Oudheidkundes

Aardewerk uit Sidon

Oudheid, oudheidkundigen en oudheidkundes

Archeologische vondsten en geschreven teksten (“bronnen”) zijn de voornaamste categorieën bewijsmateriaal over de oude wereld. Daarnaast verscherpen vergelijkingen met andere samenlevingen ons inzicht. Het bewijsmateriaal is dus gevarieerd, maar schiet desondanks vaak tekort. Het vergt bovendien scholing om de beperkingen en mogelijkheden van de diverse bewijscategorieën te begrijpen. Doordat de universiteiten studenten niet alles kunnen bijbrengen, zijn allerlei oudheidkundige specialismen ontstaan.

Er zijn dus classici, historici en archeologen. Ze houden zich allemaal bezig met de cultuur van de tijd waarin de mensheid allerlei dingen voor het eerst deed. Classici richten zich op de Griekse en Latijnse taal en literatuur. Archeologen bestuderen de materiële kant van de antieke cultuur. Historici richten zich meer op de gebeurtenissen en processen.

Andere oudheidkundigen zijn gespecialiseerd in één specifieke antieke cultuur. Egyptologen houden zich dus bezig met Egypte, en u kunt wel raden waarmee iranologen, etruskologen, hittitologen en germanisten zich bezig houden. De assyrioloog heeft een wat misleidende naam, want hij bestudeert Mesopotamië, waarvan Assyrië en Babylonië de twee voornaamste delen zijn.

Tot slot zijn er oudheidkundigen die zich toeleggen op een bepaald type bewijsmateriaal. Papyrologen bestuderen de teksten van tweeduizend jaar geleden: vaak snippers papyrus of perkament. Epigrafen zijn inscriptiekenners en numismaten weten alles van munten.

Deze bloedgroepen hebben vooral betekenis voor het onderwijs. De onderzoeker heeft er niet zo veel aan: doordat er dataschaarste bestaat, moet een wetenschapper álle informatie gebruiken. Ook in de voorlichting zijn die bloedgroepen niet zo belangrijk. U wil iets weten over de antieke cultuur, niet over de antieke cultuur met de beperkingen van de archeologie of de antieke cultuur met de beperkingen van de classici.