MoM | Over wetenschapscommunicatie

Het leuke van een eigen blog is dat je kunt doen en laten wat je zelf wil. Vandaag dus een “Methode op Maandag” die niet gaat over methode, al heeft dit stukje daarmee gemeen dat het geen “schrijven over de Oudheid” is maar “schrijven over oudheidkunde”. Ik had namelijk een beknopt overzichtje nodig waarin alles over online-voorlichting over de Oudheid bij elkaar staat. Vandaar. Voor de vaste lezers van deze blog vertrouwde stof.

***

Om te beginnen: de opkomst van het internet heeft de ontwikkeling van de wetenschapscommunicatie versneld. In de jaren tachtig gold nog dat er sprake was van een “zender” (de wetenschapper), die zijn inzichten “populariseerde” ten behoeve van de “ontvangers” (de burgers), maar dat is inmiddels achterhaald – en was dat eigenlijk destijds al. Dat oude populariseren wordt tegenwoordig vooral sarcastisch aangeduid met een knipoogje naar de Rijdende Rechter: “dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen”.

Wat schort eraan?

De tweede lijn

Er is al sinds de jaren zestig een overaanbod aan informatie en dat dwingt iedereen selecties te maken. Dat heeft een gevolg voor de receptie van de informatie: het publiek is niet langer een passieve ontvanger maar een actieve selecteerder. Er zijn wat theorieën met gruwelnamen als PUS en PAS en PES en PPS, en het is u vergeven als u die wil vergeten, maar samengevat komen ze er allemaal op neer dat de wetenschap een stap extra moet zetten om te tonen wat haar aanbod beter maakt dan andere vormen van informatie. We moeten uiteraard de conclusies presenteren (de “eerste lijn”) en we moeten dat doen waar mensen die vinden (hier dus, waar u dit nu leest, op het internet), maar we moeten óók inzicht verschaffen in het wetenschappelijk proces. Ik verwijs maar weer eens naar Tussen onderzoek en samenleving (2013).

Eén aspect is uitleg van de methode. Dat hoeft voor het publiek niet de eerste kennismaking met het vak te vormen, maar deze informatie – de tweede lijn – behoort in een professionele voorlichting wel beschikbaar te zijn. Met een muisklik. Van een wetenschap die dit nalaat, zullen mensen denken dat er geen methode is, dat een wetenschappelijke opleiding overbodig is en dat iedereen kan bijklussen. Dan roep je het dilettantisme over je af en elke oudheidkundige heeft daarmee ervaring.

De noodzaak uit te leggen wat wetenschappers doen komt niet alleen voort uit de noodzaak te concurreren met andere bronnen van informatie, maar ook uit de snelle groei van het aantal hoogopgeleiden, die een hoge informatiebehoefte hebben. Blijft deze onbeantwoord, dan gaan ze zelf op zoek naar informatie en als dan niet is getoond hoe de geesteswetenschappen functioneren, is de kans reëel dat ze een kwakhistorische theorie aanvaarden en uitgroeien tot wetenschapssceptici. Dat aan het begin van deze eeuw het negentiende-eeuwse, allang weerlegde frame herleefde dat het oude Nabije Oosten mystiek, religieus en despotisch is geweest en dat het westen rationeel, humanistisch en democratisch was, hangt ermee samen dat de oudheidkundige wetenschapsvoorlichting niet met het publiek is meegegroeid.

De derde lijn

Overigens snijd je niet alle scepsis de pas af door het wetenschappelijk bedrijf uit te leggen. Het is namelijk helaas niet waar dat mensen de conclusies van de wetenschap vanzelf aanvaarden als hun “science deficit” eenmaal is verholpen. Een deel van de scepsis komt voort uit onwil te aanvaarden dat de wetenschappelijke methode werkelijk de meest redelijke is. Of liever gezegd: de minst onredelijke.

De reden van deze onwil is meestal dat mensen om een of andere reden bezorgd zijn. De Iraanse nationalisten die (in lijn met de propaganda van de laatste sjah) menen dat de Cyruscilinder een mensenrechtendocument is, worstelen nog met de trauma’s van de Iraanse Revolutie. (De kwestie is trouwens weer actueel.) De afrocentristen of afrikanisten, die menen dat Egypte een “zwarte” cultuur is geweest waar een flink deel van de Mediterrane culturen ideeën aan heeft ontleend, hebben te maken met een alleszins reële achterstelling op de arbeidsmarkt. De Jezusmythicisten, die denken dat Jezus een mythisch figuur was, maken zich zorgen over religieus fundamentalisme. Deze mensen vinden elkaar op eigen internetfora, delen uit het informatieoveraanbod dezelfde gegevens en versterken elkaar.

Er is daarom een derde-lijns-informatievoorziening nodig, die erop is gericht de discussie over de bezorgdheid te scheiden van de wetenschappelijke discussie. Dat moet je doen in een persoonlijk gesprek. Een mooi voorbeeld is hoe de bioloog Ronald Plasterk de tijd nam om Andries Knevel uit te leggen dat de evolutieleer niet betekende dat God geen zorg voor de mensen zou hebben.

Drie dingen staan als een paal boven water:

  1. Om een wetenschappelijke discipline ten gronde te richten, volstaat het de voorlichting te beperken tot presenteren van de inzichten; de mechanismen waarmee scepsis groeit, zullen de rest doen.
  2. Het gaat natuurlijk sneller als je je vak überhaupt niet uitlegt of afziet van aanwezigheid op het internet.
  3. Zonder derde lijn van persoonlijke communicatie zullen sceptici een discipline blijven achtervolgen.

De noodzaak een derde lijn te ontwikkelen past slecht bij de huidige universiteit die, zoals ik De klad in de klassieken constateerde, niet de ideale inbedding is voor het maatschappelijk functioneren van de geesteswetenschappen (meer, meer). We moeten in feite een nieuwe kennisinfrastructuur ontwerpen en als we, ontwerpenderwijs, constateren dat de universiteit een geschikte vorm is, bon, maar het bestaan van universiteiten kan niet langer het vanzelfsprekende vertrekpunt zijn van het wetenschapsbeleid.

Bad information drives out good

Ik zie die hervorming er niet komen. Wat we echter minimaal kunnen doen, is stoppen met het online plaatsen van verouderde informatie. U zegt dat dat logisch is en u hebt gelijk, maar Google scant het ene negentiende-eeuwse boek na het andere in en plaatst het online. Als er (populair)wetenschappelijke tijdschriften digitaal beschikbaar komen, betreft het altijd oude jaargangen met verouderde inzichten.

Verder moet actuele informatie even gemakkelijk te vinden zijn als oude. Helaas liggen wetenschappelijke publicaties doorgaans achter betaalmuren, waardoor degene die in een discussie met een kwakhistoricus wil verwijzen naar actuele inzichten, nu al jaren op achterstand staat. Bad information drives out good. Weliswaar zullen de betaalmuren over een paar jaar worden geslecht, maar de VSNU heeft nog geen plan aangekondigd om de verouderde inzichten terug te dringen die de laatste jaren zijn teruggekeerd. Martijn van Calmthout grapte onlangs dat hij de kwestie eens aan de minister zou voorleggen, maar het is triest dat een grapje van een columnist onze enige hoop is.

Geen enkele oudheidkundige is verbaasd over de aanval op de waarheid die we nu onder Trump tot wasdom zien komen. De oudheidkunde is immers de laatste jaren de generale repetitie geweest. Elke oudheidkundige heeft de kloof zien groeien tussen enerzijds de wetenschap en anderzijds een naar verouderde opvattingen en andere onzin terugkerend publiek. Desinformatie is als tandpasta die uit de tube is geduwd: het zal nog een hele klus zijn die erin terug te duwen. We moeten een professionele wetenschapsvoorlichting bouwen.

Onze troeven

Daarbij hebben we geweldige troeven. Om te beginnen vindt iedereen de Oudheid boeiend. Het is nu eenmaal “the age of experiment” waarin alles voor het eerst is gedaan. Het tijdvak trekt weliswaar een hoop pseudowetenschappers, kwakhistorici en sceptici aan, maar hun belangstelling toont ook dat het vak geliefd is.

Nog een troef: slechts weinig disciplines kunnen trots hun data tonen, maar wij hebben geschreven bronnen en allerlei vondsten. Het publiek vindt dat geweldig. De bezoekersaantallen van de Nineveh-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden overtreffen de verwachtingen. Het geweldige is dat we de puzzel waarmee we van die data komen tot onze conclusies, kunnen uitleggen en mensen een reden kunnen bieden om zich verder in ons vak te verdiepen: er is steeds iets interessants te ontdekken.

Kortom, nog is niet alles verloren. Maar we moeten wel eens aan het werk.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

Trier

Deel van het Fausta-fresco (Trier, Bischöfliches Dom- und Diözesanmuseum)

Een paar maanden geleden maakte ik met mijn zakenpartner een reisje door dat stuk van Europa waar je gedachteloos doorheen reist op weg naar échte buitenlanden: de Ardennen, de Moezelvallei, de Elzas, Champagne. Gebieden die eigenlijk prachtig zijn maar die we, blasé als we zijn, altijd hadden genegeerd. Ik blogde al over Bastogne en de Titelberg en neem u vandaag mee naar Trier, de enige bestemming op dit reisje waarvan ik kan zeggen dat ik die niet had genegeerd.

Trier is geweldig. Ik kom er al jaren tot mijn genoegen, al sliep ik dit keer voor het eerst in een hotel waar op mijn kamer een portret hing van Triers beroemdste zoon, de negentiende-eeuwse journalist, filosoof, politicus, econoom, publicist, oproerkraaier, visionair en socioloog K. Marx. Zijn familie woont nog steeds in de stad: als je de door de Romeinse keizer Constantijn gebouwde basiliek een beetje leuk op de foto wil zetten, is het onvermijdelijk dat je met je rug gaat staan naar Modehaus Marx.

Lees verder “Trier”

Onderbuikgevoelens (1)

Hier waren vroeger voldoende fietsenrekken.

Afgelopen zondagmiddag had ik een belangrijke afspraak. Met een grote tas liep ik de trap af, mijn huis uit, de straat op, klaar om weg te rijden. Maar waar was mijn fiets?

Gestolen dus. Een delict dat klaarstond om gepleegd te gaan worden. De gemeente Amsterdam heeft namelijk in haar oneindige wijsheid enkele fietsenrekken uit mijn straat weggehaald, terwijl er juist meer mensen zijn die zich fietsend verplaatsen. De fiets vastzetten aan de brug, aan een regenpijp of wat dies meer zij, is al heel, heel lang niet meer mogelijk. Een dief heeft het hier voor het uitzoeken en dat gebeurt dan ook regelmatig. Je pakt gewoon een losstaande fiets mee, loopt een stukje verder en schroeft het slot daar op je gemak los.

Gegeven de voorspelbaarheid van de diefstal kon ik er eigenlijk niet eens echt mee zitten. De dief deed gewoon z’n werk. Het was de gemeente waarop ik kwaad was. En dat is natuurlijk een typische onderbuikreactie, want zelfs al waren er helemaal geen rekken meer en zelfs al stond mijn fiets niet op slot, dan nog heeft een dief met z’n jatten van mijn spullen af te blijven.

Lees verder “Onderbuikgevoelens (1)”

Multatuli en W.F. Hermans

Van Gerard Reve is het bekende grapje dat hij ooit een boek zou schrijven dat alle andere boeken overbodig zou maken, behalve natuurlijk de Bijbel en het telefoonboek. Nu dat laatste er niet langer is en Reve zijn eigen monumentale boek niet heeft geschreven, is de vraag pertinent welke boeken er wel echt toe doen. Er zijn lijstjes, zoals deze top-tien en deze canon, en ze zijn niet helemaal onzinnig, maar eigenlijk liggen maar een stuk of twintig titels me echt na aan het hart en daarvan zijn er maar drie gecanoniseerd: Karel ende Elegast, Multatuli’s Woutertje Pieterse en Hermans’ De donkere kamer van Damokles.

Het komt mij dus goed uit dat het laatste Multatuli Jaarboek – de opvolger van het tijdschrift Over Multatuli – is gewijd aan Hermans én Multatuli. Twee literaire helden in één klap. Ik heb het meteen uitgelezen.

Lees verder “Multatuli en W.F. Hermans”

De wolken achterna

De heide bij Kootwijk

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, werk ik momenteel aan een boek over het visioen van Constantijn – doe mijn uitgever en mijn boekhandelaar een lol en bestel het alvast met deze link – en de tekst daarvan is grotendeels klaar. Ik ben nu in de fase waarin ik allerlei details controleer en ik meelezers vraag mijn werk te controleren. Gisteren, woensdag dus, kwam de correctie binnen van mijn coauteur, Vincent Hunink, en een deel van zijn aantekeningen deed me lachen. Ik had het manuscript al laten nakijken door een oud-leraar, die altijd komma’s bijplaatst; Vincent haalde die nu allemaal weer weg.

Om een uur of een had ik een tekst af die ik aan meelezers kon uitdelen. Een bescheiden mijlpaal en ik besloot de boel de boel te laten en een fietstochtje te gaan maken, de wolken achterna, waarheen de wind me maar zou blazen.

Zo gezegd, zo gedaan.

Lees verder “De wolken achterna”

Voorouders

De Bataafse ruiter Imerix (Archeologisch Museum, Zadar)

Ik heb weleens geschreven over de boeken van Luit van der Tuuk, de conservator van het (momenteel wegens verhuizing helaas gesloten) Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Prima boeken over de doorgaans onderbelichte maar o zo belangrijke Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen. Op een van de laatste dagen van het afgelopen jaar kreeg ik n.a.v. een van mijn stukjes een vraag voorgelegd.

Van der Tuuk merkt namelijk ergens op dat we de mensen die in de Romeinse tijd in de Lage Landen woonden onze voorouders niet kunnen noemen. Mijn correspondent vroeg zich af hoe dat zo kon zijn. Als je familie al een paar eeuwen in het rivierengebied woonde, zo schreef hij, dan was het toch niet uitgesloten dat er een directe Bataafse voorouder in de stamboom was, iemand die hier al in de Romeinse tijd leefde? Was dat niet waarschijnlijk?

Lees verder “Voorouders”

De Constantijnmeteoor

Hoewel hij meer op Sylvester Stallone lijkt, is dit toch echt Constantijn de Grote (Capitolijnse Musea, Rome)

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, verschijnt in april een boek van mijn hand over het visioen waarmee de weg van keizer Constantijn de Grote richting christendom begon. Vincent Hunink heeft de oudste tekst over die gebeurtenis, een redevoering uit het jaar 310, voor de gelegenheid vertaald. Ik neuzel nog wat om die vertaling heen en ik meende, naïef als ik ben, dat dit een onderwerp was waarbij ik me zou kunnen concentreren op datgene waarover u wil lezen.

Helaas is dat niet het geval. Iedereen vindt de Oudheid namelijk interessant en dat betekent dat er vrijwel geen onderwerp is waarover geen onzintheorie de ronde doet. En jawel, ook over het visioen van Constantijn is een onzintheorie: Constantijn heeft een meteoor zien neerkomen.

Eh?

Lees verder “De Constantijnmeteoor”