Het licht onder de korenmaat

Ooit probeerde mijn beste vriend me uit te leggen waarom hij zo’n hekel  had aan art house-films. ‘De beginsituatie’, zo legde hij uit,‘is steevast een ongelukkig huwelijk. Dan gebeurt er iets waardoor die situatie niet langer kan voortduren en de betrokkenen keuzes moeten gaan maken. Omdat het art house is, is een Hollywoodeinde uitgesloten, zodat je van tevoren weet dat de partners er niet voor zullen kiezen nog lang en gelukkig te leven. Ze zullen elkaar dus wel verlaten of de kop in meppen. Nooit iets verrassends, je weet het al als het licht in de zaal uitgaat. Waarom kunnen ze nou nooit eens een film maken over partners die niet mogen scheiden, of een vorm van geluk construeren die is gebaseerd op leugens, of ervoor kiezen ongelukkig te blijven?’

Het is jammer dat mijn vriend Emily Gordts niet heeft mogen adviseren bij het schrijven van haar debuutroman Arty-farty, want dat zou vermoedelijk een verrassender boek hebben opgeleverd. De spanning van één van de twee gewiekst door elkaar gemonteerde verhalen komt namelijk minder voort uit de vraag óf de jongbejaarde Charlotte haar man zal verlaten dan uit de vraag wat haar tot die stap zal brengen.

Het andere verhaal is even voorspelbaar en het vervelende is dat je het verloop al kunt uittekenen vanaf de eerste zin:

The Look bestaat uit het dragen van een duur en elegant pak, en het aannemen van een houding die eerder bij een surfer past dan bij een kunstadviseur. Ben je klein, arm of lelijk? Doet er niet toe. Met The Look beïnvloed je je plek in de pikorde.

Dat zei Ruben altijd. Het gaat om wat je uitstraalt. En om je woorden, je waarheden. De rest volgt vanzelf.

De lezer weet nu al dat hoofdfiguur JP een leeghoofd is. Weliswaar een leeghoofd met sympathieke eigenschappen en een zekere gevoeligheid – hij blijkt een reden te hebben om terug te denken aan Ruben – maar uiteindelijk wel iemand die leeft voor de uiterlijke schijn. Hij is niet toevallig werkzaam in de kunsthandel, waar de prijs wordt bepaald in een circus van modieuze meningen. In de loop van het verhaal zal JP, zoals de lezer vanaf het begin vermoedt, tot het inzicht komen dat er meer is dan alleen uiterlijk. Zijn ‘waarheden’ zullen gebakken lucht blijken te zijn, hij zal op zichzelf teruggeworpen raken en, jawel, hij zal iets herwinnen. De spanning in deze verhaallijn – die er zeker is – komt minder voort uit de vraag of JP tot inzicht zal komen dan uit de vraag wat hij zal terugvinden.

Het antwoord heeft, zoals ook de lezer van deze recensie kan raden, iets te maken met het verhaal over Charlotte. Het boek zou interessanter zijn geweest als JP, als de zeepbel van zijn leven uit elkaar spat, niet iets moois ontdekt, maar met onvermoede energie het kwaad besluit na te jagen. Ook dat is al wel eens gedaan, zoals in Walker Percy’s Lancelot, maar het is wat minder uitgekauwd en het zou meer stof tot nadenken hebben geboden.

Ook Gordts schets van het klatergoud van de kunsthandel is weinig verrassend. Of het nu De ivoren wachters, Gimmick! of Ter navolging is, in een Nederlandstalige roman zal nooit een positief beeld worden gegeven van mensen die zich bezighouden met de schone kunsten. Schilders of schrijvers, leerlingen of leraren, denkers of dichters, ze deugen allemaal niet. De Duitse dichter Stefan George suggereerde in de jaren twintig van de vorige eeuw al een verklaring voor deze zelfhaat: mensen met artistieke aanleg zullen eerder een studie in die richting volgen en zullen, juist door hun aanleg, snel kaf en koren scheiden, waardoor ze – als ze gaan schrijven – negatief over hun wereldje oordelen. Die verklaring is al bijna een eeuw oud; waarom bevestigen schrijvers toch steeds Georges gelijk?

Arty-farty moet het dus niet hebben van de oorspronkelijke plot of de verbazingwekkende situaties. Toch houdt Gordts de aandacht vast en bevat haar boek mooie observaties over bijvoorbeeld de inconsequenties van ons gedrag: Charlotte die op een gegeven moment ziet waarom ze ooit van haar man hield, JP die iemand moet vertellen dat hij is ontslagen en eigenlijk wel zin heeft in dat gesprek. Die inconsequentie maakt de personages levensecht.

Gordts heeft voldoende in haar mars om wat meer lef te mogen tonen. Vanzelfsprekend heeft ze er goed aan gedaan te debuteren met een overzichtelijk verhaal, maar een zo voorspelbaar verhaal is wel heel bescheiden. Ze hoeft zich nergens voor te schamen, ze hoeft haar licht niet onder de korenmaat te plaatsen.

Haar talent blijkt misschien wel het beste in een kleine, messcherpe subplot over het Chinese melamine-schandaal in 2008: knap opgebouwd, goed gedoseerd, buitengewoon fascinerend. Als ze deze kant op verder gaat, kan Gordts uitgroeien tot een geweldige schrijfster. In elk geval is er reden vooruit te zien naar haar hopelijk ambitieuzere tweede roman.

[Deze bespreking verscheen eerder op Recensieweb.]