Kennis is impopulair

Afgelopen zaterdag was ik even te horen in het radioprogramma De Taalstaat, waar ik mocht vertellen over mijn digitale repertoire. Het blogstuk over historische taalkunde kwam aan de orde en ook twee tweets waarin ik cultuurpessimistische artikelen ter lectuur had aanbevolen: een stuk van Toine Heijmans in De Volkskrant over een schatrijk land dat bezuinigt op bibliotheken en een opiniestuk van Bastiaan Bommeljé dat kinderen niet onnozel worden geboren maar door ons onderwijs onnozel worden gemaakt.

Presentator Frits Spits liet me een en ander toelichten (u hoort het hier) en ik vertelde dat we ons, als samenleving, kapot aan het amuseren zijn. Verder knorde ik dat er zo verschrikkelijk veel amusement was in de media. Hoewel ik niet ontken dat een mens zich mag ontspannen, is de media-aandacht daarvoor doorgeschoten. Het is een vals dilemma, voegde ik toe, dat amusement staat tegenover educatie. De twee kunnen goed samenvallen. Terwijl ik dat aan het vertellen was, realiseerde ik me dat het wonderlijk was dit standpunt uitgerekend in De Taalstaat naar voren te brengen, omdat dat programma juist educatie en amusement combineert.

Lees verder “Kennis is impopulair”

MoM | Antiquarisme

Justus Lipsius’ uitgave van het boek van Martinus Smetius

Het is moeilijk voor te stellen hoe groot de mentale impact is geweest van de ontdekking van Amerika en de omzeiling van Afrika. In de eerste helft van de zestiende eeuw werden Europese geleerden geconfronteerd met tal van nieuwe zaken: planten als de aardappel en de tomaat, wonderlijke dieren als lama’s en buideldieren, nieuwe mineralen, specerijen, volken en landen. Sommige bizarre verhalen uit antieke bronnen bleken waar te kunnen zijn, en daardoor ontstonden nogal wat onduidelijkheden. Waar lag de grens tussen feit en fictie? Als Herodotos’ verhaal over de omzeiling van Afrika waar kon zijn, waarom zou zijn verhaal over goudbewakende griffioenen dan onwaar zijn? Elke geleerde trachtte orde te scheppen in de informatiewarboel en het daartoe meest voor de hand liggende middel was het verzamelen van observaties. De zestiende eeuw werd zo de tijd van rariteitenkabinetten en curiosacollecties. Alleen door al het nieuwe nauwkeurig te bestuderen kon een grens worden getrokken tussen feit en fictie, waarna de nieuwe gegevens konden worden gecombineerd met de bestaande.

Antiquarisme

Lange tijd was er geen scherpe grens geweest tussen antiquiteiten en rariteiten. Het waren niet uitsluitend boeren in afgelegen dorpen die meenden dat aardewerk, net als fossielen, spontaan groeide in de grond. Nog in de achttiende eeuw waren er verzamelaars die meenden dat de stenen pijlpunten en klingen die in de bodem werden gevonden, elfenwapens waren. De grenzen tussen Griekse en Romeinse oudheden, prehistorische artefacten, fossielen en andere bijzondere voorwerpen waren onduidelijk, zodat men in oudheidkundig bedoelde collecties ook biologische curiosa en meteoren kon aantreffen. Geleidelijk ontstonden er echter specialismen en begonnen verzamelaars zich toe te leggen op deelgebieden: de Grieks-Romeinse Oudheid bijvoorbeeld, waarbinnen men zich dan kon specialiseren op gemmen, inscripties, vazen, militaria, sculptuur of voorwerpen uit een regio als Etrurië of Romeins Egypte. Vrijwel elke Europese vorst bezat een muntencollectie.

Lees verder “MoM | Antiquarisme”

Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (2)

Het is onmogelijk de westerse beschaving – wat dat ook moge wezen – te begrijpen zonder begrip te hebben van het zelfbeeld dat de Oudheid belangrijk zou zijn. Een verkeerd zelfbeeld, dat heb ik in het vorige stukje verteld, maar er zijn heel veel ideeën voortgekomen uit het denken over de Oudheid. Ofwel: de klassieke traditie. Een lijstje waarover ik eerder schreef:

  1. Poliziano legde de grondslagen van de tekstkritiek en ontketende via Erasmus de Reformatie;
  2. Scaliger probeerde de chronologie van de Oudheid te doorgronden, ontdekte dat deze niet letterlijk mocht worden genomen, stelde het bijbels literalisme ter discussie en gaf zo de aanzet tot de secularisering van het wereldbeeld;
  3. de ontdekking van de relaties tussen de verschillende talen heeft bepaald hoe we tegenwoordig nationaliteiten definiëren;
  4. de Lachmannmethode was het model voor Darwins evolutietheorie – en alle wetenschappen die daarop teruggrijpen;
  5. archeologen legden de empirische basis legden voor de vooruitgangsgedachte;
  6. de ideeën van James Frazer over de oudste vormen van religie beïnvloedden de besluitvorming die leidde tot de Eerste Wereldoorlog;
  7. de uitleg van Tacitus’ Germania was de voornaamste inspiratiebron was van de Arische mythe.

Kortom, de klassieken bieden werk voor ideeënhistorici en als die goed geschoold zijn in de sociale wetenschappen, kan er allerlei moois gebeuren. Dat er desondanks nogal wat gewauwel is, heeft volgens mij niet zoveel te maken met het postmoderne. De crux zit ergens anders.

Lees verder “Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (2)”

Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (1)

Klassieke façade, maar de structuur is gewoon staalbouw

Een van de vaste gasten op deze blog, Martin, stelde onlangs verontwaardigd de vraag hoe mensen toch konden denken iets van de westerse cultuur te begrijpen zonder kennis van de klassieke Oudheid. En hij voegde toe dat er onder het mom van het postmoderne een hoop slechte educatie en een hoop oppervlakkig gewauwel schuilgaat.

Ik houd van dit soort opmerkingen omdat het uiteindelijk gaat om wat je met een concept bedoelt: Oudheid, klassiek, postmodern.

Oudheid

Eerst maar even of we kunnen zonder kennis van de Oudheid. Daar kunnen we kort over zijn: je kunt prima zonder. Het idee dat de Mediterrane wereld vóór pakweg 500 n.Chr. belangrijk voor ons zou zijn, is gewoon kant en klare kullekoek. Het zou belangrijk zijn als er destijds iets zou zijn ontstaan dat ons nu nog bewijsbaar beïnvloedt. Voor je zoiets kunt beweren, moet je vier dingen bepalen. Ik behandelde ze ook in Vergeten erfenis en Xerxes in Griekenland.

Lees verder “Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (1)”

Iraans erfgoed

Lotfollah-moskee, Isfahan

Ik heb vandaag viermaal de vraag voorgelegd gekregen wat ik vind van het dreigement van de Amerikaanse president Trump om Iraans erfgoed te vernietigen.

Ik vind dat heel erg en ik heb gespeeld met de gedachte tweeënvijftig foto’s online te plaatsen om u een beeld te geven van waar het om gaat. Het gaat om werelderfgoed en de vernietiging daarvan is een oorlogsmisdrijf.

Dat kan echter niet het laatste woord zijn. Deze escalatie is ongewenst en we moeten onze afschuw zeker uitspreken, maar ik heb liever dat het accent daarbij wat minder ligt op het erfgoed en wat meer op het vermijden van bloedvergieten.

Zie ook de Tweet van Michael Press.

Conspicuous leisure

Een van de leukste en belangrijkste wetenschappers van de vroege twintigste eeuw was Thorstein Veblen (1857-1929). In zijn Theory of Business Enterprise (1904) wees hij erop dat ondernemers alleen winst kunnen maken als de markten niet optimaal functioneren en dat ze dus het liefst een efficiënte economie saboteren. Het was daarom beter de regie niet over te laten aan de vrije markt maar aan ingenieurs, meende Veblen, maar van dit idee hebben we sinds de vijfjarenplannen van de Sovjet-Unie niet meer zoveel vernomen. Hij is daarentegen onverminderd actueel met zijn Theory of the Leisure Class (1899), waarin hij uitlegt dat mensen niet economisch rationeel handelen maar vooral verlangen naar status. Hij wees daarbij op twee aspecten: conspicuous consumption ofwel opzichtig consumeren en conspicuous leisure ofwel opzichtig luieren.

Voorbeelden van het eerste: een Rolex om je pols of vervoer in een dure auto. Oudheidkundig voorbeeld: de vorstengraven uit de IJzertijd, of dat nu Salamis op Cyprus is of de Vorst van Oss. Voorbeeld van het tweede: verre vakanties en museumbezoek. Achter beide zaken gaat Veblens cynische wereldbeeld schuil. Iedereen wil de ander inpeperen wie de voornaamste is. Mensen zijn wreed. Toch is er ook een mooie kant: als “anderen iets inpeperen” een drijfveer is, kan het positief worden benut, bijvoorbeeld voor cultuureducatie.

Lees verder “Conspicuous leisure”

De triomf van Bacchus

Het Bacchusmozaïek uit Sétif

Deze blog gaat, tenzij de actualiteit ertussen springt, het jaar uit met vooral wat museumstukken. Mijn boek over de laboratoriumtechnieken waarmee oudheidkundigen papyri te lijf gaan, Bedrieglijk echt, moet af en ik ben de stad uitgegaan om rustig te kunnen werken. Vandaag dus een stukje over het mooiste dat ik zag in Algerije: het mozaïek van de triomf van Bacchus, in het museum van Sétif.

Dit mozaïek is negen meter breed en ruim zes meter hoog en heeft ooit gelegen in de eetkamer van een stadsvilla. Rechts herkent u de plek waar twee pilaren stonden aan weerszijden van de ingang tot het vertrek. Alles klopt aan dit mozaïek. Zelfs de randen zijn schitterend: let eens, als u de plaatjes groter ziet na de break, op die koppen in de hoek en de kentauren die vechten met de leeuwen. Het gaat me echter om de twee eigenlijke afbeeldingen: rechts de Calydonische Jacht en middenin de triomf van Bacchus ofwel Liber Pater ofwel Bakchos ofwel Dionysos.

Lees verder “De triomf van Bacchus”