Filon van Byblos

De mythe van Ba’al en Mut uit Ugarit (Louvre, Parijs)

In de eerste helft van de tweede eeuw n.Chr. publiceerde een zekere Filon van Byblos een Geschiedenis van Fenicië. Het werk, dat gebaseerd zou zijn op een ouder overzicht van de oosterse mythologie van een zekere Sanchuniathon, is vrijwel geheel verloren gegaan, maar wordt geciteerd door twee auteurs als Porfyrios en Eusebius. Als Filon werkelijk toegang heeft gehad tot een overzicht van Fenicische mythen, zijn die fragmenten waardevolle informatie over de Kanaänitische religie. Hier hebben we de verhalen van de priesters van Ba’al waartegen de bijbelse profeten het opnamen.

Gruppe versus Albright

Het probleem met Filons Geschiedenis van Fenicië is al lang geleden door de Berlijnse godsdiensthistoricus Otto Gruppe herkend: sommig materiaal oogt eerder Grieks dan oosters en Sanchuniathon zou een verzinsel zijn. Omgekeerd hechtte de Amerikaan William Albright onverkort geloof aan Filons betrouwbaarheid. Daarvoor pleit bijvoorbeeld dat de naam Sanchuniathon ofwel Sknytn, “de god Sakan heeft geschonken”, is gedocumenteerd in de Punische stad Hadrumetum. Veel belangrijker is dat er parallellen zijn met de Kanaänitische mythologie die bekend is geworden met de ontdekking van de kleitabletten uit Ugarit.

Lees verder “Filon van Byblos”

Het oosterse wereldrijk

Akkadisch overwinningsreliëf (Louvre, Parijs)

In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag de vraag: kan het niet simpeler met al die rijken uit de Brons- en IJzertijd? De Egyptische geschiedenis is vrij overzichtelijk verdeeld in drie “rijken”, wat tussentijden en nog een Late Periode, maar het Nabije Oosten is een vrij complexe afwisseling van Sumeriërs, Akkadiërs, Babyloniërs (oud-, midden-, nieuw-), Assyriërs (oud-, midden-, nieuw-), Elamieten, Meden, Achaimenidische Perzen, Seleukiden, Parthen en Sasanidische Perzen. En daarna dus de Kalifaten van Damascus en Bagdad. Nogal complex.

Het oosters wereldrijk

Bij inleidend onderwijs zeg ik altijd “het oosters wereldrijk” en dat lijkt me een toegestane vereenvoudiging, vergelijkbaar met de “vier vegen” om de geschiedenis van alle volken van Centraal-Azië samen te vatten. Het idee dat er één koning voor de hele wereld moest zijn, heeft eerbiedwaardig oude wortels; de stedelijke infrastructuur bleef eeuwenlang bestaan; literatuur en talen waren al even duurzaam. Het is niet verkeerd al die “rijken” op te vatten als dynastieën in hetzelfde grote koninkrijk. (Eigenlijk zijn het etnoklassen die toevallig niet aan de onderkant maar aan de bovenkant van de samenleving zitten; ik laat dit even wat het is.) Tot de enorme etnische veranderingen ten tijde van de Mongolenstorm was er nogal wat continuïteit.

Lees verder “Het oosterse wereldrijk”

Een ere-inscriptie voor Ptolemaios V

Ptolemaios V Epifanes

Romeinse inscripties zijn vaak niet heel moeilijk om te lezen. Deze of gene keizer (er volgt een opsomming van namen), imperator voor de zoveelste keer, caesar, augustus, hogepriester en nog een hele batterij ambten, consul voor de zoveelste keer, in het zo-en-zoveelste jaar van zijn bevoegdheden als volkstribuun, vader des vaderlands, stichtte dit of dat gebouw, legde er dit bedrag voor opzij en voegde voor het onderhoud dat bedrag toe, en om die reden zegt de gemeenteraad dank je wel.

De titels van Ptolemaios V

De bewoners van het Ptolemaïsche Rijk in Egypte konden er ook wat van. Op 27 maart 196 v.Chr. kwamen priesters samen om een inscriptie op te stellen. Die is te lang om hier te vertalen, maar het begint met een datering ten tijde van “de jonge koning”. Dat het gaat om de vorst die wij Ptolemaios V noemen, wordt verderop duidelijk; hij was een jaar of veertien. Na de jonge koning te hebben genoemd, gaan de priesters helemaal los. Hij heeft de macht geërfd van z’n vader en verder was de jonge koning de heer der kronen, was zijn glorie groot, had hij Egypte georganiseerd, was hij vroom ten opzichte van de goden en was hij de overwinnaar van zijn vijanden …

Lees verder “Een ere-inscriptie voor Ptolemaios V”

Het conclaaf van 1241

Septizodium

Oké, ik zal het niet snel zeggen, maar vanmiddag is het toch zo ver. Je kunt een enkele keer wél leren van het verleden. Daarvoor gaan we terug naar het jaar 1241, naar Rome.

Daar was paus Gregorius IX net overleden, de man die redelijk onverzoenlijk was geweest in een conflict met Frederik II, de keizer van het Duitse Rijk én koning van Sicilië. De pauselijke staat lag tussen die twee machtsgebieden in en Gregorius had zich bedreigd gevoeld. Zeker nadat Frederik met de Constituties van Melfi werk had gemaakt met een in romeinsrechtelijke termen verwoord rechtscorpus, dat de aanspraken van de paus niet erkende. Kort voor zijn dood had paus Gregorius nog opgeroepen tot een kerkelijke vergadering om Frederik II af te zetten.

Lang verhaal kort: het conflict tussen paus en keizer, de zoveelste vorm van de eeuwenoude strijd tussen Welfen en Ghibellijnen, liep gierend uit de hand. De kardinalen die Gregorius’ opvolger moesten kiezen, stonden onder hoge druk. De legers van Frederik waren al op weg naar Rome toen ze van de dood van de paus hoorden, waarop ze terugkeerden naar het zuiden als blijk van goede wil. Frederik had een meningsverschil gehad met Gregorius, liet hij weten, maar niet met de kerk. Het deed weinig om de spanning te verminderen.

Lees verder “Het conclaaf van 1241”

Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Lees verder “Gustaf Kossinna (2)”

Gustaf Kossinna (1)

Gustaf Kossinna

In de dagen van Schliemann en zijn jongere tijdgenoot Montelius zou niemand de grens tussen klassieke en prehistorische archeologie hebben kunnen trekken. Er was nog zo veel onbekend, de methoden waren nog nieuw en in feite bestond de archeologie als wetenschap nog niet. Er waren hooguit wat aanzetten daartoe. Geleidelijk aan kozen sommige onderzoekers voor samenwerking met de classici en de oudhistorici; zij gingen hun materiaal presenteren op een gevaarloze wijze, ermee tevreden een hulpwetenschap te zijn waar classici iets aan hadden. Ik blogde er al over.

Er waren er die zich verzetten tegen het huns inziens overdreven belang dat werd gehecht aan Griekenland en Rome. Eén zo’n criticus was de Duitser Gustaf Kossinna (1858-1931), die meende dat de originaliteit van Griekenland en het oude Nabije Oosten systematisch werd overschat. Het werd tijd, vond hij, om de noordelijke volken de plaats te geven die ze verdienden. Daarom stichtte hij in 1909 te Berlijn het Deutsches Institut für Vor- und Frühgeschichte, dat niet veel later werd omgedoopt tot Institut für Deutsche Vor- und Frühgeschichte. Al voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren in Frankrijk en Engeland vergelijkbare instituten voor de nationale archeologie opgericht.

Lees verder “Gustaf Kossinna (1)”

De Bergrede (2)

Mozaïek uit de Groß Sankt Martin in Keulen

In mijn reeks over het Nieuwe Testament was ik begonnen aan de Bergrede. Zoals ik al vertelde is het een compositie van de auteur van het Matteüs-evangelie, gebaseerd op de uitsprakenverzameling die bekendstaat als Q. Het beroemdste deel is de verzameling paradoxen die bekendstaat als de Zaligsprekingen omdat, in oude vertalingen, deze spreuken steeds werden ingeleid met “zalig is degene die…” Hier gebruik ik de Nieuwe Bijbelvertaling van Matteüs 5.3-12 (parallel: Lukas 6.20-23) en de situatie is dat Jezus een berg op gaat om zijn eerste grote redevoering te houden. Hij begint met een Umwertung aller Werte.

Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.

Lees verder “De Bergrede (2)”

Boeken over Karthago

Oké mensen, ik heb jullie hulp even nodig. In januari verschijnt mijn boekje Hannibal in de Alpen. Zie boven. Daarin leg ik uit waarom we een ogenschijnlijk simpele vraag als “over welke bergpas trok het Karthaagse leger naar Italië?” niet beantwoorden kunnen. Op het eerste gezicht is een boek over een puzzel zonder oplossing even zinloos als het in het Portugees vertalen van Wat & Hoe Portugees?, maar het is een leuk onderwerp om te tonen dat zelfs een eenvoudige vraag een oudheidkundige dwingt na te denken over tekstuele problemen, klimaatreconstructie, topiek, archeologie, statistiek, biologie, tekstkritiek, paleohydrologie en wat dies meer zij. Kortom, tweede-lijn-voorlichting.

Eerste Punische Oorlog

In de tussentijd groeide ook een tweede boekje, dat in maart zal verschijnen, en is gewijd aan de Eerste Punische Oorlog. Dat is iets meer eerste-lijn-voorlichting: ik presenteer wat er is gebeurd. Hoewel ik soms inga op de vraag waarom we weten wat we weten, is het verder eigenlijk allemaal rechttoe, rechtaan. Eerst een deel over de strijdende partijen, dan een deel over de oorlog zelf, tot slot een deel over de gevolgen.

Lees verder “Boeken over Karthago”

De ketter van Carthago (2)

De vorig jaar verschenen historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas gaat niet en wel over Augustinus, de bisschop van Hippo over wie ik gisteren blogde. De hoofdpersoon heet Spes en wordt aangetrokken, afgestoten, opnieuw aangetrokken, weer afgestoten en tot slot weer aangetrokken door de bisschop, die dus wel centraal staat in het boek. In feite is het samen te vatten als “hoe Spes bleef kijken naar Augustinus”.

Zoals zoveel historische romans moet je het boek niet lezen omdat het allemaal precies klopt. Nog voor de eerste zin gaat het al fout als er een datering anno Domini wordt gebruikt. Er waren in de Oudheid verschillende dateringssystemen, maar deze is pas in de zesde eeuw gemeengoed geworden. Augustinus dateerde bijvoorbeeld gebeurtenissen regelmatig aan de hand van de Romeinse consuls: zo lezen we in De stad van God dat Christus is gestorven toen Lucius Rubellius Geminus en Gaius Fufius Geminus het consulaat bekleedden. Er zijn in De ketter van Carthago wel meer dingen waar ik als historicus door afgeleid raakte, maar ik vind het niet helemaal eerlijk het boek daarop af te rekenen. Een roman die het verleden toont zoals het werkelijk was, zou zo saai zijn als het menselijk leven nu eenmaal is.

Lees verder “De ketter van Carthago (2)”

Bij ons in het dorp (17)

Ik heb er wel eens eerder op gewezen dat bij ons in het dorp de ene gemeentelijke dienst niet weet wat de andere doet. Lees maar. Zoiets is, als een organisatie complex wordt, natuurlijk onvermijdelijk. Daarom is vooral belangrijk dat een verkeerd gebleken maatregel snel valt terug te draaien.

Zo ook nu.

Als ik vanuit mijn buurt (West) naar het station, een vergaderplek of de boekhandel moet, fiets ik van west naar oost door de grachtengordel, waar de beroemde grachten van noord naar zuid lopen. De ontwerpers hielden al rekening met die west-oost-verkeersstroom: ze zorgden voor voldoende bruggen en dwarsstraten. Die dwarsstraten zijn de laatste jaren waanzinnig populair geworden voor toeristen. Er zijn allerlei leuke winkels gekomen. Daardoor is dit deel van de grachtengordel zélf een toeristische attractie werd, met eigen publiciteit (“de Negen Straatjes” enz.).

Lees verder “Bij ons in het dorp (17)”