Fietsen

Veerpont bij Loevestein

Ergens rond mijn zeventiende of zo kreeg ik de geest: fietsen is leuk. Vanuit Apeldoorn, waar ik opgroeide, reed ik naar Amersfoort of Utrecht, naar de Athenaeumbibliotheek in Deventer, naar Arnhem en Nijmegen. En dan later op dezelfde dag weer terug. Dat ging destijds makkelijker dan nu: er waren minder Vinexwijken en verkeersdrempels, je kon gewoon lekker over je stuur hangen, in een bepaald ritme komen en een bijna verslavende cadans opbouwen. Nu lukt dat, geloof ik, alleen nog op de Afsluitdijk, waar ik inmiddels, nu ik mijn hobby heb hernomen, alweer tweemaal overheen ben gegaan.

In december 2013 ben ik er dus opnieuw mee begonnen. Een tocht van Amsterdam naar Apeldoorn was de eerste grote rit. Meteen een goede les: het stuk tot Amersfoort is niet langer geschikt om door te donderen. Zoals gezegd: Vinexwijken en verkeersdrempels. Voorbij Amersfoort bleek het die dag wel weer te kunnen: bijna blindelings kon ik over Leusden, Barneveld, Kootwijkerbroek, Kootwijk en Assel naar Apeldoorn rijden. Eén van mijn oude favoriete routes was nog nauwelijks veranderd en ik zat al snel weer lekker in de cadans.

Lees verder “Fietsen”

Assyrisch staatsverdrag

Stele met een verdrag tussen twee Assyrische vazalvorsten (Archeologisch Museum van Antakya, Turkije)

De zwarte stenen stele hierboven is te zien in het Archeologisch Museum van Antiochië. Ze is ontdekt in wat nu een buitenwijk van die stad is. De stele is opgericht door de Assyrische koning Adad-Nirari III, die u moet plaatsen rond het jaar 800 v.Chr. Het monument diende om de grens aan te geven tussen het gebied van twee van zijn vazalvorsten, Ataršumki van Arpad en Zakkur van Hamath. De laatste lijkt wat land te hebben moeten afstaan in de vallei van de Orontes.

Dat de Assyrische koning bemiddelde, is niet zo vreemd, want hij was nu eenmaal de machtigste heerser van die tijd. Hij kon zich geloofwaardig garant stellen voor de naleving. Het is echter wél opvallend dat ook Aššur en andere goden uit Assyrië worden genoemd in wat een lokaal dispuut was. Blijkbaar ervoeren Ataršumki en Zakkur de macht van de Assyrische goden als reëel in Syrië.

Lees verder “Assyrisch staatsverdrag”

Fik Meijers Petrus (3)

[Ik wijd vandaag een stuk aan het boek Petrus. Leerling, leraar, mythe van Fik Meijer. Ik wil tonen dat er voor geschiedschrijving en wetenschapscommunicatie kwaliteitsnormen zijn. Meijer haalt die niet, zal bij menig lezer scepsis oproepen en draagt zo bij aan het afkalvende draagvlak voor de oudheidkundige wetenschappen. Het eerste deel is hier.]

Einfühlen en de sociale wetenschappen

Ik verraad geen geloofsgeheim als ik zeg dat Petrus en Paulus elkaar niet lagen. Meijer noemt het slot van Paulus’ Brief aan de Romeinen, waarin de auteur iedereen de groeten doet maar niet Petrus, van wie de katholieke kerk aanneemt dat hij in Rome is geweest. Meijer:

De mogelijkheid dat [Petrus] zich wel in Rome bevond, maar actief was onder gelovigen die zich … hadden verenigd in een soort Petrus-partij, die op een andere golflengte zat dan de Paulus-groep, is nagenoeg uit te sluiten. Paulus zou zich wel erg hebben laten kennen als hij om die reden Petrus niet had genoemd. Meer voor de hand ligt dat Petrus op dat moment, in 56-57, niet in Rome was. (blz.107-108)

Dit is een schoolvoorbeeld van de stap in de hermeneutische cyclus die bekendstaat als einfühlen: de historicus wil iets verklaren, onderzoekt de situatie, leeft zich in de actoren in en beredeneert waarom een persoon als deze onder omstandigheden als deze zal handelen op deze manier. Een man als Paulus zou, zelfs als hij meningsverschillen had met Petrus, hem de groeten hebben gedaan. Het subjectieve karakter moge duidelijk zijn: een onderzoeker die houdt van harmonie, zal een ander type actor reconstrueren dan een onderzoeker die bereid is de hakken in het zand te zetten. Zeker als het gaat om de oude wereld, waarover we weinig informatie hebben, is einfühlen geen heel betrouwbare methode.

Lees verder “Fik Meijers Petrus (3)”

Fik Meijers Petrus (2)

[Ik wijd vandaag een stuk aan het boek Petrus. Leerling, leraar, mythe van Fik Meijer. Ik wil tonen dat er voor geschiedschrijving en wetenschapscommunicatie kwaliteitsnormen zijn. Meijer haalt die niet, zal bij menig lezer scepsis oproepen en draagt zo bij aan het afkalvende draagvlak voor de oudheidkundige wetenschappen. Het eerste deel is hier.]

Verouderde interpretaties

Zie ik het goed, dan citeert Meijer niet-Griekstalige joodse teksten (apocriefen, Dode Zee-rollen en rabbijnse literatuur) allemaal uit de secundaire literatuur. Net als in Jezus en de vijfde evangelist is Petrus dus een boek over een jood, geschreven zonder te kijken naar de joodse bronnen. De uitzondering die deze regel bevestigt is de Grieks-schrijvende joodse historicus Flavius Josephus, die Meijer vrijwel letterlijk volgt.

Josephus was een aristocraat die zich aan zijn privileges verplicht voelde op te komen voor de Joden én hun leiders. (Daarin was hij overigens niet anders dan zijn tijdgenoten Tacitus en Ploutarchos.) In Josephus’ visie waren niet alle Joden anti-Romeins, maar was het verzet beperkt tot een kleine groep, die niet luisterde naar het goedbedoelde leiderschap van de joodse elite. Die kleine groep zou sinds de Romeinse annexatie voortdurend de orde hebben verstoord: in de jaren tussen 6 n.Chr. en 66 zou het van kwaad tot erger zijn gegaan tot de Joodse Oorlog was uitgebroken en in 70 Jeruzalem was verwoest. Althans volgens Josephus.

Lees verder “Fik Meijers Petrus (2)”

Fik Meijers Petrus (1)

Wie via een boek van Fik Meijer kennismaakt met de Oudheid, herkent misschien dat de auteur een karikatuur biedt van wat wetenschap is. Dat is een probleem. Hij kan zich namelijk ook presenteren als lid van de academische gemeenschap, waardoor (ten onrechte) de indruk ontstaat dat oudhistorici wetenschappelijk niet meekomen, wat er op zijn beurt toe leidt dat bona fide oudheidkundigen niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

Meijers vorige boek, Jezus en de vijfde evangelist, illustreerde het mechanisme. Het bood Jezusmythicisten op een presenteerblaadje de argumenten om te concluderen dat de emeritus-hoogleraar, en dus de wetenschap waarin hij een leerstoel bekleedde, het spoor volkomen bijster is. Helemaal onterecht is die conclusie niet: vijfendertig jaar academisch wanbeleid trekken hun sporen. Desondanks is oude geschiedenis nog altijd een serieuze activiteit. Dat wil ik tonen aan de hand van Meijers Petrus. Leerling, leraar, mythe.

Het gaat me daarbij niet om Meijers o zo zichtbare slordigheden. Ook gaat het niet om het feit dat hij (zoals wel meer oudhistorici) het grote publiek denkt te kunnen informeren op een wijze die al een kwart eeuw verouderd is. Ik wil me in plaats daarvan concentreren op fouten die voortkomen uit het onvoldoende toepassen van de historische methoden. Daardoor is Petrus, net als Jezus en de vijfde evangelist, geen geschiedenisboek zoals je van een historicus verwacht maar in feite een boek met een christelijke agenda.

De keuze van de bronnen

Je ziet dat bijvoorbeeld als Meijer zijn bronnen niet kiest zoals een historicus betaamt. Eén voorbeeld heb ik al uitgewerkt. Samengevat: er is laatantieke informatie over Petrus, geciteerd of naverteld door diverse christelijke auteurs, en Meijer bespreekt zonder nadere argumentatie wél de informatie uit de Kerkgeschiedenis van Eusebius, maar niet die van diens Syrische tijdgenoten.

Die is echter niet verwaarloosbaar. Ik schreef dat Petrus’ titel, “rots”, in het oosterse christendom wordt geïnterpreteerd alsof Jezus aangaf dat Petrus getuige was van het aanbreken van het messiaanse tijdperk. Net als met de citaten van Eusebius staat te bezien of het gaat om een oude traditie of een vroegchristelijk verzinsel, maar daar gaat het me nu niet om. Het gaat erom dat een historicus niet zomaar de ene groep teksten wél in zijn betoog kan betrekken en de andere niet. Meijer volgt de selectie die West-Europese christen vanouds maken.

Ander voorbeeld: we hebben enkele teksten van auteurs die voorgeven Petrus te zijn. Dat was in de Oudheid geen ongebruikelijk procedé en oudheidkundigen, die sowieso weinig informatie hebben, onderzoeken doorgaans of zulke teksten betrouwbare informatie bevatten. Als de Eerste brief van Petrus niet door hemzelf is geschreven, kan de auteur immers een leerling zijn geweest die vertrouwd was met Petrus’ gedachtegoed. Meijer kijkt er terecht naar, zoals hij ook gelijk heeft dat hij de laat-tweede-eeuwse Handelingen van Petrus bekijkt. Die tekst documenteert in elk geval hoe de toenmalige christenen naar Petrus keken, een onderwerp dat Meijer behandelt tot aan de pausen Leo en Gelasius aan toe. Maar waarom kijkt hij niet even uitgebreid naar het Evangelie van Petrus uit de vroege tweede eeuw?

Ik heb een vermoeden van Meijers selectiecriterium: de Handelingen speelden ooit een rol in een debat over de vraag of Petrus eigenlijk wel in Rome was geweest. Die discussie heeft vóór het Tweede Vaticaanse Concilie nogal wat rooms-katholieke en protestantse pennen in beweging gebracht. Daarna ook nog wel, maar de urgentie was verdwenen. Tegen die achtergrond is Meijers keuze logisch, maar vanuit het perspectief van de historicus, die het leven van Petrus en zijn vroegchristelijke “Nachleben” wil beschrijven, geldt natuurlijk dat de petrinische bronnen alle dezelfde status hebben.

Kortom, Meijer legt in Petrus een zwaartepunt dat hij heeft overgenomen uit eerdere, intern-christelijke discussies. Van een historicus zou je echter hebben verwacht dat hij zich niet laat meevoeren door achterhaalde discussies en nadenkt over de vraag of die onderwerpen nog wel interessant zijn.

Meijers christelijke jodendom

Niet alleen Meijers bronnenkeuze is bepaald door een twintigste-eeuws christendom, ook zijn visie op Petrus’ joodse achtergrond is daardoor bepaald. Een voorbeeld is zijn behandeling van de Twaalf, de leerlingen en de apostelen. Het historisch onderzoek – ik vat het hier samen – suggereert dat het verschillende groepen waren.

  • De Twaalf zijn op te vatten als Jezus’ symbool van het messiaanse herstel van de stammen van Israël.
  • De leerlingen waren precies dat: leerlingen.
  • Jezus zond apostelen uit om zijn visie op de eindtijd bekendheid te geven.

Als Meijer schrijft dat Jezus zijn leerlingen erop uitstuurde, schrijft hij de wezenlijke karakteristiek van apostelen toe aan leerlingen en volgt hij de oude, christelijke interpretatie dat het om één groep gaat. Ook elders speelt Meijers uit het christendom overgenomen bias hem parten. Zo definieert hij de messias als degene “die het koninkrijk van God op aarde zou vestigen”: onberispelijk vanuit christelijk perspectief, maar volstrekt ongenuanceerd vanuit het standpunt van het historische, pluriforme jodendom.

Meijers aan het christendom ontleende visie op het antieke jodendom is op alle niveaus aanwezig, zelfs in zijn woordkeuze. Op blz.69 schrijft hij bijvoorbeeld dat de Twaalf “Gods woord” wilden verkondigen aan zoveel mogelijk joden. Een geïnteresseerde lezer zal zich afvragen waarom: de joden wisten toch allang wat Gods woord was? Het verkondigen van diens woord veronderstelt een samenleving die de Bijbel níet kent; het is wat de christenen deden in de wereld der heidenen. Wat de eerste gelovigen bij de joden over het voetlicht wilden brengen, waren Jezus’ halachische opvattingen en ideeën over de Eindtijd.

In het veelkleurige antieke jodendom waren halachische geschillen normaal en er was dus geen specifieke kloof tussen joden en de volgelingen van Jezus. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een incident in 62 n.Chr., toen hogepriester Ananos Jezus’ broer Jakobus uit de weg liet ruimen, waarop andere joodse autoriteiten protesteerden bij de Romeinen. Dit bewijst dat de joden op dat moment de leden van de Jezusbeweging beschouwden als mede-joden. Ik zou Meijers woorden dat de christenen “heel goed [wisten] dat de Joden, die zich fel tegen Jezus hadden verzet, zich nu ook tegen hen zouden keren” niet voor mijn rekening nemen.

[Wordt om kwart over negen vervolgd]

Tien teksten (deel 4)

Een van de snippers van “Enige werken der Wet” (© Wikimedia Commons)

Alvorens verder te gaan met mijn overzicht van tien teksten die een invloedrijk aspect van de Oudheid documenteren, herhaal ik nog even dat invloed wil zeggen dat iets ons denken en eventueel ons handelen in een bepaalde richting duwt. We doen of vinden iets, tenzij we ons daartegen verzetten. Vergelijk het met een berghelling: het is meestal makkelijker naar beneden te gaan, maar als je wil kun je ook naar boven klauteren. Invloed is niet hetzelfde als inspiratie, want we noemen iets inspirerend als we er aansluiting bij zoeken, wat impliceert dat we het niet als vanzelf doen.

Een van de aspecten van de Oudheid die ik in deze reeks behandeld wil zien, is het idee dat God zich kenbaar heeft gemaakt in de vorm van een tekst. De Wet van Mozes is het bekendste voorbeeld. Omdat dit Gods woord was, diende je het als mens serieus te overwegen maar het probleem was dat de Wet niet altijd even duidelijk was. Dus ontstonden er discussies over de juiste manier om zoveel mogelijk te leven in overeenstemming met de Wet. We spreken van halachische discussies en een van de mooiste voorbeelden is Enige werken der Wet, een de belangrijkste Dode Zee-rollen.

Lees verder “Tien teksten (deel 4)”

Tien teksten (deel 3)

Aristoteles (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Alles is water, de Babyloniërs wisten het al. Bij de schepping was nogal wat tevoorschijn gekomen uit de oerwateren en ooit waren de Zeven Wijzen, de apkallu, uit de zee geklommen om de mensheid wat wijsheid bij te brengen. De Grieken namen deze ideeën over. Alles is water, zei dus ook Thales van Milete, en hij begon te speculeren over de aard van de werkelijkheid. Het maakte indruk. Toen de Grieken eveneens het concept van “zeven wijzen” overnamen, pasten ze het niet toe op voorwereldlijke watermonsters maar op echte mensen, en rekenden ze ook Thales daartoe.

Wat ik maar zeggen wil: de Griekse filosofie bouwt voort op de Mesopotamische cultuur, die ze creatief ombouwde. Dat geldt ook voor de wetenschap: Thales kon aangeven wanneer een zonsverduistering mogelijk was en moet zijn kennis van de saroscyclus uit het oosten hebben gehaald. De Griekse filosofie ging daarna al snel wegen die niet zijn gedocumenteerd in de spijkerschriftcultuur. Het kan zijn dat de Mesopotamiërs gesprekken voerden over dezelfde vragen als de Grieken, maar als ze hun filosofische dialogen al hebben opgeschreven, zijn ze niet bewaard gebleven.

Lees verder “Tien teksten (deel 3)”