Fake-Latijn

Ere-inschrift voor Duillius (Capitolijnse Musea, Rome)
Ere-inschrift voor Duillius (Capitolijnse Musea, Rome)

Ik heb al eens geblogd over de Eerste Punische Oorlog, de langste en (volgens historicus Polybios) grootste oorlog uit de toenmalige geschiedenis. Zonder onderbreking duurde het conflict van 264 tot 241 v.Chr., een lengte die te verklaren is door het feit dat de Romeinen op land superieur waren en de Karthagers op het water. Door gebruik te maken van enterbruggen slaagden de Romeinen er echter in de strijd op zee zó te veranderen dat ze leek op een landslag en konden ze de gevechten naar hun hand te zetten.

De Romeinse historicus Titus Livius schreef over de zeeslag bij Mylae, die plaatsvond in het jaar dat wij 260 v.Chr. noemen:

Consul Gaius Duillius vocht met succes tegen de Punische [=Karhaagse] vloot en vierde als eerste Romeinse veldheer een triomf na een overwinning ter zee. Om deze reden werd hem ook een blijvend eerbewijs toegekend: wanneer hij terugkeerde van een maaltijd werd hij voorafgegaan door een fakkeldrager en begeleid door fluitspel. (Periochae 17.2)

Lees verder “Fake-Latijn”

Hellenistische kronieken uit Babylon

Uw wereld is nooit meer hetzelfde nu u de drie delen van fragment A van de Bagayasha-kroniek (BCHP 18A) heeft gezien.
Uw wereld is nooit meer hetzelfde nu u de drie delen van fragment A van de Bagayasha-kroniek (BCHP 18A) heeft gezien. Ze liggen in het British Museum maar worden niet geëxposeerd.

Terwijl ik vorige week ziek was, heb ik een klusje gedaan dat al jaren lag te wachten: het online plaatsen van de vertalingen van de Babylonische kronieken uit de hellenistische tijd. Dat vergt wat toelichting. Om te beginnen: de Livius.org-website is ooit gebouwd in ouderwetse HTML, wat een vrij simpele manier was om teksten online te plaatsen en van links te voorzien. Het probleem is dat HTML langzaam verandert waardoor de diakritische tekens – de letters met de gekke accenten dus – steeds vaker onleesbaar werden.

Een paar jaar of vijf geleden ben ik daarom begonnen de 3600 webpagina’s om te zetten naar een content management-systeem. Dat moest handmatig gebeuren en het einde van dat project is maar heel langzaam in zicht gekomen. De Babylonische kronieken waren hierbij het moeilijkste, aangezien die bestonden uit twee kolommen: rechts Engels en links een transcriptie van het Akkadisch, de taal van de Babyloniërs. Ik heb die destijds gemaakt omdat de onderzoeker die ze aan het ontsluiten was, Bert van der Spek, zo een manier had om zijn materiaal met collega’s te bespreken. Inmiddels is de eigenlijke publicatie, een boek, in zicht en is die Akkadische transcriptie niet meer urgent.

Lees verder “Hellenistische kronieken uit Babylon”

Sint-Joris en de draak (2)

Gevelsteen van Sint-Joris (Vlasmarkt, Middelburg)

De gevelsteen van Sint-Joris hierboven zult u vinden op een steenworp (letterlijk) van de beroemdste monumentale trap uit de Nederlandse literatuur (ook letterlijk) en het is natuurlijk geen toeval dat in de hoofdstad van Zeeland de draak hier blauw is en golf als water.  Het paard lijkt overigens meer op een stier die ten aanval gaat, maar dat terzijde.

U vond het begin van de legende van Sint-Joris hier en u leest hieronder hoe het afloopt.

Lees verder “Sint-Joris en de draak (2)”

Sint-Joris en de draak (1)

Draak te Beesel (Rik van Rijswick)

De draak hierboven, gemaakt door Rik van Rijswick, fotografeerde ik afgelopen zomer bij Beesel, dat u misschien kent van het draaksteken. Het is wel een tof beestje voor deze mooie zomerdag, want het is vandaag Sint-Joris. Maar wie was dat eigenlijk?

De Gulden Legende, de grote collectie heiligenlevens die Jacob van Voragine in 1260 publiceerde, noemt verschillende verhalen over de marteldood van christenen die Georgius hebben geheten, en ik sluit allerminst uit dat ze allemaal waar zijn omdat de naam destijds net zo gangbaar was als ons “meneer De Boer”. Het beroemdste verhaal is natuurlijk dat van zijn optreden als drakendoder, dat een variant is op het verhaal van de Griekse held Perseus. De christelijke legende is later weer door moslims opgepikt: zij noemen Perseus/Georgius Khidr, “de groene man”. In Jounieh bij Beiroet worden Khidr en Georgius samen vereerd; Khidrs graf is me ooit aangewezen in de citadel van Aleppo; en hij verschijnt aan u als u in Isfahan veertig dagen lang elke avond de stoep goed schrobt zonder u daarop te laten voorstaan.

Kortom, een volksverhaal waarvan er dertien in een dozijn gaan, maar omdat ik de legende eigenlijk eens wilde lezen, heb ik die maar eens opgezocht. Hieronder dus de tekst van een gedeelte uit de Gulden Legende, vertaald door Vincent Hunink. Maar eerst nog even dit: komt u vanavond naar Oog op de Oudheid in Leiden?

Lees verder “Sint-Joris en de draak (1)”

MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (2)

Wetenschappers die hun inzichten willen delen, zo vat ik even het stukje van Ionica Smeets samen waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, kunnen het beste kijken naar de bij het publiek bekende grotere thema’s. Dat zijn, zoals Smeets afrondt, “de verzoeknummers die we als wetenschappers best eens wat vaker mogen doen.”

Volgens mij zit er een koe van een probleem in de woorden “we als wetenschappers”. Misschien is het in Smeets’ vakgebied, de wiskunde, anders dan in het mijne, maar geesteswetenschappers worden getraind in allerlei kleine specialismen en precies de eigenschappen die hun het respect opleveren van hun collega-wetenschappers maken het hun onmogelijk zichzelf goed uit te leggen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen – ik denk aan een Frits van Oostrom – maar dat zijn bijna altijd mensen die hun wetenschappelijke vorming hebben gehad vóór de kaalslag in de jaren tachtig, toen de opleidingen werden gereduceerd tot vier jaar, ofwel drie jaar minder dan nodig is. De academische reactie was terugtrekking op nóg kleinere specialismen en dus nóg minder kans het grote publiek te bereiken. De humaniora, die ooit de samenleving algemene vorming hadden te bieden, verschraalden tot geesteswetenschappen en specialiseerden zich de irrelevantie in.

Lees verder “MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (2)”

MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (1)

Het Meisje van Yde (©Drents Museum, Assen)

“Wetenschappers”, schrijft hoogleraar wetenschapscommunicatie Ionica Smeets dit weekend in haar wekelijkse column in De Volkskrant, “mogen best wat vaker voldoen aan de vraag om verzoeknummers”. Ze eindigt haar stukje met een kristalhelder, door de Vlaamse filosoof Jean Paul Van Bendegem bedacht voorbeeld: de fictieve discipline “Buitenlandse reizen”. Haar eerste beoefenaren

ontdekken dat reisgidsen een belangrijke factor zijn bij buitenlandse reizen. In de loop der jaren verdiept het onderzoek zich en ontstaan er groepen onderzoekers die zich helemaal specialiseren in de vormgeving van reisgidsen. Eén getalenteerde wetenschapper verdiept zich jarenlang in drukinkten.

Vervolgens krijgt hij het verzoek om een lezing te geven bij een culturele vereniging die een avond organiseert met als thema: “Wat heeft de wetenschap ons te zeggen over buitenlandse reizen?” De beste man vertelt een enthousiast verhaal over druktechnieken, de geschiedenis van inkt en allerlei fascinerende aspecten van drukinkt. Hoe boeiend dat verhaal ook is, na afloop zal het publiek zich volkomen terecht afvragen wat dit alles in hemelsnaam te maken heeft met buitenlandse reizen. En wat de wetenschap nu eigenlijk te zeggen heeft daarover.

Lees verder “MoM | Academisch aanbod en publieke vraag (1)”

De Mainzer Beobachter (de echte)

Je heb bloggers en bloggers. Sommigen beperken zich tot één hoofdthema, anderen schrijven over alles wat maar bij ze opkomt. Je moet eens weten hoeveel van die laatsten ergens in hun CV schrijven dat ze over alles een mening klaar hebben liggen. Zou Multatuli in onze tijd leven, hij zou hebben behoord tot die tweede categorie: iemand die over elk onderwerp wel een opiniërend stukje kon schrijven. Pak van Sjaalman.

Dat werd begin 1866 wat lastig, omdat hij gedwongen was Nederland te verlaten. Of beter: hij was wegens openlijke geweldpleging (“het moedwillig toebrengen van slagen … waardoor geene ziekte of beletsel van te werken van langer dan 20 dagen is ontstaan”) veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en voelde zich te goed om die uit te zitten. Omdat hij, gevlucht naar het Rijnland, geld nodig had, ging hij stukjes schrijven voor de Opregte Haarlemsche Courant: vrij uitgebreide, redelijk betaalde samenvattingen van wat de Duitse kranten zoal te melden hadden. Broodschrijverij dus.

Lees verder “De Mainzer Beobachter (de echte)”