Het taoïsme: Daodejing (1)

Negentiende-eeuws beeldje van Laozi (Übersee Museum, Bremen)

[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme, het Mohisme en de School van de Namen behandelt hij dit najaar het taoïsme. Het eerste blogje in deze reeks was hier.]

De legende

De wijze was een oudere tijdgenoot van Confucius, en al aardig op leeftijd toen hij het land wilde verlaten. Bij de bergpas stuitte hij echter op een grenswachter, Yin Xi genaamd. Yin verzocht, gebood of smeekte de wijze om, als hij dan toch vertrok, althans zijn wijsheid achter te laten … op schrift.

De oude schreef daarop eenentachtig korte hoofdstukjes, deels in dichtvorm. Deze vormen samen het werk dat de kern van het taoïsme (moderne spelling: daoïsme) zou vormen: Daodejing (eerdere spellingen: Tao Te Ching, Tao Te King). De naam waarmee de wijze bekend is geworden is Laozi, wat letterlijk betekent: “oude meester”.

De twijfel

Een prachtig verhaal toch? We kennen het van de Chinese geschiedschrijver Sima Qian, die in de laatste eeuw voor onze jaartelling de levens van veel filosofen beschreef. Het verhaal is echter vermoedelijk niet waar. Tekstanalyse wijst uit dat de Daoedjing waarschijnlijk in de vierde eeuw v.Chr. geschreven is, een aantal generaties na Confucius dus. Het zou daarbij ook raar zijn geweest als het werk van Laozi al meer dan een eeuw circuleerde zonder ooit in een andere filosofische tekst genoemd te zijn.

En de oude meester en de grenswachter van de bergpas? Men twijfelt eraan of ze echt hebben bestaan. De verdere beschrijving van Sima Qian van de oude meester doet wel erg ongeloofwaardig aan. Hij zou onder drie namen bekend zijn geweest: Li Er, Lao Lai Zi, en Lao Dan. Om met al die mensen samen te hebben kunnen vallen én de jonge Confucius de les te hebben kunnen lezen moet Laozi iets van drie eeuwen oud geworden zijn.

Zeker is dat de Daodejing niet één vorm kende, maar in verschillende varianten bestond. Enkele versies uit de eerste eeuwen van onze jaartelling waren al bekend toen in 1973 in een graf een volledige versie werd gevonden uit ongeveer de tweede eeuw v.Chr. In 1993 vond men fragmenten van een nog oudere versie: meer dan drie eeuwen voor onze jaartelling. Vooral deze laatst gevonden versie wijkt nogal wat af van de eerder bekende versies. De indeling in eenentachtig stukjes tekst bleek in die oudste versie nog niet te hebben bestaan.

Dat suggereert dat meerdere auteurs aan het werk zijn geweest, of dat latere kopiisten wijzigingen aanbrachten of zelfs aanvullingen maakten. Er is niet één Daodejing, maar meerdere.

De waarheid?

We moeten dus anders denken over de ouderdom van de Daodejing. Toch kunnen we het verhaal nog op twee manieren redden.

Ten eerste is het goed mogelijk dat misschien niet de exacte woorden, maar toch wel de wijsheden van het boek teruggaan op één oude meester. Het is ook niet onmogelijk dat deze zijn inzichten verkondigde in de vorm van korte, goed te onthouden gedichten. Over het opstellen van die gedichten kan hij best zijn hele leven gedaan hebben. En waarom zou hij het ook niet op verzoek allemaal uitgeschreven kunnen hebben? Dat er daarna in de overlevering van de tekst veranderingen en wellicht ook toevoegingen zijn gekomen is ook weer niet raar. Natuurlijk is dit speculatie, maar over iets dat we niet weten kunnen we nou eenmaal niet anders dan speculeren.

Ten tweede moeten we als historici een verhaal niet doodchecken, simpelweg omdat een verhaal vaak invloedrijker is dan de feiten. Ook al vinden we voor de vierde eeuw niets over de Daodejing, na die vierde eeuw wordt er juist heel vaak naar het boek verwezen, en ook naar Laozi en zijn legende. Er zou in de eeuwen daarna een hele cultus rond de oude meester ontstaan en die bestaat tot vandaag de dag. Laten we daarom het verhaal het verhaal laten, en snel gaan kijken naar de inhoud van het werk zelf.

De titel

De titel bestaat uit drie woorden.

Djing (verouderde schrijfwijzen: ching, king) betekent zoiets als de “canon”. Het werk bestaat uit twee delen:

De (te, teh) verwijst naar het deel dat traditioneel als het tweede werd beschouwd. In de oudste complete versie was dat het eerste deel. Het is te vertalen met iets als “innerlijke kracht”.

Wat dao (oude schrijfwijze: tao) is, is per definitie moeilijk te zeggen. Het verwijst naar wat later het eerste deel vormde. Het eerste wat de tekst over dao zegt is dat het eigenlijk niet benoembaar is. Onbevredigend voor een filosoof, maar gelukkig laat de auteur van de Daodejing het daar niet bij, en doet hij een poging om een en ander uit te leggen.

Een veel gehoorde vertaling van dao is “de weg”. In die betekenis komt het woord bij Confucius en bij Mozi al voor. Alleen: zij spreken van mijn weg, of hun weg, als de juiste manier van leven, een menselijke norm. Met het woord dao verwijzen ze dus naar hun eigen leer, of naar de leer van anderen. De Daodejing spreekt over dé weg, als iets dat universeel is en los staat van de wijsheid van Laozi. In de Daodejing staat dao voor het kosmische principe dat aan alle verschijnselen voorafgaat en alle verschijnselen doortrekt.

God?

Je zou dao misschien ook kunnen vertalen met “God”. Dit is in het westen echter een onhandige vertaling, omdat ons westerse godsbegrip is beïnvloed door het godsbeeld van de abrahamitische godsdiensten, waarin God de schepper is, een rechter, en de hoeder van het hiernamaals. Dat is de dao allemaal niet.

Dao schept niet, het is eerder de bron waaruit alles voortkomt en ook weer naar terugkeert. Dao is geen hoeder van het hiernamaals, want in de Daodejing is er geen sprake van een hiernamaals. En ook is dao geen rechter. Er wordt niet gesproken van zonden in de Daodejing.

Je kan dao de geest van het universum noemen, die tijd en ruimte in zich draagt, en alle verschijnselen doortrekt. Een natuurwet misschien, hoewel niet rationeel te verklaren. Dao staat voor de manier waarop het hele bestaan zich ontvouwt. Zodoende lijkt dao op de God van de christelijke mystiek of het islamitische soefisme, waarin God als een onzegbare kracht wordt gezien, die niet door rationele benadering te vinden is, maar door meditatie en intuïtie.

Hoe dan ook, Daodejing betekent dus iets als “de canon van de weg en de innerlijke kracht”. In het volgende deel gaan we kijken wat de legendarische Laozi hier zoal over te zeggen heeft.

[Dank je wel Kees! Deze reeks zal worden vervolgd.]

Deel dit:

Babylonisch recht

Babylonisch juridisch document (Ägyptisches Museum, Leipzig)

Wanneer we het hebben over Babylonisch recht, gaat het meestal over een van de beroemdste teksten uit de oude wereld: de Wetten van Hammurabi, uit de achttiende eeuw v.Chr. Het probleem met deze codificatie is dat we niet goed begrijpen wie de in spijkerschrift geschreven tekst zouden hebben kunnen lezen. Hammurabi lijkt vooral te hebben willen aangeven dat hij zijn best deed een goede koning te zijn. Daar is niks mis mee, maar een tekst die leesbaar is voor slechts een minderheid, biedt duidelijkheid aan slechts een minderheid. Maar ook een koning moet natuurlijk ergens beginnen.

In de dagelijkse praktijk zal de rechtsvinding in handen zijn geweest van dorpshoofden die moesten improviseren aan de hand van traditie, analogie en billijkheid. We hebben echter wat teksten – geschreven documenten, dus betrekking hebbend op de elite – die tonen dat er ergens tussen Hammurabi’s principe en de dagelijkse gang van zaken toch een formele praktijk was die ruimte liet voor allerlei nuances. Noem het voor mijn part notariaat. Hier is een voorbeeld.

Lees verder “Babylonisch recht” →

Deel dit:

Quintus Lollius Urbicus

Portret van een Romein (Archeologisch Museum, Thessaloniki)

In de niet bestaande reeks “Algerijnen die iedereen behoort te kennen” presenteer ik u vandaag niemand minder dan Quintus Lollius Urbicus. Oké, hij had van Algerije niet gehoord en zou zichzelf “Romein” hebben genoemd. Maar hij kwam uit het Numidische stadje Tiddis en zijn loopbaan illustreert het leven van de bestuurlijke elite van de Romeinse keizertijd: mannen die van de ene naar de andere functie gingen, voortdurend onderweg waren, en feitelijk Rome maakten tot het machtige rijk dat het was.

Beginnersfuncties

De man stamde dus uit Tiddis, een van de satellietstadjes rond Cirta (het huidige Constantine). Ik noemde de Confederatio Cirtensis al eens, een viertal in naam onafhankelijke steden die feitelijk werden bestuurd door de Romeinse gouverneur van Africa Proconsularis. Dat die onafhankelijkheid in de tweede eeuw maar weinig betekende, blijkt wel uit het feit dat Urbicus carrière maakte in Rome.

Lees verder “Quintus Lollius Urbicus” →

Deel dit:

Zes vragen aan Alexander Smarius

Alexander Smarius (tweede van links) tussen drie door AI gegenereerde personages uit zijn nieuwe muziekvideo. Een tableau vivant naar een bekend Romeins reliëf in Trier.

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarmee ik de journalistieke aandacht voor archeologische vondsten en ongefundeerde parallellen tussen toen en nu wil verplaatsen naar het proces waarmee wetenschappelijke inzichten ontstaan en worden overgedragen. Vandaag is het woord aan Alexander Smarius, die weleens eerder schreef voor deze blog. Als leraar Grieks en Latijn op het vwo – voor Vlaamse lezers: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs – is hij meestal niet direct met wetenschap bezig: liever helpt hij opgroeiende tieners zich voor te bereiden op wetenschap.

**

Welke rol heeft een leraar om jonge mensen voor te bereiden op wetenschap?

Kort en goed: het klimaat creëren waarin er een klassengesprek ontstaat dat de leerstof ontstijgt. Ruim baan geven aan situaties die ook in Griekse filosofenscholen konden plaatsvinden.

Lees verder “Zes vragen aan Alexander Smarius” →

Deel dit:

Zes vragen aan Martine van den Berg

Martine van den Berg

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Zeker als het gaat om Israël zijn er nogal wat misverstanden en daarom geef ik vandaag het woord aan archeoloog/religiewetenschapper Martine van den Berg, die momenteel werkzaam is in Jeruzalem.

***

Wat bestudeert u?
Mijn promotieonderzoek betreft de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 van onze jaartelling door de Romeinen, die in de contemporaine literaire bronnen als een alomvattende gebeurtenis wordt beschreven. Bovendien is deze verwoesting in de loop van de eeuwen voorzien van een theologische betekenis: voor christenen was het de vervulling van Jezus’ profetie en in het jodendom markeerde dit het einde van politieke autonomie en het begin van de diaspora.

Lees verder “Zes vragen aan Martine van den Berg” →

Deel dit:

Faits divers (59) archeologie

De onlangs door het Allard Pierson Museum teruggegeven Centuripe pyxis, kort voor de teruggave

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer vooral archeologische onderwerpen.

Internationale contacten

U kent mijn ergernis: archeologen die zich niet willen verdiepen in wat tekstwetenschappers doen, en classici en oudhistorici die niet begrijpen dat archeologie méér is dan een hulpwetenschap. Ik herinner me uit mijn studietijd oudhistorici die vol leedvermaak lachten toen bleek dat alle op het Zweedse eiland Gotland gevonden Romeinse scherven, die zouden bewijzen dat er handel was met Italië, behoorden tot één enkele amfoor. Gotland was slechts een uitbijter, een geïsoleerd geval, verwaarloosbaar, zoals ze ook de archeologie beschouwden als bijvak.

Lees verder “Faits divers (59) archeologie” →

Deel dit:

Voor-westerse geschiedenis (15) de wegen

Romeinse weg bij Vulci

Er is wel beweerd – en ik denk terecht – dat het Romeinse Rijk zijn kracht mede te danken had aan een uitgebreid netwerk van wegen. Ik heb het nu over landwegen, omdat ik de zeeën en de rivieren al aanstipte in eerdere blogjes in deze reeks over de economische en sociale factoren die voorafgaan aan de evenementiële geschiedenis. Het lijkt mij een keihard feit dat de Romeinse ingenieurs grootmeesters waren op het gebied van de wegenbouw. De Via Appia, aangelegd in de laatste jaren van de vierde eeuw v.Chr., ligt er nog steeds, hoewel ze is gebruikt door de zware tanks waarmee de Geallieerden naar Rome oprukten. Ook andere Romeinse wegen liggen er nog: wie van Maastricht naar Tongeren gaat, volgt de kaarsrechte antieke straat vrijwel tot op de meter nauwkeurig.

Perzische wegen

Toch moet het krediet voor de eerste systematische aanleg van wegen naar een ander volk: de Perzen. De Griekse geschiedschrijver Herodotos van Halikarnassos beschrijft een koninklijke weg van Efese via Sardes naar Sousa, en vermeldt dat er op regelmatige afstanden karavaanserails waren. Bij Gordion is een deel van deze weg geïdentificeerd, zes meter breed. Allerlei kleitabletjes uit Persepolis documenteren het verloop vanaf Sousa naar het Perzische kerngebied. De Perzische paleisadministratie documenteert bovendien de afgifte van vouchers waarmee de reiziger zich langs de koninklijke wegen kon verzekeren van slaapplaatsen, verse rijdieren, eten en drinken. Ik meen dat Aristoteles ergens schrijft dat nieuws in een week van de randen van het Perzische Rijk naar de koning kon komen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (15) de wegen” →

Deel dit:

De triomfboog van Augustus (en de critici)

De triomfboog van Augustus

Het Forum Romanum is een wonderlijke plek: ooit het centrum van een wereldrijk, in de Late Oudheid verbouwd, daarna deels gesloopt, vervolgens gedegradeerd tot koeienweide, later veranderd in een (door Louis Couperus lyrisch beschreven) bloemenveld, in de eerste helft van de twintigste eeuw omgebouwd tot de huidige verzameling monumenten. Van sommige daarvan kun je je voorstellen hoe ze eruit zagen, van andere daarentegen totaal niet. Zoals de triomfboog van keizer Augustus.

Triomfboog één

Aan weerszijden van de tempel van de vergoddelijkte Julius Caesar stonden twee monumentale bogen, ongeveer zoals op het forum van Pompeii naast de Jupitertempel twee erebogen zijn te zien. De linkerboog op het Forum Romanum was een ereboog voor Gaius en Lucius, de kleinzoons en beoogde opvolgers van keizer Augustus. Dit monument maakte deel uit van de naar deze prinsen genoemde winkelgalerij voor de Basilica Aemilia. De andere boog, rechts als je vanaf het Forum naar de tempel van Caesar keek, was in 29 v.Chr. gewijd aan Octavianus omdat hij de zeeslag bij Aktion had gewonnen en Egypte geannexeerd.

Lees verder “De triomfboog van Augustus (en de critici)” →

Deel dit:

Een jaar in Babylon

Reconstructie van de Ištarpoort in Babylon

Zou u, beste lezer, een tijdreis willen maken naar het oude Babylon? En hoe zou u dan aankijken tegen het leven in die oude stad met al haar vreemde rituelen en gebruiken?

Daan Nijssen gaat die uitdaging aan in zijn nieuwste boek Een jaar in Babylon. Eerder schreef hij over de opkomst en ondergang van de grote rijken in Mesopotamië (Het wereldrijk van het Tweestromenland) en over de handelsstromen in datzelfde gebied (Alle wegen leiden naar Babel).

Lees verder “Een jaar in Babylon” →

Deel dit:

Het Proto-taoïsme (4)

De legendarische wijze Guan Zhong

[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme, het Mohisme en de School van de Namen behandelt hij dit najaar het taoïsme. Het eerste blogje in deze reeks was hier.]

Guanzi

De Guanzi is een verzameling oude teksten over filosofie en politiek. Het is waarschijnlijk samengesteld in de Han-dynastie, dus na de Periode van de Strijdende Staten, maar de meeste samenstellende delen zijn ouder.

Lees verder “Het Proto-taoïsme (4)” →

Deel dit: