[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde serie: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.]
Het mohisme moet in de Periode van de Strijdende Staten een belangrijke en invloedrijke stroming zijn geweest, ieder geval invloedrijk genoeg om confucianisten en taoïsten te motiveren de mohisten herhaaldelijk van repliek te dienen, in onder andere de Analecten en de Zuangzi, twee sleutelwerken van het vroege confucianisme en het taoïsme.
Munt uit de Periode van de Strijdende Staten (Residenzschloss, Dresden)
[Kees Alders schrijft over de oosterse wijsgerige stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over Chinese filosofie stond daar en deze week begint de derde reeks, gewijd aan Meester Mo, het boek Mozi en het mohisme.]
Stel: je bent geboren in China in het jaar 475 v.Chr. Dat is aan het begin van de IJzertijd, en ijzer werd onder meer gebruikt voor betere werktuigen in de landbouw. Je leeft daarmee in een tijd van een landbouwrevolutie. Terwijl je ouders en grootouders noodgedwongen boer waren, heb jij de kans gekregen om je te specialiseren, en bijvoorbeeld timmerman te worden.
Dit is niet de plek om u de details van het corioliseffect uit te leggen. U leest het hier maar na. Maar het vormt, afgezien van de wind en de vorm van het land, een deel van de verklaring voor het feit dat het water in de Middellandse Zee tegen de wijzers van de klok beweegt. Omdat er in deze binnenzee meer water verdampt dan er binnenkomt vanuit de Zwarte Zee en de diverse rivieren, vloeit er altijd water binnen door de Straat van Gibraltar. Dat stroomt dan eerst langs de Maghreb en Libië naar Egypte, en keert dan via de Levant, Anatolië, Griekenland en Italië terug naar de Spaanse costa’s. Soortgelijke stromingen zijn er in de Zwarte Zee, in de Kaspische Zee en in de Perzische Golf.
Vanuit Egypte voer een antieke zeeman dus vrij eenvoudig naar Fenicië, maar van Fenicië voer hij minder makkelijk naar Egypte. Hij voer daarom eerst naar Cyprus en daarvandaan naar het zuiden. De lading van het schip dat bij Uluburun verging, verraadt dat het vaartuig een iets grotere cirkel had gemaakt: het was van Griekenland vertrokken, via Kreta overgestoken naar Afrika, daarvandaan op de zeestroom naar Egypte en de Levant gevaren. Aan de zuidkust van Anatolië, op terugvaart naar Griekenland, is het schip gezonken.
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee leuke ontdekkingen en iets wat u ontdekken moet.
Augustinus
De eerste leuke ontdekking betreft twee preken van Augustinus. Eigenlijk is het niet helemaal eerlijk dat we nu meer materiaal hebben van een Latijnse auteur van wie we sowieso al overstelpend veel teksten hebben: met naar schatting 5.000.000 woorden is het oeuvre van de laatantieke bisschop het grootste uit de Latijnse literatuur. En nu dus twee extra preken.
Tijdens een zeereis zien zeelieden een eiland. Ze besluiten aan wal te gaan, om te onderzoeken wat voor eiland het is. Zou er een bron zijn waar ze vers water uit kunnen putten? Zijn er vruchten en dieren om op te eten? Helaas. Het eiland is kaal en rotsachtig. De mannen besluiten een maaltijd te bereiden met de ingrediënten die zij nog aan boord hadden. Ze doen het eten in een pot, maken een vuur en zetten de pot op het vuur. Ineens begint het eiland te bewegen. Er gaat een rilling over het eiland, is het een aardbeving? Het eiland blijft bewegen en de bewegingen worden steeds heftiger. In paniek rennen de mannen terug naar hun schip. Net op tijd kunnen zij aan boord komen – een paar tellen later verdwijnt het hele eiland onder water. Het bleek geen eiland te zijn, maar een heel grote vis. Of een schildpad. Of een groot zeemonster dat niet in te delen is.
Alexanderroman
De eilandvis is een heel oud motief dat in veel reisverhalen voorkomt. Het is niet uit te zoeken waar de bron is of waar het verhaal precies vandaan komt. Het is heel goed mogelijk dat er verschillende bronnen zijn, dat het verhaal op verschillende plaatsen in verschillende tijden opnieuw bedacht is. Maar een heel oude bron is de Alexanderromanvan Pseudo-Callisthenes die ontstaan is rond 300 v.Chr. Enkele mannen van Alexander de Grote varen naar een eiland voor de kust van India, maar dat eiland verdwijnt ineens. En wel met de mannen erop! Deze mannen komen hierdoor te verdrinken, zelfs Alexanders goede vriend Pheidon. Lees verder “Eilandvis”→
Ik kan eigenlijk best wel wat hebben van de Nederlandse Spoorwegen. Ik reis regelmatig en eigenlijk is het personeel het vriendelijkste van de wereld. Ze verdienen collectief een acht. Maar het blijft een organisatie met een heel problematisch management, en daar moeten we het toch eens over hebben (in de ongetwijfeld vergeefse hoop dat er iets verbetert).
Ik zou op woensdag 17 juni een lezing verzorgen in Doetinchem. En ik ken mijn pappenheimers. Ik neem twee treinen te vroeg en als ik ergens ontspannen moet aankomen, reis ik eersteklas. Dat is een dure grap, want de korting die ik lange tijd kreeg, geldt al een tijdje niet in de late middag, als ik meestal naar mijn (avond)werk ga. Ik betaal te veel voor vervoer dat nog niet zo lang geleden beter was.
Ik denk dat ik maar één keer antiek purper heb gezien. Het was gebruikt om Chinese zijde te verven, en de stukjes textiel lagen op een bovenverdieping in het museum van Deir ez-Zor. Of mijn herinnering klopt, weet ik niet en valt ook niet meer te controleren, omdat het museum is geplunderd in de jaren dat de zogenaamd Islamitische Staat in dit deel van Syrië haar schrikbewind uitoefende. Hoe dat ook zij: textiel, met purper beschilderd, is in het archeologisch databastand vrijwel niet aanwezig.
Logisch, want het was zeldzaam en kostbaar, omdat de productie extreem lastig was. Je leest weleens dat alleen de Romeinse keizer purper dragen mocht. Als die regel al echt heeft bestaan, is ze niet werkelijk toegepast (zie het textiel in Deir ez-Zor), maar gegeven de prijs zal het in de praktijk niet eens nodig zijn geweest om zo’n regel te formuleren.
De wereld voorbij de sterren (volgens Camille Flammarion)
Je moet teksten nooit al te letterlijk nemen, want al snel lijkt het dan alsof er onzin staat. Hier zijn vier regels uit Vergilius’Aeneis, het gedicht dat, in de vorm van een verhaal over de zwerftocht van de Trojanen naar Italië, de lof zingt van keizer Augustus.
[Augustus] super et Garamantas et Indos
proferet imperium. Iacet extra sidera tellus,
extra anni solisque vias, ubi caelifer Atlas
axem umero torquet stellis ardentibus aptum.nootVergilius, Aeneis 6.797-797.
Tot voorbij de Garamanten en Indiërs zal Augustus
het imperium uitbreiden. Er ligt land buiten de sterren,
buiten de banen van jaar en zon, waar hemeldrager Atlas
op zijn schouder de as draait waaraan de fonkelsterren zijn bevestigd.
Zichzelf respecterende heiligen bezitten hulpgerichte eigenschappen die ontleend zijn aan hun levensverhaal. Ook Vitus verleent als ervaringsdeskundige specialistische zorg aan mensen in nood, en bovendien beschermt hij beroepsgroepen. Oorzaak en gevolg zijn steeds te vinden in de Gulden Legende, parallelle varianten en latere toevoegingen. Daaruit afgeleide woord- en beeldassociaties spelen ook een rol.
Vitus’ ontsnapping per schip uit Sicilië resoneert in een vrome legende waarin hij vissers uit een storm redt. Een imposante beeldengroep in San Vito lo Capo bevestigt die nautische reputatie. Aan de haven, de plek van de jaarlijkse heropvoering van zijn aankomst per schip en het startpunt van een feestelijke processie, speurt hij met wapperend haar en samen met zijn waakzame honden de zee af. Kruis en palmtak geven spiritueel decorum aan zijn sportschooltorso.
[Het is vandaag de feestdag van Sint-Vitus. Dit is het voorlaatste van vijf blogjes die Jos Hanou schreef over deze heilige. Het eerste was hier.]
Reislustige relieken
De historiografische invulling van dit hoofdstuk is een collage van divers bronmateriaal en wil niet meer zijn dan een aanvaardbare omlijsting van de gekozen iconografie. Volgens een mistige overlevering werd Vitus’ lichaam in 583 ontdekt, en in 700 naar Rome overgebracht. Daar bleef het niet lang. Paus Stephanus II zocht wereldlijke steun tegen zijn Langobardische en Byzantijnse vijanden in Italië en nam de met geestkracht gevulde relieken in 756 mee naar de abdijkerk Saint-Denis voor de zalving van Pippijn de Korte tot koning der Franken.
Daar genoot het prestigieuze relatiegeschenk kort rust, want in 836 belandde het in de benedictijner abdij Corvey, een Karolingisch cultuurcentrum aan de Weser. Een mogelijke oorzaak was onmin tussen de Frankische keizer Lodewijk de Vrome en abt Hildewijn van Saint-Denis, die noordwaarts vluchtte met Vitus als reisbagage. Zo’n illegale translatio werd gedoogd als ongevraagd verplaatste heiligen gewoon doorgingen met het verlenen van afgesmeekte gunsten. Ook Vitus ging akkoord, want volgens geschiedschrijver Widukind van Corvey “begon het geluk van de Franken te dalen en van de Saksen te stijgen”.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.