Een van de lezers van deze blog, Bart Strörmann, stuurde me eind vorige maand een door artificiële intelligentie gegenereerd lijstje van tien belangrijke gebeurtenissen uit de Oudheid en vroeg mijn commentaar daarop. “Wat een leuke vraag!”, dacht ik, “daar zit een tof blogje in”. En vervolgens raakte ik dat lijstje kwijt. Sorry Bart. Ik heb Claude gevraagd een nieuw en iets langer lijstje te genereren.
Goedemorgen! Zou u een lijst kunnen geven van de vijftien belangrijkste gebeurtenissen uit de Oudheid?
In de lezenswaardige column van Nelleke Noordervliet (‘Odysseus was een egoïst, bedrieger en mooiprater’, Trouw, 1 augustus 2026) schetst zij een beeld van de oud-Griekse wereld, waarin schuld en boete een totaal andere betekenis hadden dan doorgaans voor ons het geval is. Haar typering van Odysseus als een intrigant, een leugenaar en een bedrieger past in de visie op de held, die tegenwoordig ook opgeld doet in kringen van classici en historici. Waar rond de muren van Troje Grieken en Trojanen eeuwige roem verwierven door persoonlijke moed en fysieke strijdbaarheid, bedacht Odysseus listen en speelde hij in op de zwakheden van zijn tegenstanders, of het nu strijders uit zijn eigen kamp waren (denk aan de tragische zelfmoord van Ajax) of de goedgelovige Trojanen, die met het binnenhalen van het houten paard hun eigen stad ten gronde richtten.
Na de val van Troje vertrok Odysseus met zijn lotgenoten naar het eiland Ithaka, op een reis met vele ontberingen. In 1971 wijdde de talentvolle Italiaanse cantautore (singer-songwriter) Lucio Dalla (1943-2012) er het lied Itaca aan, dat vanuit het perspectief van de matrozen geschreven is. Met, impliciet, dezelfde kritiek die Noordervliet op Odysseus heeft. De kapitein lijdt geen honger en beleeft links en rechts erotische avonturen, terwijl zijn bemanning moet afzien, in bange afwachting van hoe het thuis zal zijn:
Wie ooit Jeruzalem heeft bezocht, kent pater Jerome Murphy-O’Connor, de auteur van de enthousiasmerende archeologische reisgids waarmee duizenden bezoekers hun bezoek aan de stad diepgang gaven. Wat je ook denkt van de archeologie in Israël, met Father Jerry was het in elk geval nooit saai. Dat geldt ook voor zijn hypothese dat de apostel Paulus niet afkomstig zou zijn uit de stad Tarsos in Cilicië maar uit Gischala in Galilea.
Hieronymus’ alternatief
Dat idee is op het eerste gezicht wat vreemd. In zijn eigen brieven noemt Paulus zijn vaderstad weliswaar niet, maar de auteur van de Handelingen van de Apostelen, “Lukas”, vermeldt Tarsos herhaaldelijk. Lukas’ Paulus identificeert zichzelf bijvoorbeeld als “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”nootHandelingen 21.39; NBV21. Vgl. Handelingen 9.11 en 22.3. Nu wijkt het beeld van Paulus in de Handelingen weleens af van dat in Paulus’ eigen brieven, dus enige twijfel is gerechtvaardigd – zoals bij alle antieke teksten. Dat legitimeert dat Murphy-O’Connor serieus omzag naar een opmerking in Hieronymus’ laatantieke commentaar op Paulus’ Brief aan Filemon. Hier is de vertaling van Paul Leunissen, die me een tijdje geleden een artikel toestuurde dat hij aan de kwestie had gewijd.
Reconstructie van een Atheense rammelaar (Celicia Ceramics)
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er een reeks blogjes aan. Dit is het laatste en het eerste was hier.]
Het Museumpark Orientalis heette ooit de Heilig Land-stichting en was destijds, een eeuw geleden, bedoeld om mensen die de pelgrimage naar Palestina niet konden maken, te tonen in welke wereld Jezus had geleefd. Sympathiek bedoeld, maar de implicatie was dat in het Midden-Oosten de tijd had stilgestaan en dat de bewoners niet in staat waren tot dezelfde innovatie die typerend is voor Europa. Orientalis is echter niet alleen een confrontatie met het denken van een eeuw geleden, het is ook het museumpark dat elke zomer ruimte biedt aan het Laat-Romeins Festival, het gezelligste en oudste nog bestaande Romeinenfestival in Nederland.
Keramiek
In het tentoonstellingsgebouw is nu een expositie over oude handelsroutes, die dus mooi aansluit bij de nieuwe opstelling in het Valkhof Museum, maar ik kwam vooral om wat bekenden te ontmoeten en me door archeologe Ester Schraven van Celicia Ceramics te laten bijpraten over historisch geïnspireerd aardewerk. Elk museum verkoopt wel wat imitaties van antiek keramiek of glas, maar ik heb geen idee hoe dat nu wordt gemaakt en hoe authentiek dat nu eigenlijk is.
Een paar weken geleden besloot ik dat alle dode links uit deze blog moesten worden verwijderd of verbeterd. Niemand heeft voordeel bij dode links. Niet de universitair docent wiens persoonlijke pagina een ander adres kreeg, want een wetenschapper moet bereikbaar zijn. Niet het museum dat van naam veranderde, want dat wil informatie delen en moet dus online vindbaar blijven. Niet het publiek dat informatie zoekt. En ook ikzelf niet, want als er veel dode links in een website zitten, krijgt die van zoekmachines een lagere ranking en wordt die site minder gevonden. En ja, ik ben wel zo ijdel dat ik gelezen wil worden.
Linkrot
Links verouderen, om allerlei redenen. Dat staat bekend als linkrot. Er zijn programmaatjes die dode links signaleren, dus het traceren is niet moeilijk. Ik heb echter heel wat verloren kwartiertjes besteed aan het veranderen van de ruim 7500 pagina’s en blogjes die samen de Mainzer Beobachter vormen.
Als er journalistieke aandacht is voor de Oudheid, gaat het meestal over archeologische vondsten, die nogal stereotiep worden gebracht (“schat”, “mysterie”). Verder zijn er altijd weer slecht onderbouwde parallellen tussen toen en nu (West-Europa wacht al twee eeuwen het veronderstelde lot van het Romeinse Rijk). Met de rubriek “zes vragen” wil ik de aandacht terugleggen bij het eigenlijke wetenschappelijke proces. Als lezers weten wat onderzoekers doen, begrijpen ze immers beter wat er op het spel staat en herwint de oudheidkunde draagvlak.
Als tweede laat ik archeoloog Wil Kuijpers aan het woord, die zich bezighoudt met Romeinse baggervondsten uit het Nederlandse rivierengebied. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre zulk materiaalonderzoek kan bijdragen aan de reconstructie van verdwenen Romeinse nederzettingen. Hij combineert vondstanalyses met landschappelijk onderzoek, historische bronnen en vergelijkingen met andere vindplaatsen langs de limes.
***
Wat bestudeert u?
Als burgeronderzoeker onderzoek ik archeologische vondsten uit onderspoelde Romeinse vindplaatsen in het Gelderse rivierengebied. Mijn bevindingen deel ik via publicaties en lezingen.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes of zeven blogjes aan. Dit is het voorlaatste. Het eerste was hier.]
Het moet een halve eeuw geleden zijn dat mijn vader me meenam naar Nijmegen, naar Museum Kam, destijds het archeologische museum van de stad. De locatie kon niet beter: het stond op de rand van de Romeinse legerbasis op de Hunerberg. De graven van de legionairs en hun tijdgenoten zijn gevonden in de straat waar het museum werd gebouwd, die inmiddels Museum Kamstraat heet. Mijn vader en ik kregen uitleg van meneer Stuart, die mijn ontluikende liefde voor Romeins Nederland aanwakkerde met een mooi verhaal. (Voor de insiders die zich afvragen hoe het kwam dat een Zo Grote Naam Uit De Nederlandse Archeologie twee passanten kwam verwelkomen, voeg ik toe dat Peter Stuart de broer was van een collega van mijn vader.)
Museum Kam is eind jaren negentig gesloten. De collectie is overgebracht naar het Valkhof Museum, waarover ik gisteren blogde, en het gebouw is sindsdien in gebruik voor andere doelen. In de coronatijd is het ingericht als onderzoekscentrum met bibliotheek.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit stukje meetel. Dit is het vierde; het eerste was hier.]
Wie van Romeins Nederland houdt, houdt van het Valkhof Museum in Nijmegen. Het is echter – althans voor mij – een liefde die soms teleurstelt, zoals toen de directie verdwaalde in een tunnelvisie. Het museum was enige tijd gesloten, werd verbouwd en is onlangs heropend, en nu weet ik weer waarom ik er graag kom. Al vóór je binnen bent, zie je de verandering: het museumcafé bevindt zich nu aan de voorkant, zodat het gebouw veel opener is naar de buitenwereld. Ook het malle monument op het plein, een tegen de archeologische wetenschap opgeheven middelvinger in de vorm van een verzakte replica van een Romeins monument, is gelukkig verwijderd.
Kristalhelder thema
Feitelijk bestaat de nieuwe archeologische afdeling uit een heel grote C-vormige ruimte, met een kristalhelder thema: Nijmegen als onderdeel van een grotere wereld. Dit verhaal wordt strikt chronologisch verteld. Uit die keuze vloeit voort dat de verzameling nederzettingen die we aanduiden als “Romeins Nijmegen”, minder centraal staat dan vroeger. De eerste getoonde voorwerpen komen uit Bennekom, bepaald niet om de hoek.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het derde; het eerste was hier.]
Bloeitijd
In de tweede eeuw bloeide Ulpia Noviomagus. Op het grafveld zijn prachtige barnstenen en kristallen voorwerpen gevonden die bewijzen dat in elk geval de elite het breed kon laten hangen. Oude schattingen hielden het erop dat het stadje zo’n 5.000 inwoners had; inmiddels is duidelijk dat het er fors meer waren, misschien wel 10.000. Met een legioenbasis ernaast was het al met al te groot om te worden gevoed vanuit het achterland, zelfs al verrees langs de Waal de ene boerderij na de andere. Graan en andere levensmiddelen moesten worden geïmporteerd, en de inscriptie van graanhandelaar Marcus Liberius Victor, die zijn producten aanvoerde vanuit het verre Henegouwen, is heel typerend.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het tweede; het eerste was hier.]
Ulpia Noviomagus
In de jaren na de Bataafse Opstand reorganiseerden de Romeinen het Rijnland. Ze bekortten de weg naar de Donau door het Zwarte Woud (de Agri Decumates) te annexeren, en ook kregen meer legerbases stenen funderingen. Rome was niet langer in het offensief maar ging ervan uit dat de noordelijke rivieren voor langere tijd moesten worden verdedigd. In deze context moeten we ook de legioenbasis in Nijmegen plaatsen.
Er was in 2011 een claim dat een legioen zijn hoofdkwartier had ingericht in het stadscentrum, waar de resten zouden zijn gevonden op het Sint-Josephhof. Ik heb over die claim sindsdien niets meer gehoord, maar het zou een loepzuivere parallel opleveren met Jeruzalem, dat eveneens in 70 werd verwoest. Daar vestigde een legioen zich in de veroverde stad, maakte daarmee duidelijk wie de baas was, en dwong de bewoners te vertrekken naar het drie kilometer verderop gelegen Shu‘afat. Idem in Nijmegen: onderworpen opstandelingen, legioen in hun stad, bevolking drie kilometer verderop. Omdat ik over de Nijmeegse basis echter nooit meer had gehoord, was opheldering daarover een van de redenen waarom ik afgelopen weekend Nijmegen bezocht. Ik heb de deskundigen echter niet kunnen spreken en de oplossing van dit mysterie ligt derhalve voorshands verborgen in de mist der tijden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.