Hongerwinter in Amsterdam

Twee deelnemers aan een hongertocht (Wikimedia Commons; fotograaf onbekend / Anefo)

Voor mensen met hart- en vaatziekten, diabetes, vetzucht en nog zo wat ziekten van een welvarende maatschappij, meestal de rijkeren dus, was de Hongerwinter eigenlijk wel een goede medicijn. Sommigen hadden daarna geen last meer van die kwalen. Maar de meesten leden honger, of stierven zelfs.

De Hongerwinter van 1945

De boeren in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal leverden in ruil voor waardevolle spullen of koffie en thee, zakken met graan en aardappelen en groenten zoals kool. Je moest daarvoor al gauw helemaal naar de Kop, voorbij Hoorn en Alkmaar. Hele gezinnen trokken met handkarren de pont over op weg naar voedsel. Barre tochten waren dat, want het was een strenge winter en veel warme kleren had men niet. De Duitsers wisten van de hongertochten en soms stonden er soldaten bij de toegang tot de pont naar Amsterdam en dan kwamen de mensen na hun barre tocht terug met lege handen – de handkarren werden ook in beslag genomen – thuis.

Lees verder “Hongerwinter in Amsterdam”

We moeten Antwerpen helpen, echt

Het Steen.

In Antwerpen, een van de boeiendste steden van België, is wat ophef ontstaan over de aanbouw van een terminal voor cruiseboten. Die komt naast het Steen. Die van Antwerpen zijn er niet heel gelukkig mee.

Toch moet me van het hart dat het goed is dat er toeristen gaan naar Antwerpen. Ik zeg dat vanuit historisch schuldbewustzijn; wij Amsterdammers lieten ooit de Westerschelde afsluiten om te verhinderen dat Antwerpen onze concurrent werd en toen dat niet langer ging vaardigden we Jan van Speijk af. Als Amsterdammers hebben we iets goed te maken, dus ik verwijs internationale reizigers graag naar de mooie stad aan de Schelde.

Lees verder “We moeten Antwerpen helpen, echt”

Bij ons in het dorp (16)

Amsterdam-Zuid en sculptuur, dat gaat zelden goed. Ik heb weleens geblogd over het beeld “Searching For Utopia“, dat een paar jaar geleden in het kader van een expositie tot ieders genoegen stond aan de Amsterdamse Apollolaan. Er was geen geld om het permanent te laten staan en nu staat het dus op de Citadel in Namen.

En het wordt er niet beter op. Het bovenstaande beeld staat voor de nieuwbouw van de rechtbank aan de Parnassusweg. De bezoekers komen rechts naar de hoofdingang lopen. Waarschijnlijk nerveus. En daar staat dus een enorm beeld in de houding waarmee men gemeenlijk pleegt aan te duiden dat iemand je de kont kan kussen.

Je vraagt je wel eens af: Waar hebben wij het aan verdiend?

Bij ons in het dorp (15)

Gijsbrecht van IJsselsteinstraat, hoek Onstein

Door familieomstandigheden woon ik tijdelijk niet in Oud-West maar in Buitenveldert. Amsterdam is zo groot niet, dus er zijn eigenlijk maar twee dingen anders: enerzijds is het hoekje halal dat ik ken uit mijn eigen supermarkt in deze buurt een hoekje kosjer, en anderzijds wordt het oud papier hier minder vaak opgehaald. De buurtbewoners brengen het netjes naar de containers maar omdat die altijd vol zijn, zwerft het karton overal door de straat.

Lees verder “Bij ons in het dorp (15)”

Bij ons in het dorp (14)

Bij ons in het dorp vindt de gemeente het niet zo nodig de eigen burgers te waarschuwen dat er weleens verkeer van rechts kan aankomen. Of misschien was het geld wel op en moest de gemeente bezuinigen op verf, en dan is toch wel meegenomen dat het Engelse Look een letter minder heeft dan Pas op.

Oké, de reeks “Bij ons in het dorp” is er om eens lekker te mopperen. Helemáál serieus hoeft u me niet te nemen. Het is ook verre van mij om iets als “eigen volk eerst” te zeggen.

Lees verder “Bij ons in het dorp (14)”

Bij ons in het dorp (13)

Dit is de zuidelijke toegang van station Amsterdam-Zuid.  Boven de twee ingangen staat “verboden te fietsen”, geflankeerd door twee verkeersborden die hetzelfde zeggen. Die borden worden links en rechts van de rechtertunnel nog eens herhaald, geplakt op het lichtgroene glas. In de tunnels staan twee blauwe borden met hetzelfde verkeersbord. Moeilijk zichtbaar is dat achter de twee blauwe borden op de muur ook nog eens de mededeling hangt dat het verboden is hier te fietsen.

Dat zijn dus twaalf verbodsborden op – wat zal het zijn? – twaalf meter breedte. Uniek is dat in Amsterdam niet, maar waarom, Station Zuid, waarom?

Bij ons in het dorp (12)

Bij ons in het dorp is ooit, op een moment waarop alle intelligentie even met de Amstel naar het IJ was weggestroomd, besloten dat er speciale fietsroutes moesten komen: het Hoofdnet Fiets. Op de andere wegen regeert de auto en dat is niet zelden gevaarlijk. Nu dat Hoofdnet Fiets er eenmaal is, vindt er ook onderhoud plaats en dan blokkeert de gemeente dus alvast op vrijdag een brug omdat men er op maandag kan gaan werken.

Mijn alternatief is nu dit punt, wat het er voor een fietser niet makkelijker of veiliger op maakt.

Naschrift maandag 18 mei

Situatie ongewijzigd

Naschrift 19 mei

Situatie ongewijzigd, maar nu van de andere kant

Homines manentes apud Amestelledamme

Het tolprivilege (foto Noord-Hollands Archief)

Historici en vele anderen hebben vaak de neiging zaken van hun voorgangers over te schrijven, waardoor misverstanden soms een oneindig lang leven leiden.

De eerste keer dat de naam van de stad die we nu Amsterdam noemen werd opgeschreven was op 27 oktober 1275, in de tolbrief waarmee graaf Floris V de inwoners van die stad vrijheid van tolbetaling gaf in het hele graafschap. Het aardige is dat we die tolbrief nog kunnen lezen (in het Stadsarchief) en dat er Amestelledamme staat (“homines manentes apud Amestelledamme”). Ik weet niet door wie en wanneer, maar iemand heeft daar ooit Amstelledamme van gemaakt. En dat maakt dan vervolgens begrijpelijk dat men is gaan denken dat het om een dam in de Amstel ging.

Lees verder “Homines manentes apud Amestelledamme”

De functie van Dr Deijman

Rembrandt van Rijn, De anatomische les van Dr Deijman (Amsterdam Museum)

Toen ik jaren geleden voor het eerst het deels verbrande schilderij van Rembrandt De anatomische les van dr Deijman in het Amsterdam Museum (toen nog Amsterdams Historisch) zag, kreeg ik een klein schokje. Dr Deijman kreeg namelijk als aanduiding van zijn functie in de bij het schilderij horende tekst: prelector. Je leest ook weleens praelector. Nu had je vroeger professoren en lectoren, maar van prelectoren had ik nog nooit gehoord.

Tijdens mijn studie geneeskunde aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam ben ik een paar jaar (1959/1960) assistent geweest op de snijzaal van het Anatomisch Laboratorium. Het hoofd van die afdeling had de titel prosector, voorsnijder dus.

Lees verder “De functie van Dr Deijman”

Mijn energietransitie

Ik ben geboren uit zonnegloren. Die zucht van een ziedende zee is mij toen even ontgaan. Maar het was mei 1940 en prachtig mooi weer. Anders waren de Duitsers die oorlog toen niet begonnen.

In augustus scheen de zon nog stralend en het was dus behoorlijk warm. Mijn moeder had gehoord, dat je baby’s goed moest inpakken om te voorkomen dat ze zouden kouvatten en ik lag dus stevig ingebakerd in de wieg. Blijkbaar vertoonde ik tekenen van moeilijk ademen of zoiets, want mijn moeder raakte in paniek. En bij paniek rende ze naar de drogist. Dat was mevrouw Faber-Hazeloop in de Reinier Claeszenstraat. Bovengekomen – drie hoog – rukte ze me de muts van de kop, en verwijderde de dekens en andere warmtebronnen om mijn lijf. Ik ademde weer rustig en had mijn leven aan de drogist te danken.

Dat was dus mijn eerste kennismaking met energie, van de zon en de dekens. Thuis hadden we een kolenkachel, een haard, die ’s winters gezellig brandde. Rode vlammetjes achter micaruitjes. Vaak was de haard ’s morgens uit en dan was het behoorlijk koud. IJsbloemen op het raam in m’n kamertje. Mijn moeder haalde dan de uitgebrande kolen uit de la onderin de haard en maakte hem weer aan. Dat lukte meestal vrij snel, maar het duurde langer voordat de warmte zich echt verspreidde.

Lees verder “Mijn energietransitie”