Orfeus in de jaren tachtig

Een van mijn eerste recensies was gewijd aan De dwaas van Palmyra van Jan van Aken. Niet veel later liep ik hem in Amsterdam tegen het lijf. Ik schoot hem aan en we maakten een praatje. We stelden vast dat we bij elkaar om de hoek woonden en zijn nadien een paar keer wezen lunchen. Ik zou dus liegen als ik zei dat ik onbevooroordeeld ben begonnen aan Het fluwelen labyrint, het boek dat Van Aken zelf beschouwt als zijn beste werk. Het publiek dacht daar overigens anders over: Het fluwelen labyrint is als enige van Van Akens romans uitverkocht en niet meer in druk gebracht.

Is het inderdaad zo goed als Van Aken zelf denkt? Of hadden de recensenten gelijk die het beschouwden als minder dan bijvoorbeeld zijn veelgeprezen De valse dageraad? Aanvankelijk neigde ik naar het tweede. Ik las Het fluwelen labyrint vooral omdat ik wist dat ik Van Aken daar een plezier mee deed: niet met tegenzin, maar het duurde even voor ik “erin kwam”.

Toch is het verhaal vrij simpel: de jonge Einar heeft besloten zijn junkie-bestaan vaarwel te zeggen maar keert terug naar de onderwereld van dealers en prostitutie om zijn oud-geliefde Isida te gaan redden. (Als modernisering van de Orfeusmythe doet Het fluwelen labyrint denken aan Hubert Lampo’s De goden moeten hun getal hebben.) Van Aken begint dit verhaal op het moment waarop Einar de beslissing neemt nog eenmaal terug te keren, en wisselt de verhaallijn van de daaropvolgende zoektocht af met lange flashbacks naar Einars leven als dealer en zijn relatie met Isida. Dit dubbele verhaal wordt verteld door drie vrienden, die zich weer baseren op het dagboek dat Einar in zijn voormalige stamcafé heeft laten liggen. Dat blijkt niet altijd even betrouwbaar, terwijl ook de drie vertellers elkaar wel eens beschuldigen van goedgelovigheid of onnauwkeurigheid – het reconstrueren van het verleden is nog niet zo makkelijk. Enkele “divertimenti” onderbreken het relaas. Ik had even nodig voor ik deze vertelstructuur had doorgrond.

Ik begreep aanvankelijk ook niet goed wat Isida zo aantrekkelijk maakte, terwijl de dingen die de geliefden meemaakten – op zich beslist onderhoudend – zich aaneenregen zonder dat er een grotere plot achter leek te zitten. Dat is een trekje dat Van Akens boeken wel vaker hebben. In Het oog van de basilisk en in Koning voor een dag blijkt pas op de laatste pagina’s dat het verhaal heel vernuftig in elkaar zit en dat de schrijver voortdurend naar een doel toe werkte. Maar in Het fluwelen labyrint is die richtingloosheid er niet slechts om in de ontknoping te worden uitgelegd; ze is dit keer noodzakelijk omdat het verhaal zich afspeelt in de junkiewereld, het “fluwelen labyrint” waarvan Einar een aantal doodlopende paden afloopt. De roman moet wel plotloos overkomen omdat het leven van de twee verslaafden richtingloos is.

Dit wil allerminst zeggen dat het boek saai is: daarvoor staat de voortdurende perspectiefwisseling garant, en anders de gevarieerde stof. Van Aken presenteert gesprekken, beschrijvingen van het gebruik van bewustzijnsverruimende middelen, urban legends waarvan de betrouwbaarheid vervolgens aanleiding is voor discussies, sappige anekdotes, weetjes (“ouwehoeren” is afgeleid van het Latijnse augur), maffe theorieën en verwijzingen naar antieke mythen. Dit laatste gelukkig onnadrukkelijk. Wie niet ziet dat de naam Isida een knipoogje is naar een Egyptische godin die werd aangeduid als ‘koningin der doden’, zal niet minder plezier beleven aan de roman.

Al met al is het boek te vergelijken met wat de Romeinen een satura noemden: eigenlijk een schotel met verschillende gerechten, en in de letteren een tekst in uiteenlopende stijlen over verschillende onderwerpen, waarbij mythologie niet werd geschuwd. Meer dan eens moest ik bij het lezen van Het fluwelen labyrint denken aan hét klassieke voorbeeld van dat genre: Petronius’ Satyrica, dat ook kan worden gelezen als verhaal over het dodenrijk.

Van Aken legde met Het fluwelen labyrint zijn meesterproef af en het boek kan inderdaad worden beschouwd als zijn beste werk. Maar de publieksreactie is ook begrijpelijk. De vertelstructuur is ongebruikelijk complex, en vooral: de lezers verwachtten iets anders van een schrijver die zich leek te specialiseren in straight forward geschreven boeken over de klassieke traditie. Van historische romans wordt wel gezegd dat ze worden gelezen door mensen die aan het heden willen ontsnappen. Als dat waar is – ik heb wat twijfels – kon niets Van Akens vertrouwde publiek méér schokken dan dit boek dat, de lezer de werkelijkheid zó in het gezicht smijt. Het boek confronteert de lezer immers genadeloos met het feit dat in de jaren tachtig een grote groep goed opgeleide jonge mensen totaal werd afgeschreven en geen toekomst kon worden geboden – ze waren ‘van alle markten thuis, behalve van de arbeidsmarkt’.

De in Het fluwelen labyrint geschetste perspectiefloosheid is die van wat door de Utrechtse socioloog Henk Becker ‘de verloren generatie’ is genoemd: de mensen die zijn geboren na de babyboom en in de jaren tachtig werk moesten zien te vinden. Scholing verbeterde hun kansen niet, integendeel. Einar kan zich niet meer tot zijn studie zetten. Niet iedereen vluchtte naar de dope; het geweld van de kraakbeweging – waaraan ook Van Aken refereert – was evenmin ieders keuze; maar Einar is Elckerlyc en Het fluwelen labyrint is het boek van een generatie.

[Deze recensie verscheen eerder op Recensieweb.]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s