Poëzie: De Jordaan

Bron van de Jordaan

De Jordaan

Jozua trok hier over de rivier
In het water van het jonge land
Waste hij zijn vechtershand
De zonden van zijn volk zijn hem vergeven

“En jullie, zien jullie de twaalf stenen niet?
Jullie zijn de getuigen van het woedende bevel”

Jezus kwam aan bij de Jordaan
In het water van zijn jongenshoop
Heeft Johannes hem gedoopt
De zonden van zijn ouders zijn hem vergeven

“En jullie, wie denken jullie dat ik ben?
Jullie zijn de getuigen van het bloedende herstel”

In het nieuwe jaar was ik ook daar
In het water van de Leliegracht
Dronk ik sterren uit de eerste nacht
De zonden van mijn vrouw zijn mij niet vergeven

“En jullie, zien jullie de rode bordelen niet, waar ze zich heeft volgevreten aan halva, dadels en andere zoetigheden?
Jullie zijn de getuigen van de hoerende hel”

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Piet Hein

Piet Hein (Delfshaven)

Piet Hein

Die d’aard van Neêrlands volk in eens wil door zien steken,
En weten, wat bij elk het hoogst in achting staat,
Noem’ mij op markt, op beurs, bij kinders op de straat,
Hij zal ze van mijn buit, de Zilvervloot, doen spreken.

Maar wat ik meer bedreef, mijn’ wezendlijken lof!
“O!” zegt heel Amsterdam, “daar wete wij niet of,
Daar het de wisselbank gien oortje van gestreken.”

[De slag in de Baai van Matanzas vond plaats op 7/8 september 1628.]

Geliefd boek: Lingua Tertii Imperii

Lingua tertii imperii, dat klinkt naar een Latijns boek, zeer passend voor deze blog. Dat is echter niet het geval. LTI was een geheim project van Victor Klemperer, een letterlijk levensgevaarlijk project. De afkorting en ook de Latijnse titel waren bedoeld om geen argwaan te wekken bij mensen die toevallig ervan hoorden. Het gaat om het taalgebruik in het “Derde Rijk”, dus Nazi-Duitsland, opgeschreven door iemand die deze dictatuur eigenlijk niet mocht overleven. Victor Klemperer was van joodse komaf en kon de nazi’s alleen overleven door zijn niet-joodse vrouw Eva, en – hoe gek het ook klinkt – door het bombardement van Dresden.

Jood in de oorlog

In 1920 werd hij professor in de Romanistiek in Dresden. In 1935 werd hij op grond van de rassenwetten ontslagen. Hij werkte eerst aan een boek over de geschiedenis van de Franse literatuur in de achttiende eeuw, wat steeds moeilijker werd, aangezien hij steeds minder bibliotheken kon gebruiken. Daarom richtte hij zich steeds meer op zijn dagboek. Zijn dagboek, of beter gezegd dagboeken, zijn na zijn dood in meerdere delen verschenen en laten intensief mee beleven, hoe het leven van joodse burgers in Duitsland steeds onleefbaarder werd. Steeds weer denkt Klemperer dat het niet erger kan worden en dat wordt het toch nog veel erger.

Lees verder “Geliefd boek: Lingua Tertii Imperii”

Poëzie: Pompeius

Pompeius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Pompeius

Lucanus schrijft in de Pharsalia
Over een plek vol dode bomen
Een glazen huis
Besmeurd met menselijk bloed
Bosgoden durven er niet te komen

Leunend tegen een boom
Slaapt een haarloze beer
Met stijve poten, kan niet liggen
Kan zijn knieën niet strekken
Om weer op te staan

Niemand het onmogelijke
Pompeius de Grote
Spiedt om zich heen
Hij durft wel het bos in
Maar nooit alleen

Afgrond roept tot de afgrond
Tak voor tak
Nadert hij de grens
Een beer staart hem aan
Met de blik van een mens

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Kuifje en de mijnen van koning Salomo

Een jeugd zonder Kuifje is net een tikje minder leuk dan een jeugd met de jonge reporter, en ik vermoed dat althans de oudere lezers van deze blog het bovenstaande plaatje wel herkennen. Inderdaad, het komt uit Kuifje en de Zonnetempel.

De titelheld en zijn vrienden Haddock en Zonnebloem zijn gevangen genomen door Inka’s en zullen levend worden verbrand, maar Kuifje weet dat er een zonsverduistering zal zijn, en speldt de Inka’s op de mouw dat de Zon de executies verbiedt. Het morbide verhaal wordt nergens te zwaar op de hand doordat professor Zonnebloem in de veronderstelling verkeert dat hij figurant is in een filmopname. Zijn van alle realiteitszin gespeende commentaar houdt het verhaal prettig verteerbaar.

Lees verder “Kuifje en de mijnen van koning Salomo”

Poëzie: Bibracte II

Bibracte (Musée de Bibracte)

Bibracte II

We picknicken op de opgraving
met chocolademelk en chips
en een appel toe

en lopen daarna de paden af

nog 800 meter
langs de tempel van Sint Maarten
en een klimboom

nog 500 meter
een hagedis de eerste
waar 1000 varens bloeien

nog 300 meter
net zover als van school naar huis
dalen we de tunnel in

de koplopers snel
de achterhoede langzaam
springen over een harde zon
zo de museumwinkel in

nog één meter
waar we iets gaan kopen
voordat we de maquette
beluisteren in een Haags accent

over de eerste opgravers
in miniatuur
de archeoloog uitgelegd
toegetakeld opgelicht

we een foto ontdekken
van de tempel waar
we zojuist dansten
in gele jurken

Lees verder “Poëzie: Bibracte II”

Poëzie: Bibracte I

De opgraving van Bibracte

Bibracte I

Humus onder mijn denken
is zacht en stevig als
wandelschoenleer

het wakkere woud veert op
en speelt met mijn overwegen
een Keltisch wielenspel

bronzen naaktslak steekt over –
gepeins rolt naar beneden
tussen oereiken druipend mos
liggen bulten bos die
de zielen bedekken

de kale daden die we nog
niet ruiken die ik
voor me houd en anderen
hopelijk voor waar nemen

tot er op een dag
een metalen wichelroede klikt
en alles mag worden als het was

aangroeiend gesterf

Lees verder “Poëzie: Bibracte I”

Eilandvis

Brandaan en de eilandvis

Tijdens een zeereis zien zeelieden een eiland. Ze besluiten aan wal te gaan, om te onderzoeken wat voor eiland het is. Zou er een bron zijn waar ze vers water uit kunnen putten? Zijn er vruchten en dieren om op te eten? Helaas. Het eiland is kaal en rotsachtig. De mannen besluiten een maaltijd te bereiden met de ingrediënten die zij nog aan boord hadden. Ze doen het eten in een pot, maken een vuur en zetten de pot op het vuur. Ineens begint het eiland te bewegen. Er gaat een rilling over het eiland, is het een aardbeving? Het eiland blijft bewegen en de bewegingen worden steeds heftiger. In paniek rennen de mannen terug naar hun schip. Net op tijd kunnen zij aan boord komen – een paar tellen later verdwijnt het hele eiland onder water. Het bleek geen eiland te zijn, maar een heel grote vis. Of een schildpad. Of een groot zeemonster dat niet in te delen is.

Alexanderroman

De eilandvis is een heel oud motief dat in veel reisverhalen voorkomt. Het is niet uit te zoeken waar de bron is of waar het verhaal precies vandaan komt. Het is heel goed mogelijk dat er verschillende bronnen zijn, dat het verhaal op verschillende plaatsen in verschillende tijden opnieuw bedacht is. Maar een heel oude bron is de Alexanderroman van Pseudo-Callisthenes die ontstaan is rond 300 v.Chr. Enkele mannen van Alexander de Grote varen naar een eiland voor de kust van India, maar dat eiland verdwijnt ineens. En wel met de mannen erop! Deze mannen komen hierdoor te verdrinken, zelfs Alexanders goede vriend Pheidon.
Lees verder “Eilandvis”

De weerwolf van Jan Wier (2)

Jan Wier

[Dit is de vertaling die Bas Jongenelen maakte van hoofdstuk 14 uit De lamiis liber, waarmee Jan Wier in 1577 aantoonde dat weerwolven niet kunnen bestaan. Een inleiding was hier en het Latijn is daar.]

Mensen kunnen door geen enkele kracht in beesten veranderd worden (hoofdstuk 14)

Aan de almacht van heksen wordt ook toegeschreven dat zij zich echt en geheel kunnen veranderen in wolven, bokken, honden, katten en dieren beesten; om hun lusten te bevredigen, en dat zij zich per direct weer terug kunnen veranderen in mensen. Zelfs door zeergeleerden wordt deze waanzin als absolute waarheid verdedigd.

Lees verder “De weerwolf van Jan Wier (2)”