Het was 2 november in het jaar waarin Julius Caesar en Servilius Isauricus consuls de Romeinse consuls waren. Hulpvaardig als ik ben reken ik dat voor u om tot 19 september 48 v.Chr. Zodoende weet u dat u weer bent beland in de niet geheel accuraat als “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” aangeduide reeks.
Niet geheel accuraat, want wat Caesar zelf deed, weten we niet zo goed. Hij was, zijn rivaal Pompeius achtervolgend, beland in een Egyptische burgeroorlog: de Alexandrijnse Oorlog. Caesar probeerde die te bedwingen, want ook iemand die een succesvolle staatsgreep heeft uitgevoerd wil geen gedonder in een nabij buitenland. De 3000 soldaten van het Zesde Legioen Ferrata en het Zevenentwintigste Legioen bleken echter te weinig om zijn wil op te leggen. Hij had zich daarom teruggetrokken in het koninklijk paleis van Alexandrië. Daar had, zoals we vorige maand zagen, een van de Ptolemaïsche troonpretendenten zich bij hem aangediend: Kleopatra VII Filopator.
Genezing van een blinde (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)
Ooit dineerde ik in Griekenland bij een familie thuis en toen het tijd werd af te ruimen, nam ik het tafellaken om het vanaf het balkon uit te kloppen. Mijn gastvrouw kwam ietwat lacherig op me af: “Dat hoeft niet, kruimels in de tuin trekken boze geesten aan”. Het was mijn eerste kennismaking met het Mediterrane volksgeloof in geesten. Een geloof dat ook in de oude wereld is gedocumenteerd. Bisschop Synesios van Kyrene, een heel geleerd en rationeel man, was er zeker van dat een moordenaar zich het beste kon aangeven om zich te laten executeren, opdat zijn geest niet zou blijven rondspoken. Ik neem zonder bewijs aan dat het geloof in geesten sinds de Oudheid via de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd continu aanwezig is geweest.
Alledaags antiek exorcisme
Dat ook Jezus boze geesten uitdreef, lijkt me een feit. Wat daarbij de empirische werkelijkheid is geweest, is niet belangrijk. Ik wil u best wel trakteren op wat obligaat gegemeenplaats over dat geesten niet bestaan en dat mensen met een geestelijke ziekte wellicht rust vonden bij Jezus’ charismatische persoonlijkheid, en wie weet is dat waar, maar aangezien de betrokkenen al een millennium of twee dood zijn, is het opstellen van een medische status nogal lastig. Ik laat die vraag, even onbeantwoordbaar als oninteressant, verder onbesproken. Wat te weten valt, is alleen dat zijn tijdgenoten dachten dat Jezus geesten kon uitdrijven.
Grieks theatermasker (Archeologisch museum van Selçuk)
Onze kennis over de Griekse toneelschrijver Karkinos komt voornamelijk uit twee bronnen. En dan nog is het niet veel. De eerste bron is de Suda, een kolossale Byzantijnse encyclopedie uit de tiende eeuw na Chr. (Suda is Byzantijns Grieks voor ‘magazijn’, een opslagplaats voor wetenswaardigheden dus.) ‘Karkinos’ is in de Suda een van de 30.000 trefwoorden.
We lezen daar, dat hij ‘op z’n akmê was tijdens de honderdste Olympiade’. Dat is een typische manier van Griekse historiografen om iemand te dateren: ‘akme’ betekent ‘toppunt’, ‘rijpheid’ en verwijst naar een leeftijd van ca. veertig jaar, als iemand geacht werd op het hoogtepunt van zijn creatieve vermogens te zijn. Karkinos’ akmê viel dus in de honderdste Olympiade, d.w.z. in het honderdste viertal jaren na de allereerste Olympische Spelen. Volgens de legende vonden die plaats in 776 v.Chr., en dat betekent dus dat Karkinos volgens de Suda ongeveer veertig geweest moet zijn in de periode 380-376/375 v.Chr. Verder memoreert de Suda dat Karkinos weliswaar 160 toneelstukken op zijn naam had staan, maar dat hij er slechts met één daarvan ooit een prijs won. Dat is aanzienlijk sneuer dan misschien lijkt, want Griekse toneelstukken werden altijd voor een wedstrijd geschreven en slechts in competitieverband opgevoerd.
Mijn reactionaire visie op de wetenschap is geen geheim. Begin eens met het herstel van voldoende brede opleidingen. Of liever, denk aan een alternatief voor de universiteit, want het huidige instituut is slecht voor het personeel, slecht voor de wetenschap en slecht voor de samenleving. Verder is mijn enige politieke oordeel dat mensen die het hebben over “rechts” of “links”, doorgaans weinig interessants te zeggen hebben.
Ooit hadden die woorden betekenis. Namelijk toen “rechts” stond voor het bewaren van gevestigde normen en waarden, die immers het cement van de samenleving vormen, en toen “links” stond voor het kritisch bevragen van de heersende ideologie, die immers voortdurende herijking verdient aan de veranderende omstandigheden. Maar die betekenissen zijn vergeten. Al in 1982 wees Renate Rubinstein erop dat het woordenpaar op zoek was naar betekenis. Inmiddels worden “links” en “rechts” alleen nog gebruikt ter typering van degenen waarmee je het oneens bent. Betekenisloos.
Tot de blogs die een mens elke ochtend even moet bekijken, behoort Neerlandistiek, waar Marc van Oostendorp gisteren een erg leuke bijdrage had over de politieke vraag hoe eerlijk het is dat Engels ’s werelds nationale voertaal is. Het International Journal of the Sociology of Language besteedt daaraan aandacht en er zijn, schrijft Van Oostendorp, drie standpunten.
Je kunt het Engels zien als de drager van groot sociaal onrecht en van Anglo-Amerikaanse dominantie op het wereldtoneel; of je kunt het zien als een manier waarop individuen vooruit kunnen komen in de wereld; of als een noodzakelijk instrument om wereldwijd de democratie en de rechtvaardigheid te doen toenemen.
Ik heb geen idee hoeveel pelgrims in de Romeinse tijd Byblos bezochten om de Dame van Byblos en Adonis te vereren. Ik heb nog minder idee van het aantal dat verder reisde de bergen in, maar het was voldoende om een weg voor ze aan te leggen. Een deel daarvan is nog te zien in het natuurreservaat dat bekendstaat als Jabal Moussa, de Mozesberg. Nog wat verderop was bij het huidige Afqa de bron van de rivier de Adonis, waarover we al eens een filmpje toonden.
Latijnse teksten zijn in Brepols’ Library of Latin Texts (klik=groot)
Latijn is oorspronkelijk de taal van de bewoners van Rome en het gebied eromheen, Latium. De oudste resten van het Latijn dateren uit de zevende en zesde eeuw v.Chr. Uit de derde eeuw v.Chr. hebben we al wat langere teksten, uit de eerste eeuw v.Chr. hebben we de teksten van Cicero, en uit dezelfde tijd of de eeuw erna de teksten van bijvoorbeeld Caesar, Vergilius, Horatius, Ovidius en Livius. Vanaf de tweede eeuw na Chr. komen de christelijke teksten, met als belangrijkste vertegenwoordiger Augustinus.
Langzamerhand ontwikkelen het geschreven Latijn en de gesproken talen zich uit elkaar, waardoor de Romaanse talen ontstaan. Vanaf ongeveer de zesde en zevende eeuw na Chr. is Latijn eigenlijk niemands moedertaal meer. Het bleef echter bestaan als het communicatiemiddel in Europa. Iedereen die lezen en schrijven geleerd had en iets mee te delen had, bleef dit in het Latijn doen. Pas eeuwen later zetten de volkstalen zich ook als schrifttalen door, maar Latijn blijft tot op de dag vandaag een taal, waarin mensen met elkaar communiceren. Een spannende vraag is, wanneer eigenlijk het meest in het Latijn geschreven werd.
Griekse votieftekst uit Sisak (Archeologisch museum, Zagreb)
Stel, je zou iets willen weten over de oude wereld. Dat komt voor. Dan kun je een oude taal leren. Nu verwerf je die niet door even een programmaatje op te laden in je mentale computer. Het vergt jaren. Daaraan helpt geen moedertje lief, maar je kunt het rendement van de onvermijdelijke inspanning verhogen door te beginnen met een taal waarin veel is geschreven. Leespleziermaximalisering. Je begint dus niet met het piepkleine Vroeg-Elamitisch, dat we kennen uit veertig teksten in een pas-ontcijferd schrift, maar met talen die de belofte inhouden van hele boekenkasten aan leesplezier. Grieks of Latijn dus.
Voordeel van het laatste is dat het een levende taal is, waarin je bijvoorbeeld de krant of een kinderboek kunt lezen of de radio beluisteren. Dit contemporaine Latijn ontwikkelt zich en kent neologismen, waarbij er wat discussie bestaat over de vraag of die gebaseerd moeten zijn op antieke vormen of dat leenwoorden uit moderne talen zijn toegestaan. Heet een drone in het Latijn aeria navis sine gubernatore of houd je het toch maar op dronus? Deze discussie speelt natuurlijk bij alle levende talen: vervaardig je een woord uit wat al aanwezig is in de eigen woordenschat of pas je een buitenlands woord aan?
Wie van alle antieke talen kiest voor Latijn, heeft dus het voordeel dat ook de middeleeuwse, de kerkelijke en de humanistische literatuur voor hem open gaat, dat wetenschappelijke nomenclatuur begrijpelijk is (Passer domesticus, Homo sapiens…) en dat alle ietwat pedante motto’s (ex luna scientia,eripiendo victoriae prosum…) begrijpelijk zijn. Zulks geldt voor alle oude talen, zoals Grieks en Hebreeuws.
De grootste oude taal
Maar als u alleen antieke teksten lezen wil, welke taal is dan het grootst? Dat heeft de Duitse egyptoloog Carsten Peust ooit uitgezocht. U vindt het artikel in Lingua Aegyptia 7 (2000) en het heet “Über ägyptische Lexikographie 2: Versuch eines quantitativen Vergleichs der Textkorpora antiker Sprachen”.
Het is een Versuch, want welbeschouwd heeft Peust een onmogelijke vraag gesteld. Hoe wil je een dode taal, waar geen woord meer bij komt, vergelijken met een levende? Peust lost het op door een eindgrens rond 300 na Chr. te trekken. Daar valt iets voor te zeggen, want in de vierde eeuw veranderden de Griekse en Latijnse literatuur van karakter. Net als in het Aramees, waarin deze omslag al eerder begint, komen er steeds meer christelijke teksten. Literair bezien is de Oudheid dan voorbij en begint de tijd die we Late Oudheid noemen. Maar het betekent dus dat belangrijke teksten als de Babylonische Talmoed buiten beschouwing blijven.
Een tweede punt: Peust kan het alleen hebben over gepubliceerd materiaal. De Archimedespalimpsest (uitgegeven in 2008) en na 2000 ontdekte papyri, inscripties en kleitabletten blijven buiten beschouwing. Hij doet ook geen schattingen over wat nog ontdekt zou kunnen worden, hoewel zoiets voor de 100.000 onuitgegeven kleitabletten in het British Museum best mogelijk is.
Een derde observatie: Peust telt ieder overgeleverde woordvorm, behalve bij parallelle teksten. Spreuken die zijn overgeleverd in én het Egyptische Dodenboek én de Sarcofaagteksten, komen dus maar een keer voor. Het blijft wat problematisch, want wat doe je als een Griekse auteur een eerdere auteur citeert?
Tot slot: wat is een woordvorm eigenlijk? Zou een Nederlands woord als “doorgaan”, dat gesplitst kan worden tot bijvoorbeeld “zij gaat door”, tellen als één woord of als twee? Bedenk dat diverse talen hier andere regels hebben.
De resultaten
Kortom, Peust heeft een onmogelijke vraag gesteld. Bovendien moet hij zich bedienen van ongelijksoortige databestanden. Met alle voorbehouden van dien is er toch wel een lijstje te maken.
Als de Talmoed mee had gedaan, zou het Hebreeuws zeker hoger zijn geëindigd. Je zou willen dat het Fenicisch wat groter was – al zou je dat natuurlijk van alle talen willen. Aan het Oud-Arabisch is de laatste jaren tienduizenden inscripties toegevoegd. Gallisch ontbreekt. En het Akkadisch, de taal van de Babyloniërs en Assyriërs, zal tweeëntwintig jaar na Peusts publicatie wel wat groter zijn, want het ene na het andere kleitablet wordt gepubliceerd. Het Akkadisch zal het Latijn inmiddels wel hebben ingehaald als op één na grootste antieke taal. Als het u boeit: hier kunt u uw studie beginnen.
Kritiek
Peust zelf heeft alle mogelijke voorbehouden gemaakt en slagen om de arm gedaan. Hij heeft nooit meer geclaimd dan het leveren van een schatting. Toch kun je je afvragen of hij geen scherpere schattingen zou hebben kunnen doen. Voor het Latijn baseert hij zich namelijk op het aantal Zettel, steekkaarten, in de Thesaurus Linguae Latinae, waarover Josine Schrickx eerder scheef. Peusts keuze is problematisch, want tot ongeveer de tweede eeuw na Chr. heeft elk woord een eigen Zettel, terwijl voor de periode daarna alleen nog nieuwe woorden of woorden met een nieuwe betekenis een kaartje kregen. Anders gezegd: de vroege periode is oververtegenwoordigd. Voor de latere periode gebruikt de TLL ook zogenoemde Indexzettel, waarbij één Zettel kan verwijzen naar vele passages.
Schrickx was zo attent een nieuwe schatting te maken, en kwam tot een kleine 5.875.000 woorden voor het Latijn van voor 300 na Chr. Daarmee zakt de taal dus weg uit de top-drie en moet het Latijn niet alleen het Grieks, maar ook het Akkadisch en Egyptisch voor laten gaan.
Muurschildering uit Tyrus (Nationaal Museum, Beiroet)
Ik verdien mijn geld, zoals u wellicht weet, met wat journalistiek werk, met cursussen over de Oudheid en als reisleider. Geen van die activiteiten is voldoende om van te leven maar in combinatie kom ik een eind. En doordat ik lid ben van een vennootschap, hoef ik niet elke opdracht aan te nemen. Zo kan ik onafhankelijk blijven. Ik ben namelijk geen veilingmeester die alles kan aanprijzen. Als ik schrijf, is het over iets waar ik achter sta. Als ik een reis begeleid, is het naar bestemmingen die ik ook zelf interessant vind.
Zoals Libanon.
Ik heb op deze blog pas 200 keer geschreven dat ik dat een interessant land vind. Niet alleen omdat het een rijk verleden heeft, maar ook omdat het een gevarieerde bevolking heeft en omdat de mensen zo opvallend vriendelijk zijn. Oké, de oosterse gastvrijheid is een cliché, maar dat betekent niet dat er geen waarheid in zit. De Libanezen zijn echt aardig. En ze verdienen beter dan de huidige puinhoop. Bijvoorbeeld dat mensen belangstelling voor hen tonen. Alleen al om die reden ben ik blij dat het RMO me heeft gevraagd het publieksboek te helpen maken van de Byblos-expositie (u bestelt het hier).
We hadden het over het verhaal over de genezing van de verlamde. Naast de versie van Marcus, waarover ik het in het vorige blogje had, is er een versie van Johannes. Die is opvallend anders.
Voor ik u die te lezen geef, even een tekstkritische kwestie: in de NBV21 is ervoor gekozen een bijzinnetje weg te laten dat niet in de oudste manuscripten staat en vermoedelijk een later ingevoegde toelichting is. Dat zinnetje luidt dat er weleens een engel neerdaalde die het water van Betzata in beweging bracht en geneeskrachtig maakte.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.