De brug over de Kwai (12)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Kleding

Bij indiensttreding kregen we uiteraard uniformen, die gezien het klimaat was gemaakt van katoen. We kregen een lange broek die van onderen heel nauw was omdat er puttee‘s omheen moesten, een jasje, hemd en onderbroek, sokken en soldatenschoenen (half-leer, half-linnen met kopspijkers op zolen en hakken), en dan puttee’s. Van alles twee. De puttee’s moest je over de onderkant van je broekspijpen en de bovenkant van je schoenen wikkelen. Tenslotte een stalen helm. Alle kleding was groen, ook ondergoed en handdoek. Eén stel kleding aan, één stel in je rugzak. Verder kreeg je een aluminium veldfles en drie etenspannetjes.

Toen we krijgsgevangen werden had iedereen in principe deze uitrusting nog (behalve de helm). Hiermee moesten we het tot het eind van de oorlog doen. Hoe het gebeurde weet ik niet meer, maar we raakten steeds meer dingen kwijt, verloren, gestolen of versleten.

Aan het eind van de oorlog had ik nog één bij de knieën afgeknipte broek aan flarden, één jasje dat ik vrijwel nooit droeg, geen ondergoed of sokken, één paar kapotte schoenen, en een soort hele korte broek gemaakt van een paar puttee’s, door mijzelf gemaakt met naald en draad. Verder had ik ook nog de etenspannetjes, veldfles en een lepel. Ook had ik een soort flanellen laken dicht genaaid tot een soort slaapzak, een kussensloop en een klamboe tegen de muskieten.

Ook bezat ik twee boeken, een Hollandse en een Engelse detective. Erg belangrijk want je kon alleen lid worden van een bibliotheek als je zelf boeken inbracht. Ik heb die jaren erg veel gelezen gedurende periodes dat er weinig werk was

Ontspanning

In tijden met weinig werk, en dat was misschien de helft van de 1200 dagen, was er veel gelegenheid tot lezen en ook voor lezingen en cursussen. Ik heb er catechisatielessen gevolgd, een beetje Spaans en Esperanto geleerd en verder beschrijvende meetkunde en ook wat differentiaal- en integraalrekening. (Daarmee heb ik in Delft een half jaar kunnen winnen op mijn studie voor natuurkundig ingenieur).

Verder waren er in de rustige periodes cabaretvoorstellingen (eens in de paar weken) beurtelings in het Nederlands en in het Engels, van amateurs, maar ook van beroepskrachten zoals Wim Kan.

Verder liep ik dagelijks bij een paar mensen langs waarvan ik uit ervaring wist, dat ze zo af en toe betrouwbare nieuwsberichten hadden. Hoe ze daar aan kwamen wist ik toen niet en nu niet.

Slotopmerkingen

Ben ik nu kwaad op de Japanners? Nee eigenlijk niet na zestig jaar. Er waren wel een aantal sadisten bij, maar ik denk dat de meeste gewone jongens waren, die ook maar als dienstplichtige waren opgeroepen en die liever naar huis wilden. Dat ze de hoogste oorlogsleiders opgehangen hebben vind ik wel terecht.

Van de sadisten is ook een aantal (200?) op Java geëxecuteerd met de kogel, meer dan er Duitsers in Nederland de doodstraf gekregen hebben.

We konden vrijwel niet met de Japanners praten. Zij kenden misschien een tiental Engelse of Maleise woorden en wij een tiental Japanse woorden. Japans heb ik nooit serieus willen leren. Het stond me tegen, en bovendien dacht ik steeds: het is de moeite niet waard de oorlog is bijna afgelopen. Na de oorlog heb ik wel redelijk Thais geleerd. De Thais vond ik sympathiek, de Javanen iets minder, maar wel begrijpelijk, gezien de manier waarop we ze voor de oorlog bejegend hadden met ons superioriteitsgevoel.

Zoals gezegd ben ik maar één keer door de Japanners geslagen. Als je hun commando’s maar opvolgde en geen dingen deed die verboden waren, had je niet veel te duchten. Ik heb blijkbaar geen heldenbloed.

Ik ben nog heel lang boos geweest op de Nederlandse regering die onze soldij over de periode van krijgsgevangenschap niet heeft willen uitbetalen. De marine kreeg het wel, want die viel rechtstreeks onder Nederland, maar wij waren KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger), vielen onder de Indische regering, en die was failliet. De Nederlandse regering liet ons stikken. Wel hebben we later (soms meer dan vijftig jaar later) verschillende malen geld van Nederland gehad voor de geleden ontberingen en het verlies aan bezittingen, maar dit mocht nooit achterstallig soldij heten.

Ik ben mij ervan bewust dat ik een aantal dingen twee keer opgeschreven heb en ook dat de volgorde niet altijd even logisch is.

De brug over de Kwai (11)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Huisvesting

Als gevangenen waren wij op Java en in Singapore steeds gehuisvest in kazernes, in stenen gebouwen dus. We werden wel nauw gelegerd. In een kazerne waar normaal tweehonderd militairen (met hun vrouwen en kinderen) in gelegerd waren, dus zeg achthonderd mensen, stopten de Japanners 3600 krijgsgevangenen. Ieder kreeg een plaatsje van 2 bij 1 meter, soms 2 meter bij 75 centimeter. Deze afmetingen hebben de hele oorlog door gegolden.

Je lag op de grond op een deken of op een matje,  matrassen waren er niet. Ik had een kussensloop waar een deel van mijn kleding in zat als kussen.

In Thailand lagen we in bamboehutten, honderd meter lang, vijf meter breed. In het midden een pad van 1 meter breed, links en rechts een verhoging van 75 cm hoog, waar wij op lagen. Ieder weer 2 bij 1 meter. Aan het hoofdeinde een schot van bilik (gevlochten bamboe) van 50 cm, daarboven 50 cm open ruimte, daarboven het atapdak dat schuin omhoog iets overstak, zodat we droog bleven. We lagen op dunne (1 tot 2 cm) bamboes. In Martonna lagen we in Japanse legertenten, twintig man in een tent van 7 bij 5 meter grondvlak. Op de grond wat dwarsbalken, daarop weer dunne bamboes.

In Nakhon Pathom lagen we in hutten van planken, overigens hutten van min of meer hetzelfde model als de bamboehutten. De planken, waar we op lagen, waren wat gladder dan de bamboes, je lag dus wat beter. Na de bevrijding lagen wij nog tien maanden in dezelfde hutten, alleen kregen we toen wat meer ruimte, zeg 2 bij 1,5 meter.

Voeding

Thuis in Indië aten wij Europees, dat wil zeggen brood en aardappels met groenten en vlees. Misschien eens in de week rijsttafel. In militaire dienst kregen we al veel meer rijst (rode rijst, dat wil zeggen zilvervliesrijst) met wat groente en vlees. Toen we gevangen waren, verdwenen brood en aardappels meteen van het menu. Ik heb vrijwel altijd genoeg rijst gehad (400 tot 500 gram per dag) om geen of weinig honger te hebben.

Meestal kregen we ‘s morgens en ‘s middags rijstepap met niets, ‘s avonds droge rijst met iets groente en ietsje vlees. Groente 20 tot 40 gram en vlees 10 tot 20 gram per dag, schat ik. Veel mensen werden ziek door vitaminen gebrek. Ikzelf heb daar gelukkig nooit last van gehad.

Te drinken kregen we meestal een soort slappe thee. Van ongekookt water kreeg je dysenterie. Ieder kamp had een keuken waar zo’n tien of twintig man in werkten; het eten werd in grote emmers naar de barak of naar het werk gebracht door de etenhalers. De etenhalers kregen daar soms een hapje extra voor.

Precies afpassen was niet mogelijk, dus er bleef altijd wat over, dat werd via strikte schema’s uit gedeeld, ieder op zijn beurt en de volgende dag de volgende groep.

Van de paar centen die we verdienden konden we soms wat bijkopen, eendeneieren, koffie per kop, reuzel (gesmolten vet in een fles, iedere dag een eetlepel), soms een plakje lever (erg duur, kostte meerdere daglonen). Soms kregen we, als de dokter dat van de Jap los kon krijgen, zo af en toe een lepel rijstslijpsel, waarin veel vitaminen zaten. Normaal was dit afval die naar de varkens ging.

Veel mensen kochten tabak van hun dagloon. Ze rolden sigaretten van die tabak, dikwijls met een soort blaadjes van planten die ze in de jungle vonden. Ik had gelukkig geen behoefte aan roken. Van de Jap kregen we soms 20 velletjes WC-papier, dat gebruikte ik om met hulp van een leraar wiskundesommen op te maken. Na afloop kreeg de leraar de velletjes om sigaretten van te rollen. Sommige mensen rolden sigaretten van de blaadjes uit hun Bijbel. De dominee zei daarvan, ik vind het niet erg, als je maar eerst ieder blaadje leest voor je het oprookt.

Van de Indische jongens leerden we dat je bepaalde blaadjes van struiken die daar in het wild groeiden tot een soort soepje kon koken, wat  vitaminenrijk was. Die soort groenten heetten bajem doeri (spinazie met dorens) en kangkong.

Medische zorg

Zoals al gezegd hadden we op iedere vijfhonderd man een eigen Nederlandse militaire dokter. Op iedere 10.000 man was er een militaire tandarts. Specialisten waren er ook, vooral chirurgen. Die doktoren hadden soms wat instrumenten en een klein voorraadje medicijnen. De Jap was uiterst karig met het verstrekken van medicijnen. Alle medicijnen waren altijd gerantsoeneerd. Als je malaria had en je koorts was 39,8 zei de dokter dikwijls “sorry maar kinine krijg je pas bij 40 graden”.  Veel mensen kregen tegen het einde iedere drie weken een malaria aanval. Ik ook.

Veel mensen kregen tropenzweren, die dikwijls zo ernstig werden dat het been geamputeerd moest worden (gevaar voor gangreen). Soms moest dat zonder verdoving gebeuren en soms met een zaag uit de timmermanswerkplaats. De meeste patiënten overleefden dat. Ik zelf heb een keer vier kleine zweertjes gehad, zo groot als een kwartje, maar sommige mensen hadden er zo groot als een schoteltje.

Veel doktoren wisten, ook al hadden ze geen medicijnen, hun patiënten moed in te spreken. Er waren er echter ook die niets meer deden en iedereen zo maar dood lieten gaan.

Het enige waar de Jap royaal mee was, waren profylactische injecties tegen tyfus, cholera en pest. Aan cholera zijn wel enkele mensen dood gegaan, aan tyfus en pest bij mijn weten niemand. De meeste doden vielen door malaria (tropicana, tertiana en quartana, soms ontaardend in zwartwaterkoorts), door dysenterie (amoebe en bacillaire), vitaminegebrek (beri-beri) en soms door algemene uitputting. Heel belangrijk was of de mensen nog toekomst zagen. Mensen die de moed opgaven, hadden weinig kans.

In augustus 1985 heeft het Nederlands tijdschrift voor geneeskunde een heel nummer gewijd aan de medische toestanden in de kampen in Azië. Er staan ook vijf artikeltjes (12 bladzijden) in van Hollandse doktoren, die aan de spoorlijn gewerkt hebben. Ik heb dat tijdschrift van mijn dochter gekregen en zuinig bewaard. Ik heb overigens een twaalftal boeken en vier videobanden over de krijgsgevangenentijd.

[Slot volgt]

Augustinus (4)

lane_fox_augustine

[Dit is het vierde deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Zoals gezegd vond ik Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions een fijn boek om te lezen en ik heb er genoeg moois in gevonden. En toch overtuigde het me niet: er zit te veel speculatie in. Nu is dat onvermijdelijk bij dit onderwerp, dat, als ik het wat deftig mag uitdrukken, een dubbele hermeneuse veronderstelt.

“Hermeneuse” is de kunst om anderen goed te begrijpen. In een gesprek is dat natuurlijk niet zo moeilijk want als je iets niet snapt, kun je opheldering vragen. Het wordt al iets lastiger als je iets leest, want dan moet je de auteur zien te bereiken. Als de auteur dood is, schreef in een vreemde taal en leefde in een ons volstrekt vreemde samenleving, is antwoord uitgesloten. De aanname achter de wetenschappelijke hermeneuse is dat we desondanks toch zijn bedoeling wel enigszins kunnen benaderen: we lezen een tekst, vormen een beeld van het geheel en begrijpen – als we de tekst herlezen – de details beter doordat we weten wat we mogen verwachten, en doordat we de details nu snappen, begrijpen we de hoofdlijn weer beter. Dat is een in principe eindeloze cyclus, waarin je steeds beter begrijpt wat de tekst betekent, zeker als je haar leest met andere teksten en dezelfde cyclus toepast op de antieke samenleving. Zo zou je inzicht in een oude tekst uit een vervlogen tijd moeten groeien, maar de discussies die al twee millennia over de Bijbel worden gevoerd illustreren dat het niet per se leidt tot consensus. Er blijft een fors subjectief element.

Lees verder “Augustinus (4)”

Augustinus (3)

De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan).
De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan).

[Dit is het derde deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus mocht in het klooster dan een prettige levensvorm hebben gevonden, hij bleef twijfelen. Hij denkt in vragen – als manicheeër al en na zijn bekering tot het christendom niet minder. We herinneren ons dingen, maar waar komen die herinneringen vandaan? Hoe kan in zoiets kleins als ons lichaam zo onmetelijk veel informatie liggen opgeslagen? En hoe zit het met voorstellingen die we ons kunnen maken van dingen die we nog nooit hebben gezien? Of neem dit: als kind denk en redeneer je als kind, als volwassene denk je weer anders, maar waar is die kindertijd gebleven?

In feite was Augustinus begonnen de diepten van de menselijke geest te peilen en onderzocht hij wat “ik” nu eigenlijk was. Dat levert fenomenaal proza op dat in feite onvertaalbaar is. “Jij (= God) zat dieper in mij dan ikzelf” is omslachtiger dan het laconieke Latijnse interior intimo meo. (Let op het beginrijm en het klankspel.) Of bedenk eens wat mihi quaestio factus sum, “ik ben mezelf een raadsel geworden”, van indruk moet hebben gemaakt op lezers die anderhalf nillennium leefden voordat Freud het onbewuste uitvond.

Lees verder “Augustinus (3)”

Augustinus (2)

Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.
Het keizerlijk hof (op een reliëf uit Istanbul). Augustinus zou bij officiële gelegenheden ergens op de bovenste rij hebben gezeten, in de nabijheid van de keizerlijke familie, verheven boven de stedelijke menigte.

[Dit is het tweede deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Augustinus werd geboren in Thagaste, het huidige Souk Ahras in noordoost Algerije, en had het geluk dat een rijk man wel iets zag in de intelligente jongeman – want intelligent moet je zijn om de Categorieën van Aristoteles door zelfstudie te begrijpen. Augustinus’ patroon zorgde ervoor dat hij een goede opleiding kreeg en de jonge man vestigde zich in Karthago als leraar in de welsprekendheid. Een belangrijke baan: in een halfgeletterde samenleving als het Romeinse Rijk, waarin alle besluitvorming mondeling plaatsvond, was het voor elke bestuurder van wezensbelang dat hij zich goed kon uitdrukken. Scholing in de welsprekendheid was daarom een voorwaarde voor iedereen die iets wilde bereiken. Die scholing hield overigens meer in dan alleen het componeren van een goede toespraak: het was een volledig cultureel programma dat iemand definieerde als beschaafde Griek of Romein.

In deze Karthaagse jaren behoorde Augustinus, zoals gezegd, bij een manichese sekte. De hoofdstukken die Lane Fox eraan wijdt, vond ik erg informatief, al troffen de beschreven rituelen me als zó bizar dat ik moeite had te geloven dat de reconstructie correct was. Een interessant probleem is hier dat we niet weten kunnen welke delen van de manichese teksten letterlijk zijn bedoeld en welke overdrachtelijk moeten worden gelezen. Waar een hedendaagse oudheidkundige een moderne christen kan vragen wat is bedoeld met het op het eerste gehoor kannibalistisch klinkende “dit is mijn lichaam”, is hij hulpeloos bij een manichese tekst.

Lees verder “Augustinus (2)”

Augustinus (1)

Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)
Achttiende-eeuws portret van Augustinus (Porta Nigra, Trier)

Manicheïsme is een antieke godsdienst waarin de kosmos werd voorgesteld als een eeuwige strijd tussen het goede en het kwade, tussen licht en donker, tussen geest en materie. Lange tijd is er weinig over bekend geweest: hoewel het in de Vroege Middeleeuwen een wereldreligie was, ging het manicheïsme ten onder in de concurrentie met het christendom en de islam. Er waren geen kopiisten voor de manichese teksten, die dus – zoals zoveel antieke literatuur die uit de mode raakte – verloren gingen. Alleen langs de Zijderoute, waar lange tijd allerlei religies naast elkaar bestonden, overleefde het, tot de Mongolen de laatste gelovigen doodden. De manichese opvattingen waren zodoende lange tijd vooral bekend uit de strijdschriften van hun tegenstanders, zoals Tegen de manicheeërs van bisschop Augustinus van Hippo (354-430), die enkele jaren lid was van een manichese sekte.

Aan het begin van de vorige eeuw veranderde de situatie, toen in Centraal-Azië enkele oeroude manichese teksten werden ontdekt. Verder beschikken we over de Tebessa Codex en de Keulse Mani-codex, een boekje zo klein als een luciferdoosje. De belangrijkste tekstvondsten komen echter uit de bibliotheek die in 1930 is ontdekt bij het Egyptische Medinet Madi: preken, een boek met de titel Synaxeis (“de vergaderingen”), een boek met antwoorden op vragen van gelovigen (de Kefalaia, “hoofdstukken”) en een enorm boek met manichese psalmen. De bibliotheek is samengesteld rond 400, dus in de tijd van Augustinus. Dit materiaal is de laatste jaren uitgegeven door de Chester Beatty-bibliotheek in Dublin.

Lees verder “Augustinus (1)”

Planetenjacht

komkommer

Dat was leuk nieuws: dat er een niet al te grote planeet is ontdekt bij de ster Proxima Centauri. Op “slechts” vier lichtjaar van de zon, dus letterlijk bij de buren. Ik heb het met plezier gelezen. Tegelijk moet me van het hart dat het me nu ook weer niet zúlk belangrijk nieuws lijkt. Het zou veel opmerkelijker zijn geweest als er géén planeten waren bij Proxima Centauri.

Ik herinner me nog goed dat in 1995 de eerste planeet werd ontdekt bij een andere ster dan de zon. In de eenentwintig jaar die sindsdien zijn verstreken, zijn er vele honderden gevonden, ik meen ruim 3500. Eerst waren dat gasreuzen als Jupiter, die werden ontdekt doordat ze zó zwaar waren dat ze hun ster deden wiebelen. Dat valt te herkennen aan het dopplereffect, waaruit ook de massa van die planeet viel af te leiden.

Lees verder “Planetenjacht”