De troon van Satan

Het Pergamonaltaar (Berlijn)

In Berlijn zijn een kleine zeventig voorwerpen in de oudheidkundige musea op het beroemde Museumeiland met een kleverige vloeistof besmeurd. Er zit geen patroon in het vandalisme, de schade is niet zó groot dat de restauratie vóór het politieonderzoek moest gaan. De voornaamste zorg van de beheerders is dat er ook leenstukken zijn besmeurd. Het is lelijk nieuws, maar vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat het groter is dan dit.

De media zijnde de media is het wel groter gemaakt. In het museum staat namelijk ook het Pergamonaltaar ofwel de Troon van Satan. Ik ga hier de verbanden die complotdenkers bedenken geen extra publiciteit geven. Ik beperk me tot de bewering dat dit de Troon van Satan zou zijn.

Dat is gebaseerd op de Openbaring van Johannes, het wonderlijke laatste boek van het Nieuwe Testament, geschreven in de laatste jaren van de eerste eeuw n.Chr. Er waren christenen gedood en de auteur spreekt zijn lezers moed in. Als ze vast hielden aan hun geloof in Christus, zouden ze op de Jongste Dag worden gerechtvaardigd. Johannes’ collectie fantasmagorieën vormt fenomenale literatuur. U hoeft niet te geloven in een naderend Oordeel om het met ingehouden adem te lezen. (Indien u desondanks een aanbeveling nodig heeft: het was de favoriete hotelkamerlectuur van Hunter S. Thompson zaliger nagedachtenis.)

Lees verder “De troon van Satan”

Hobby en lobby, limes en Heerlen

Aardewerk uit het Thermenmuseum

N.a.v. mijn vorige stukje was er een goede, wel vaker gestelde vraag in de reageerpanelen.

Bestond het persbericht van het Thermenmuseum dan louter uit die ene zin? Ik neem aan van niet. Waarschijnlijk is een pakkende zin gekozen, en wordt het vervolgens nader toegelicht (zoals dus inderdaad zo blijkt te zijn).

Antwoord: die nadere toelichting zat verscholen op een ontoegankelijke plek, in een rapport dat even indrukwekkend als Engelstalig was en ergens moest worden gedownload.

Drie stappen

Laat ik het anders zeggen. Het punt is dit. Je draagt informatie over in drie stappen. Eerst trek je de aandacht; daarna is er de boodschap; vervolgens is er de verdieping.

“Hé!”
“Ga weg daar!”
“Je staat te dicht bij de spoorbaan en er komt een trein aan.”

Het gaat om het tweede maar het derde is cruciaal.

Lees verder “Hobby en lobby, limes en Heerlen”

Het badhuis in Heerlen

Een tijdje geleden liet het Thermenmuseum in Heerlen in een hijgerig persbericht weten dat was vastgesteld dat het beroemde Romeinse badhuis het oudste gebouw was van Nederland. De bewering is waar, mits je een heel specifieke definitie van gebouw hanteert. De Heerlenaren konden echter redelijkerwijs verwachten dat die nuance in de media zou wegvallen. Ik blogde er destijds over dat ik het een vreemde gang van zaken vond.

Een hype die niet nodig was

Nu ik het rapport Roman Bathing in Coriovallum lees, weet ik het zeker. De hype was nergens voor nodig. De onderzoeksresultaten waren interessant genoeg om te presenteren zonder overdrijving. Je kunt namelijk prima de puzzel tonen. Als voorbeeld neem ik de manier waarop museumconservator Karen Jeneson aantoont hoe oud het badhuis is.

Lees verder “Het badhuis in Heerlen”

De oudheidkundige groepsblog, vervolg

Zoals ik in mijn vorige blogje aangaf, ga ik stoppen met de Livius Nieuwsbrief. De oudheidkundige disciplines verdrinken zichzelf in junk nieuws en door daarvan een nieuwsoverzicht van te bieden, zou de nieuwsbrief medeplichtig zijn. Ik heb er in bijna vijftien jaar 178 gemaakt en het was lange tijd zinvol, ja leuk, maar we moeten geen dingen doen die verkeerd zijn. Niemand kan zijn leven lang schone handen houden, maar er zijn wel momenten waarop je je handen ergens vanaf kunt trekken.

Groepsblog

Er is echter ook goed nieuws. De groepsblog waarover ik al heb geblogd, die komt er. Het doel ervan is een plek te scheppen waar we het positieve kunnen tonen, waar we pulp weigeren, waar we methoden uitleggen, waar we als eenheid presenteren wat het publiek als eenheid verwacht, waar journalisten informatie kunnen vragen en waar u met plezier naartoe komt. Doordat de medewerkers kaf en koren scheiden, kunnen ze een aanbod bieden dat géén karikatuur van ons vak neerzet.

Lees verder “De oudheidkundige groepsblog, vervolg”

Het einde van de Livius Nieuwsbrief

Laat ik met de deur in huis vallen. Ik heb de afgelopen twee jaar de Livius Nieuwsbrief gemaakt met groeiende weerzin. Immers, het vervaardigen van een maandelijks nieuwsoverzicht is leuker als je interessante dingen te melden krijgt. De DNA-revolutie is zo’n onderwerp. Tekstanalyse kan nooit meer hetzelfde zijn en onderzoek, opleidingen en overdracht kunnen veel gevarieerder, veelkleuriger, rijker worden. Het is alsof de betekenis niet doordringt, want in plaats van dit goede nieuws te brengen, houden de universiteiten een wedstrijd wie de minst inspirerende berichten de wereld in kan sturen. Dat ik zelden iets écht interessants te melden kreeg, maakte het opstellen van de Livius Nieuwsbrief dubieus. Het was de versterker van dubieuze signalen.

Minachting voor wetenschap

Het is moeilijk aan te geven wat het meest dubieus is. De competitie is dan ook fel. Is het dat de limes zijn kwaliteit almaar niet verbetert? Irritant is het zeker, want de smoezen om niet te hoeven professionaliseren zijn even voorspelbaar als onwaar. Is het de frivoliteit waarmee classici andere wetenschappen negeren? Is het de daardoor mogelijk gemaakte terugkeer van allang door historici weerlegde sjabloons? Zijn het de eindeloze overdrijvingen van de archeologen? Of is het dat oudhistorici zaken als nieuw presenteren die al bekend zijn?

Lees verder “Het einde van de Livius Nieuwsbrief”

MoM | Hypothetische geschiedschrijving

Turgot

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de indruk van zijn methode, waardoor de wijsgeren van de achttiende eeuw, de Verlichtingsfilosofen, probeerden een vergelijkbare wetenschappelijkheid te betrachten bij hun analyse van het intrigerende verschijnsel mens.

Hypothetische geschiedschrijving

Ze beschouwden de Middeleeuwen als de tijd waarin was getoond hoe het niet moest. De mensen zouden onvrij zijn geweest, hun denken beheerst door autoriteiten en knellende dogma’s, met misère als gevolg. De Oudheid gold daarentegen als ideaal. Vrije burgers van vrije steden hadden toen de grondslagen gelegd van de beschaving en een welvarende staat. Deze bewondering betekende echter niet dat de Verlichters alles geloofden wat de classici, historici en antiquariërs beweerden. Vaak deelden ze de pyrronistische kritiek – een Voltaire publiceerde een Pyrrhonisme de l’histoire – en liever dan zich te verliezen in de details van de traditionele oudheidkunde, schiepen ze een alternatief: de hypothetische geschiedschrijving.

Lees verder “MoM | Hypothetische geschiedschrijving”

Lukas, arts en evangelist?

Zesde-eeuwse muurschildering van Lukas, gevonden in zijn zogenaamde graf in Efese (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Maar de apostel Lukas, die van het evangelie, die was toch arts? Ik hoorde het deze week weer iemand zeggen. Het is twee, misschien drie keer niet waar. In de eerste plaats was Lukas geen apostel. In de tweede plaats is hij niet de auteur van het evangelie dat zijn naam draagt. En of hij arts was, dat weten we eigenlijk ook al niet.

Drie vermeldingen

Lukas staat drie keer genoemd in de Bijbel. Paulus vermeldt een medewerker met die naam aan het slot van de korte Brief aan Filemon: een zekere Epafras doet de geadresseerde de groeten, en Paulus’ medewerkers Marcus, Aristarchus, Demas en Lukas sluiten zich daarbij aan.

Lukas duikt ook op in twee aan Paulus toegeschreven brieven. (Het maken van teksten in andermans naam was in de Oudheid niet ongebruikelijk. De auteur vertelt dan wat hij denkt dat de echte auteur zou hebben kunnen schrijven. ) In de Brief aan de Kolossenzen staat het enige biografische detail: Lukas “de arts” en Demas doen de groeten. In de Tweede Brief aan Timotheüs vertelt Paulus dat hij door Demas in de steek is gelaten, dat andere metgezellen verder zijn gereisd en dat alleen Lukas nog bij hem is.

Lees verder “Lukas, arts en evangelist?”

De Grote Volksverhuizingen

Momenteel lees ik de Geschichte der Völkerwanderung. Europa, Asien und Afrika vom 3. bis zum 8. Jahrhundert n.Chr., waarin de Duitse oudhistoricus Mischa Meier, een overzicht biedt van wat momenteel bekend is over de Grote Volksverhuizingen. Wellicht heeft Meier niet voldoende te doen aan de universiteit van Tübingen, want het boek telt een lieve 1500 bladzijden: 1100 bladzijden tekst en nog 400 pagina’s noten. Het is fascinerende lectuur want er is geen tegel die Meier niet even optilt om te zien wat er onder zit. En wat hij eronder vandaan haalt is altijd de moeite waard. Er is bijvoorbeeld een even uitvoerige als boeiende beschrijving van wat een “volk” nu eigenlijk is en wat “verhuizing” nog betekent nu duidelijk wordt hoe mobiel mensen in de Oudheid waren.

Het boek is thematisch van opbouw. Na een dikke honderd pagina’s waarin hij uitlegt dat de bronnen niet zomaar geloofd mogen worden en dat archeologie ook niet alles is, was in elk geval deze lezer al totaal onder tafel gebeukt. Ik meende dat we, als het ging over de Grote Volksverhuizingen, toch wel wat zekerheden hadden, maar dat de val van Rome in 410 – zo’n beetje het hoogte/dieptepunt van het tijdvak in kwestie – eigenlijk nauwelijks in de bronnen staat vermeld, had ik me nog nooit zo gerealiseerd. Zeker, oudheidkundigen citeren Hieronymus’ verdrietige uitbarsting en Orosius’ verslag van de plundering, maar eigenlijk stellen die bronnen zoveel niet voor. De ene is geschreven in Betlehem, dus bepaald geen ooggetuigenverslag, en de andere is christelijke propaganda van vele jaren later.

Lees verder “De Grote Volksverhuizingen”

De trein. Nog steeds ellende

O ja, de trein. Al een tijd niet over geschreven. Ik zal de schade even inhalen. U bent het ten slotte van me gewend.

De leutige conducteur

Elke conducteur leest, als de trein ergens aankomt, een verhaaltje voor. Dat je je bagage moet meenemen, dat je moet uitchecken. Dat is een standaardpraatje maar sommige conducteurs vinden het prettiger het op hun eigen manier te vertellen. Zo ook in de trein die mij onlangs bracht naar Schagen. Op zeker moment riep de conducteur “Heerhugowaard” om en ik keek verstrooid uit het raam. Wat leken al die Vinexwijken toch op elkaar, dacht ik, maar de consequentie zonk niet bij me in omdat de conducteur niet zijn standaardriedeltje afdraaide maar iets origineels zei dat mijn aandacht vroeg. Even later zette de trein zich in beweging en begreep ik waarom die stadswijk me zo bekend was voorgekomen: ik was in Schagen.

(Advies aan de conducteurs: doe geen eigen verhaal. Ik waardeer de persoonlijke noot wél maar het leidt af. Zeg wat je zeggen moet goed.)

Ik was niet de enige die in Anna Paulowna uitstapte om terug te sporen naar Schagen. Als om in te wrijven dat de Nederlandse Spoorwegen lak aan hun reizigers hebben, reed de trein die we moesten hebben, recht voor onze neus weg.

Toen ik door iemand met een auto werd afgehaald, stonden er nog mensen op het perron. Het regende zachtjes. Het kleine restaurantje op het perron waar je anders even een bak troost pakt, was gesloten.

Lees verder “De trein. Nog steeds ellende”

De sarcofaag van Tabnit

Sarcofaag van Tabnit (Archeologische musea, Istanbul)

De negentiende eeuw zag het ontstaan van de wetenschappelijke archeologie. Was het opgraven van oude voorwerpen altijd een speurtocht naar kunst geweest, nu groeide het besef dat het bodemarchief meer bood dan alleen mooie voorwerpen. In Italië valt te wijzen op de opgravers van Herculaneum, waar kunsthistorische rovers het al in de achttiende eeuw aflegden tegen mensen met een algemenere ontwikkeling. Voor zover ik weet waren zij de eersten die de Griekse term die ze in hun Latijnse correspondentie gebruikten voor hun werkzaamheden, ook gebruikten in de volkstaal: ze waren archeologen, “oudheid-kundigen”, en bestudeerden de archeotetes, “oudheden” omwille van de logos, de wetenschap. In Nederland was de Valtherbrug bij mijn weten de eerste opgraving met een wetenschappelijke inslag.

Ottomaanse archeologie

Ook in het Ottomaanse Rijk ontstond wetenschappelijke belangstelling voor het materiële aspect van de antieke cultuur. Je denkt “ze imiteerden westerse ideeën” en je hebt gelijk, maar het is complexer dan dat. Het boek Scramble for the Past toont dat de diverse volken in het rijk van de Sultan – de Grieken, de Arabieren, de Armeniërs, de Joden – al eerder belangstelling ontwikkelden voor hun verledens. Maar het was niet alleen daar dat de nieuwe wetenschappelijke inzichten konden rekenen op warme belangstelling. De centrale overheid was eveneens geïnteresseerd. De grootste speler was Osman Hamdi. Zijn buste verwelkomt nog altijd de bezoekers in de musea die hij in Istanbul stichtte.

Lees verder “De sarcofaag van Tabnit”