
De Engelsman George Smith, die leefde van 1840 tot 1876 en dus niet heel oud is geworden, is een van de grote helden uit de oudheidkunde. Hij was, zoals dat destijds heette, afkomstig uit de werkende klasse, maar was gefascineerd door alles wat Mesopotamisch was en had zichzelf spijkerschrift geleerd. Een moeilijk schrift dat juist in deze tijd voor het eerst werd begrepen. Omdat hij er buitengewoon handig in was, kreeg hij een aanstelling in het British Museum, waar hij op een dag in 1872, werkend in de statige Arched Room, de vondst van zijn leven deed.
De scène zou zo in een film kunnen: van pure opwinding begon hij te schreeuwen, zijn kleren uit te trekken en zette het op een lopen. Ziet u het voor u? Hij rent langs de Elgin Marbles en de Steen van Rosetta, slaat linksaf, komt bij de garderobe en de ingang, nog eens linksaf, regelrecht de British Library in. Karl Marx kijkt verstoord op van zijn lectuur. Nogmaals linksaf, langs de Egyptische vondsten. Terug in de Arched Room. Collega’s slaan kleren om hem Smith heen. “Wat is er?”, vragen ze bezorgd, “wat is er?” En hij gebaart naar het kleitablet, alsof iedereen meteen zou begrijpen wat daar staat. Misschien is het niet helemaal zo gegaan, maar we moeten een goed verhaal niet dood controleren.









Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.