4. De fuik

Een van mijn eerste Amsterdamse huizen: de studentenflats in Diemen

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het vierde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Ik denk dat ik het bovenstaande niet zo zou hebben geformuleerd toen ik in 1985 naar Amsterdam verhuisde om te studeren. Ik herinner me echter dat ik veel verwachtte van mijn wetenschappelijke vorming. Ik zou worden opgeleid om ooit mijn bijdrage te leveren aan de kennis die volken en generaties verbindt.

Nu waren de universiteiten kort daarvoor gereorganiseerd. In de “Tweefasenstructuur” duurden alle opleidingen vier jaar, ook als voordien zeven jaar nodig was geweest om het voor wetenschap vereiste niveau te bereiken. Opdat althans een deel van de studenten zo ver kon komen, zou er voor 10% van hen een tweede fase komen. Wie vier jaar had gestudeerd, heette “doctorandus 1”; wie ook de vervolgopleiding had afgerond, was “doctorandus 2” en kon solliciteren naar een promotieplaats.

Er bestond echter twijfel of die tweede fase er wel zou komen voor de letterenopleidingen. Op de voorlichtingsbijeenkomst waarvoor ik in het najaar van ’84 een dagje verlof uit militaire dienst had genomen, was de aankomende studenten gelukkig verzekerd dat het allemaal in orde zou komen. “Natuurlijk komt die tweede fase er,” had een classica ons voorgehouden, kribbig omdat we waarde hadden gehecht aan geruchten, “anders kan de universiteit immers geen wetenschappers opleiden en geen onderzoek meer doen.” Ik geloofde haar en begon tien maanden later aan mijn studie.

De tweede fase kwam er niet. Een wetenschappelijke opleiding hebben mijn medestudenten en ik dus nooit gehad. Wel hebben we diverse aanpassingen op de Wet op de Studiefinanciering meegemaakt, waardoor we voor onze onvolwaardige opleiding grote schulden maakten. We waren, zoals studentenbegeleider Pieter Caljé het later verwoordde, een fuik in gezwommen.

[Vandaag bestaat mijn blog tien jaar. Ik maak een persoonlijke balans op. Dit stuk wordt vandaag nog acht keer vervolgd.]

2 gedachtes over “4. De fuik

  1. Ik ben het op veel punten met je eens, maar ik wil hier nog eens uiteenzetten waarom dit niet geldt voor je bitterheid over de niet-voltooide tweefasenstructuur.

    1. In de eerste plaats is de opleiding voor wetenschappelijk geïnteresseerden inmiddels al heel wat jaren niet 4 maar 5 jaren (3 jaar bachelor en 2 jaar onderzoeksmaster). Daar valt veel tegen in te brengen (omdat de master los staat va de bachelor en studenten overal vandaan komen, geef je best veel inleidend onderwijs in een master), maar het is dus niet waar dat de tweefasenstructuur in die zin niet meer bestaat.

    2. In de tweede plaats is zo’n aantal van 7 jaar ook maar uit de lucht gegrepen. Je moet je hele leven studeren, niet maar 7 jaar. Ik vind het echt onzin om te denken dat je mensen in een eindig aantal jaar allemaal wetenschappelijk opgeleid hebt. Wel wordt iedereen dan in zo’n lange opleiding steeds ouder. Als je op je 18e begint ben je na die tijd 25! Dan moet je eigenlijk echt al aan het onderzoeken zijn, vind ik.

    3. En wat mij betreft dient het promotietraject dan ook als de feitelijke tweede fase te worden beschouwd. Ik weet dat promovendi het vaak niet leuk vinden als je het zegt, maar voor mij zijn promovendi studenten die de feitelijke wetenschappelijke opleiding doen, die natuurlijk uitdraait op serieus wetenschappelijk werk. (Toen ik promovendus was, vonden promovendi dat al op zijn minst om arbeidsrechtelijke redenen niet leuk, maar ik vond het toen ook al: mijn mooiste studententijd was mijn AiO-schap.)

    Ik zie de functie van promoties, zeker in de geesteswetenschappen, voor de jaren ’80 eigenlijk niet. Iemand moest een onderzoek doen, op eigen houtje, maar eigenlijk was dan alleen het resultaat belangrijk: het proefschrift als meesterproef. Ik heb niet de indruk dat mensen dan nog werden opgeleid. Tegenwoordig bestaan er in de meeste vakken naar mijn indruk redelijk functionerende graduate schools.

    Samenvattendzou wat mij betreft het onderscheid tussen BA en MA moeten worden opgeheven en de promovendus als student moeten worden erkend (zoals in Amerika). Dan heb je een studietraject van 5+3=8 jaar (of 4+4, zo heb ik het gedaan).

    Mocht er iemand zijn die de ouderwetse promotie bovenop een studie nog belangrijk vindt, dan zou zo iemand kunnen pleiten voor een habilitatie. Ik zie daar als gezegd het nut niet zo van.

Reacties zijn gesloten.