The Odyssey, een recensie (1c)”

Deel dit:

The Odyssey, een recensie (1b)

De vrijers en Penelope (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

[Dit is het tweede van drie blogjes die Nimue van Dijk wijdde aan de speelfilm The Odyssey. Het eerste was hier.] 

Een ander element dat het zwaartepunt bij Odysseus’ psyche legt is de fysieke afwezigheid van de goden. Hun aanwezigheid is wel voelbaar, door rommelende donder en een woeste zee, maar ze verschijnen niet, wat je als kijker motiveert om goed op te letten. Odysseus zelf lijkt sceptisch over bovennatuurlijke krachten. “We can’t live by omens and sacrifices,” zegt hij tegen zijn vermoeide mannen. Athene, de enige godin die wel een rol speelt, blijkt het gezicht te hebben van een priesteres die Odysseus door de Grieken gegrepen heeft zien worden in Troje. Deze scène wordt gecontrasteerd met het hoofd van een standbeeld van Athene dat in haar tempel wordt afgehakt; de godin en de onschuldige vrouw zijn één geworden voor Odysseus. In deze gedaante achtervolgt ze hem tijdens zijn reis, en dit, naast de toevoeging van Sinon, suggereert dat hij gedreven wordt door zijn eigen geweten, niet door goddelijke interventie.

Oorlogsslachtoffers

Athene is, ondanks haar minimale schermtijd, een belangrijk figuur. Ze kan gelezen worden als symbool voor de onschuldige oorlogsslachtoffers van Troje, en het is binnen dit narratief niet toevallig dat ze een vrouwelijke godheid is. Ik kreeg zelf de indruk dat de film er, onder het oppervlak van de focus op Odysseus, naar hintte dat de slachtoffers van mannelijke oorlogszucht vaak vrouwen zijn. Het geschreeuw dat we in Troje horen is duidelijk vrouwelijk, en we zien expliciet hoe de Griekse soldaten vrouwen donkere hoeken in slepen. Terwijl de mannen die in Troje sterven grotendeels anonieme soldaten zijn, worden de brute gevolgen van de oorlog voor elk vrouwelijk karakter in de film duidelijk in beeld gebracht.

Lees verder “The Odyssey, een recensie (1b)”

Deel dit: