Nog één keer dan: de limes (3)

Woerden, Drive-in Museum: een voorbeeld van goede eerstelijns-voorlichting, die het mogelijk maakt de grote musea voor de tweede lijn te gebruiken. Wat overigens nog onvoldoende gebeurt.

[In het eerste deel van dit stuk legde ik uit dat de huidig limes-voorlichting de cruciale doelgroep niets biedt en de al bekende infrastructuur negeert waarlangs mensen hun informatie vinden. In het tweede deel vertelde ik dat je voorlichting niet moet beginnen bij de partijen die je toevallig kent, maar dat je moet vertrekken van het eigenlijke verhaal. Daar moet je dan de middelen en partijen bij zoeken die het met de juiste middelen aan de juiste doelgroepen kunnen vertellen.]

Doelgroepen

Goed, als we een “eigenlijk verhaal” hebben, kunnen we kijken naar de mensen voor wie het is bedoeld. Niet iedereen heeft immers dezelfde informatiebehoefte. Voor sommige mensen is het voldoende te weten dát twee meter onder deze of gene plek de resten liggen van dit of dat Romeinse fort. Het bord waarop dat staat uitgelegd zal voor menigeen overigens niet meer zijn dan de zoveelste toeristische informatie langs de weg, die je ter kennisgeving aanneemt.

Lees verder “Nog één keer dan: de limes (3)”

Nog één keer dan: de limes (2)

De Muur van Hadrianus: voorbeeld van een clausura.

[In het eerste deel van dit op verzoek geschreven stuk legde ik uit waarom de huidige limes-voorlichting contraproductief is: ze biedt de cruciale doelgroep niets. Ze verspilt ook geld omdat ze de infrastructuur negeert waarlangs mensen al informatie vinden. Een en ander is het gevolg van het feit dat men achterstevoren werkt: de limes-organisaties zijn niet begonnen met het vaststellen van ze wilden vertellen om daarna uit te zoeken met welke partijen ze dat wilden doen, maar zijn uitgegaan van het aanbod van de partijen die toevallig al bekend waren. Niet datgene wat noodzakelijk was, maar dat wat in de rolodex zat, is bepalend geworden voor dit project.]

Het eigenlijke verhaal

Hoe begin je met een project om de limes wat meer aandacht te geven? Bij het eigenlijke verhaal. OCW financiert de culturele sector niet om de burgers wat feiten toe te werpen: “cultuur verrijkt het individu en verbindt de samenleving”, lees ik op de website van het ministerie, en het heeft “waarde voor onze identiteit en geschiedenis”. Cultuur is een poging het eigen denken beter te doorgronden. Dit moet ook ons vertrekpunt zijn.

Eén mogelijkheid is erop wijzen dat de limes de omkering vormt van het Gelderse geschiedbeeld: ooit hadden we een redelijk pluriform beeld van het verleden waarin “we” Germanen waren. De limes legt het accent voor de oude geschiedenis van Nederland nogal eenzijdig op degenen die vroeger de “ze” waren. Dit is een interessante omkering: vaderlandse geschiedenis wordt hier ingeruild voor Europese. We leven in een verenigend Europa en de geschiedenis verandert mee.

Lees verder “Nog één keer dan: de limes (2)”

Nog één keer dan: de limes (1)

De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

Ik blogde onlangs over de wijze waarop de limes-berichtgeving, door gebrek aan gewicht, als clickbait meewaaide met reclame voor de gemeente Voorschoten. Dat was niet fijn: noch de limes noch de gemeente heeft er voordeel van dat wethouder Marcel Cramwinckel werd neergezet als Tjolk Hekking. Verschillende ambtenaren vroegen me om toelichting en ik leg daarom nog eens uit waarom de limes-voorlichting contraproductief is, wat je daar nu eigenlijk wil vertellen, hoe het beter kan en hoe zowel een gemeente als de limes-organisaties er voordeel van zouden hebben. Simpel samengevat:

  • ga niet uit van wie toevallig informatie aanbiedt maar ga uit van een reëel bestaande informatiebehoefte
  • de wetenschap hoeft het eerste en laatste woord niet te hebben maar de wetenschap negeren is nou ook weer niet nodig.

Voor de vaste lezers van deze blog: u weet dit al, want dit vertelde ik op een limes-netwerkdag, ik schreef erover in mijn veelgelezen limesmoeheid-stuk en ik besprak het in mijn praatje op de VU. Reguliere lezers van deze blog adviseer ik niet verder te lezen.

En vooraf ook nog even dit. Als ik beschrijf dat er rond de limes dingen fout gaan, doel ik niet op de talloze vrijwilligers die gratis en voor niets uitleg geven. Ik heb het over de bestuurlijke kant van de zaak. Ook daar is aan goede bedoelingen geen gebrek, maar er zijn inzichten in wetenschapscommunicatie die nog onvoldoende worden toegepast.

Lees verder “Nog één keer dan: de limes (1)”

MoM | Vergelijkingen (2)

Tja, je kunt de muur van Donald Trump vergelijken met die van Hadrianus, en dan iets brommen over migratie, maar het verleden laten wat het is en het heden rustig aan de hand van beschikbare cijfers analyseren is vruchtbaarder.

[In het eerste deel legde ik uit dat vergelijkingen tussen nu en de Oudheid lastig zijn. Je zult minimaal het comparandum moeten rechtvaardigen.]

Nog een voorbeeld

Hier is nog een voorbeeld van hoe het niet moet: “Immigration: How ancient Rome dealt with the Barbarians at the gate”. Voor een analyse van de redenatiefouten verwijs ik naar een stuk van Jeroen Wijnendaele van de Universiteit in Gent, te vinden op zijn Facebookpagina. U moet het daar maar even lezen; ik citeer alleen de conclusie

The ultimate premise is that Roman society is our logical western antecedent, that “we” are just as Rome, and that the problems of our world mirror theirs et vice versa. It does not. Roman history is best studied for its own sake, not to advise us on contemporary world problems, because the two are manifestly worlds apart.

Het is krek zo. Wie de huidige vluchtelingencrises wil begrijpen, kan met vrucht de hedendaagse werkelijkheid analyseren. Gewoon de statistieken nuchter lezen dus en onderzoek doen naar de oorzaken. Dat is een vruchtbaarder aanpak dan de Oudheid erbij halen. Wie de ondergang van het Romeinse Rijk wil begrijpen en er een vergelijking bij wil halen, kan een vergelijking maken met de ondergang van Achaimenidisch of Sasanidisch Perzië of de periode van de Drie Koninkrijken in China.

Lees verder “MoM | Vergelijkingen (2)”

MoM | Vergelijkingen (1)

Een herder: zomaar een beroep uit een agrarische samenleving

Een van de boeiendste klassieke auteurs is Appianus van Alexandrië. Om dat te begrijpen even dit: in zijn tijd waren alle historici nog methodisch individualisten, wat wil zeggen dat ze, als ze oorzaken zochten, alleen wezen op individuen. In zijn analyse van het uitbreken van de Romeinse burgeroorlogen kijkt Appianus echter verder: hij begreep dat er bovenindividuele factoren waren, die wij zouden aanduiden als werkloosheid, agrarische crises en schuldenproblematiek. Ik blogde er al eens over. In de zin dat hij zijn tijd een eeuw of achttien vooruit was, was Appianus een soort Archimedes. Wie zegt dat er in de geesteswetenschappen geen vooruitgang is en dat er alleen veranderende inzichten zijn, bewijst vooral zijn eigen onkunde.

Appianus roept ook dezelfde vragen op als Archimedes. Door welke omstandigheden zag hij het scherper? Waarom zagen anderen niet wat hij zag? Waarom pikten ze het niet op? Waarom herkennen hedendaagse wetenschappers het wel? Niet kapot te krijgen dus, Appianus, maar toen twee jaar geleden een (mooie) vertaling verscheen, benadrukten recensenten steeds de parallellen tussen de burgeroorlogen en de actuele politieke situatie. Dat is om drie redenen vreemd. Eén: het is zoiets als Archimedes gebruiken als bron voor het hellenistisch badwezen en vergeten dat hij als eerste een natuurwet beschreef. Twee: de vergelijking is op het obscene af platvloers. Drie: als Mark Rutte een even vulgaire vergelijking maakt tussen Europa en de ondergang van het Romeinse Rijk, klinkt er protest, maar als Appianus wordt gereduceerd tot lachspiegel, is het stilzwijgen oorverdovend.

Lees verder “MoM | Vergelijkingen (1)”

Zo’n dag waarop het geluk je toelacht (2)

Dat u het maar weet: ze halen bier gewoon uit een beekje.

Ik had u achtergelaten langs de weg vanuit Tervuren naar het oosten, op een kasseienweg. Zonder dat er werkelijk veel spectaculairs viel te zien, was het landschap absoluut prachtig. Ik reed dwars door de glooiende velden, met een lichte wind in de rug, op een stralend zonnige dag maar zonder dat het al te warm was. Wat wil een mens nog meer?

Bij Loonbeek dook ik een dal in, zodat ik meteen weer een stevige helling op moest, maar daarna wachtte een stuk asfaltweg waarop ik probleemloos naar Sint-Joris-Weert reed. (Heerlijke plaatsnaam overigens, Vlaamser kan het nauwelijks.) Er was daar een spoorwegviaduct dat me trof als het soort industriële monument waar ik erg van houd. Via Nethen reed ik door een beekdal verder naar Hamme en ik kon alleen maar denken dat het mooi was.

Op weg van Nethen naar Hamme

Na Deurne wilde ik verder naar Bevekom maar ik zag alleen bordjes naar Beauvechain en het duurde even voordat het muntje bij me viel. Ik deed wat inkopen – een mens kan niet zonder cola – en fietste verder over de Rue des Anges, waarna ik op de meest horribele kasseienstrook kwam die ik van mijn leven heb meegemaakt. Maar wat was het hier mooi!

Ik had eigenlijk via Hoegaarden en Neerwinden naar Landen willen gaan, maar het begon inmiddels laat te worden. Van een bezoek aan Hasselt of het museum in Tongeren kon sowieso al geen sprake meer zijn, maar als ik Maastricht nog wilde bereiken voor de laatste trein zou vertrekken, moest ik zo zoetjesaan voort gaan maken. Via Honsem, Willebringen peddelde ik naar Kumtich, waar ik op de grote weg naar Tienen kwam. Hier kon ik tempo maken.

Tienen oogde leuk en ik was er graag wat langer gebleven, maar ik besloot toch verder te gaan. De cola deed zijn werk: in drie kwartier reed ik over de kaarsrechte steenweg naar Sint-Truiden. Ik ben geen wielrenner, maar ik vind het fijn om in cadans te rijden en hier kon ik gewoon lekker doortrappen. Het spreekwoordelijke “blik op oneindig, verstand op nul”. Wat overigens het heerlijke bijeffect heeft dat je gedachten alle kanten op springen en je het ene leuke idee na het andere hebt, zodat ik in Sint-Truiden nogal wat had in te spreken op mijn voice-recorder.

Opnieuw een leuke stad, waar ik nog eens terug wil komen, maar ik besloot toch verder te gaan. Het stuk naar Tongeren was wat lastiger. Drie vervelende klimmen haalden het ritme eruit, maar een goed uur later was ik er toch. Het was inmiddels donker. Fietsen is dan anders, maar gek genoeg overvalt me op zulke momenten, zelfs als ik langs een drukke weg rijd en regelmatig last ondervind van de te heldere koplampen van tegemoetkomende auto’s, een enorm gevoel van sereniteit.

Tongeren

Ik dacht dat het nog dertig kilometer was naar Maastricht en dat vond ik eigenlijk teveel, dus ik overwoog een hotel te nemen, maar het bleek maar twintig kilometer, wat ik weer wel aanvaardbaar vond. De klim uit Tongeren viel me zelfs reuze mee.

Ik had even willen neerstrijken bij een frietkot ter hoogte van Genoelselderen waaraan ik goede herinneringen had, maar het bleek onvindbaar. Het bordje “Genoelselderen” dat ik graag had gefotografeerd om naar mijn zakenpartner te appen, zag ik in het donker ook niet. (Twee weken geleden kon ik hem “Aalst” sturen en als u het grapje niet snapt, moet u die twee plaatsnamen maar even googelen. In Peutie kom ik nog weleens, Zwevezele ligt wat uit de richting.)

Enfin. Het werd koud en bij de brug over het Albertkanaal trok ik mijn jas weer aan. Ik rolde Maastricht binnen en realiseerde me wat de dag zo heerlijk had gemaakt: dat ik in België vrijwel nergens de verkeersdrempels had gezien die in Nederland bij werkelijk iedere zijstraat overbodig lijken te liggen zijn. Ik overwoog nog even een vriend te bellen of ik langs kon komen, maar het was eigenlijk al wat te laat, dus ik reed naar het station, kocht sushi en sinaasappelsap, zocht een plek in de trein naar Amsterdam, deed mijn oordoppen in en zette mijn koptelefoon erover heen, en verdiepte me in een boeiend boek.

Je bent achttien uur de stad uit en als je thuis bent, denk je dat je een week op vakantie bent geweest. Ik zal al met al een kleine 120 kilometer hebben gefietst. Het had niet veel meer moeten zijn, maar dit was precies binnen de grenzen van wat ik aankon zonder me te forceren. Heerlijk, zo’n dag waarop het geluk je toelacht in alle gedaanten: een aardige conducteur, zon, een boeiend museum, een mooi landschap, charmante stadjes, verkeersdrempelloze wegen en een fijn boek.

Zo’n dag waarop het geluk je toelacht (1)

Belgen zijn niet twee- maar drietalig

Het Afrikamuseum in Tervuren (ten oosten van Brussel) is heropend en ik had tegenstrijdige verhalen gehoord over de wijze waarop het museum nu zou omgaan met de welbeschouwd nogal koloniale collectie en het al even koloniale gebouw. Aan de ene kant waren mensen die vonden dat een wel heel diepe buiging was gemaakt naar politiek-correct denken, aan de andere kant oordeelde een anti-racisme-werkgroep van de VN dat het museum niet ver genoeg was gegaan. Alle reden om eens een kijkje te nemen.

Het plan was daarna naar het oosten te fietsen. Met wat geluk kon ik in Tongeren nog even naar de Stonehenge-expositie of even langs bij een kennis in Hasselt, met wie ik al weken probeer een afspraak te maken en wiens nummer ik netjes in mijn telefoon had geprogrammeerd voor het geval het inderdaad mocht lukken. Alles zou staan of vallen met een vroege aankomst in Brussel. En dus stond of viel alles met een vroeg vertrek uit Amsterdam. En dus ging de wekker al om kwart voor zes en dus kocht ik slaperig – me licht ergerend aan het luide gesprek bij de kaartjesautomaat naast me – een kaartje voor mijzelf en een kaartje voor mijn fiets, checkte in, plaatste mijn fiets in het daarvoor bestemde compartiment en plofte neer in een verder lege coupé.

Lees verder “Zo’n dag waarop het geluk je toelacht (1)”