Een bron die vergelijkbaar is met Historia Brittonum van Nennius (zie het vorige blogje) is Topographia Hibernica van Gerald van Wales (Giraldus Cambrensis) uit het eind van de twaalfde eeuw. Net als het boek van Nennius is dit werk niet bedoeld als fictie. Maar het feit dat er weerwolven in voorkomen, zorgt ervoor dat niet alles even reëel is – dat vinden we nu in de eenentwintigste eeuw.
Een krijger en een wolfkrijger (Viking-helmbeslag; Zweeds Historisch Museum, Stockholm
Ik heb al eerder geschreven over middeleeuwse weerwolven en ga daarmee nu verder.
Nennius was een negende-eeuwse monnik die een geschiedenis van Brittannië schreef: Historia Brittonum. Hij stelde hierin dat de Britten afstammen van Brutus, een nazaat van Aeneas van Troje. Zijn boek is bovendien de oudste bron waarin koning Arthur voorkomt. Maar daar gaat het ons niet om, er komen ook weerwolven in voor! En wel in het hoofdstuk over de wonderbaarlijkheden van Brittannië:
About twenty years ago, Jasper Oorthuys created the magazine Ancient Warfare. His financier also founded a publishing house, Karwansaray Publishers, where Oorthuys serves as managing director. Ancient Warfare was followed by other magazines: for medievalists Medieval World, for those interested in wargaming Wargames, Soldiers, Strategy, and for those with a general interest in Antiquity Ancient History (which I myself helped create). Karwansaray also began publishing books, ranging from magnificent volumes on key figures in European history to more informal publications on espionage in the Low Countries.
In short, Oorthuys became quite busy, and after twenty years, he is now looking for a successor for the first magazine. Ancient Warfare is therefore seeking a new editor. The requirements can be found here.
Europa kent al eeuwen twee grote handelsroutes. De ene was de corridor van de Noordzee via Rijn, Moezel, Saône en Rhône naar de Middellandse Zee. De andere stond daar haaks op en leidde naar het oosten: de Donau. De eerste landbouwers, de eerste metaalwerkers en de eerste Indo-Europees-sprekenden kwamen hierlangs stroomopwaarts, later gevolgd door Sarmaten, Hunnen, Avaren en Magyaren. Bij de Zwarte Zee zagen zij vóór zich een vruchtbaar gebied, begrensd door rechts de Donau en links het Balkangebergte. Die vruchtbare zone strekt zich uit tot Belgrado, het antieke Singidunum, waar de vlakte zich noordwaarts opende naar de Hongaarse poesta.
De naam Moesia
In de vijfde eeuw v.Chr. worden tussen Donau en Balkan genoemd:
De laatste twee worden gewoonlijk gerekend tot de Thraciërs. Romeinse bronnen uit het begin van de jaartelling suggereren dat hier ooit ook Mysiërs hadden gewoond, een groep die later zou zijn verhuisd naar de Zee van Marmara. Naar hen noemden de Romeinen de regio Moesia.
Vandaag een kort blogje. Het gaat over de Rijn maar niet over de waterstanden. Het gaat wel over Duisburg, een stad in het Roergebied die u zult kennen als u weleens met de trein naar het zuiden spoort. Niet bepaald de eerste stad waaraan u denkt als het gaat om het antieke verleden. De oudste vermelding is middeleeuws, uit 883.
Maar er waren daarvoor al Romeinen. Logisch, want aan de andere kant van de Rijn lag het fort Asciburgium ofwel Moers-Asberg. De daar gelegerde soldaten zorgden ervoor dat er aan de Germaanse kant van de stroom geen al te grote nederzetting was – of het moest iets zijn dat de Romeinen controleerden. Een dergelijke nederzetting is nooit gevonden, maar dát er Romeinen in Duisburg waren, staat vast. Stenen die zijn gevonden in Krefeld en nu zijn te zien in het mooie museum Burg Linn, zijn gewonnen in wat nu Duisburg is.
In het vorige blogje vertelde ik hoe Alexander de Grote de capitulatie van de Perzische hoofdstad Sousa in ontvangst nam. Het paleis lag op een plateau dat hoog uitstak boven het hete maar vruchtbare rivierdal. De Perzen hadden op dat plateau – door de wind bewaaid en iets koeler dan het rivierdal – een immens terras aangelegd, dat met dertien hectare groter was dan dat van bijvoorbeeld Persepolis. Het paleis zelf had een omvang van vier hectare, de twintig meter hoge troonzaal niet meegerekend.
De luxe was groter dan de Macedoniërs ooit hadden gezien. Verbaasd dronken ze uit bekers van glas, aten ze van marmeren borden en openden ze deuren met klinken van lapis lazuli. Het moet hebben geleken op de beschrijving uit het Bijbelboek Ester:
Draperieën van fijn linnen, wit en blauwpurper van kleur, waren aan albasten zuilen bevestigd met roodpurperen koorden van byssus en zilveren ringen; op een mozaïekvloer van porfier, albast, parelmoer en gekleurde stenen stonden rustbanken van goud en zilver. Er werd wijn geschonken in gouden bekers, die allemaal verschillend waren, en er was koninklijke wijn in overvloed, zoals men dat bij een koning mag verwachten.nootEster 1.6-7; NBV21.
Ik kan natuurlijk niet naar bed gaan zolang er iemand op het internet flauwekul rondbazuint. Dus ik moet even een blogje de wereld ingooien. Als trouwe lezer van deze blog weet u wel wat mij zoal ergert en ja, ik heb weer eens een archeologisch nieuwsbericht gevonden dat de conclusie rechtvaardigt dat archeologen het publiek liever misleiden dan informeren. Vier van de vijf verpesten het voor de rest. Want ook vandaag is er weer iemand die vond dat de archeologie in het nieuws moest komen, maar geen zin of geen talent had om echt iets te noemen.
Dus wat doe je? Het is komkommertijd, elk bericht is sowieso goed, zeker als het aansluit bij het weinige nieuws dat er wel is. Voilà, het is heet en droog, en in veel rivieren staat weinig water. Hier en daar worden archeologische resten zichtbaar die dat anders niet zijn. Daar heb je iets om mee naar aandacht te hengelen.
In onze reeks over Alexander de Grote waren we vorige maand vertrokken uit de grote stad Babylon en op weg gegaan naar Sousa. Zoals wel vaker in de oude geschiedenis kennen we de plannen van de generaal niet en moeten we die afleiden uit wat hij feitelijk deed. Het is plausibel dat de Macedoniërs de diverse hoofdsteden van het Perzische Rijk wilden plunderen, want dat hebben ze gedaan, maar eigenlijk weten we dat niet. Alexanders biograaf Ploutarchos vertelt:
Toen hij door Babylonië trok verbaasde hij zich vooral over een kloof waaruit onophoudelijk vuur opsteeg als uit een bron, en over de stroom van nafta die zo groot was dat hij niet ver van die kloof een meer vormde. Dit nafta leek op asfalt, maar was zo licht ontvlambaar dat het, al voordat de vlam het bereikte, ontbrandde door de vuurgloed, en dikwijls ook de lucht ertussen deed ontvlammen.nootPloutarchos, Alexander 35.1-2; vert. Hetty van Rooijen.
De “Arched Room” in het British Museum, waar Van der Spek kleitabletten kan bestuderen.
De trouwe lezers van deze blog kennen inmiddels de rubriek waarin dit de vierde aflevering is: ik wil de aandacht weghalen bij de gemakzuchtige stukken over archeologische vondsten en de ongefundeerde parallellen tussen toen en nu, en terugleggen bij het eigenlijke wetenschappelijke proces. Vandaag is het woord aan oudhistoricus Bert van der Spek, aan wiens handboek ik eerder een reeks blogjes wijdde, maar die meer heeft gedaan dan alleen een handboek maken.
**
Wat bestudeert u?
De geschiedenis van Babylonië na de verovering door Alexander de Grote in 331 v.Chr., die de zgn. Hellenistische periode inleidde. Veruit de meeste bronnen over deze periode zijn in het Grieks gesteld (geschiedschrijvers die soms eeuwen later leefden, Griekse inscripties). Daardoor hebben veel oudhistorici (die veelal opgeleid zijn als classici) door een Griekse bril naar het Hellenistische Nabije Oosten gekeken. Ik probeer de in het Babylonisch geschreven bronnen bij het onderzoek te betrekken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.