Dag George

In de late jaren negentig zette ik voor de Vrije Universiteit een college theorie op. Een zinloos project: de archeologen kwamen hun toezeggingen niet na en toen ik, na de klus waarvoor ik in dienst was genomen, in mijn vrije tijd de benodigde archeologieteksten had geschreven, werd het onderwijsprogramma gewijzigd. Zeker een derde van de teksten is nooit geschreven; die zouden erg hebben geleken op Rens Bods Vergeten wetenschappen, dat ik u graag aanraad.

Om me na het onvoltooide-maar-wellicht-ooit-toch-af-te-ronden project enigszins binnen de sfeer van de VU te houden, droeg de hoogleraar oude geschiedenis me voor om bij het HOVO te gaan werken, waar ik dan lessen zou geven over de eerstejaarssyllabus. Zo belandde ik in de wereld van jonge academici die volgens de flexwet een vaste aanstelling hadden moeten krijgen maar die niet kregen. Uiteindelijk tekenden de Letterendecaan en ik zowaar een contract, waarna de directeur het document door de shredder liet halen. (Toen de VU-juriste daarvoor later excuus maakte, bleek ze zich zó goed in de zaak te hebben verdiept dat ze in haar feitenverslag drie arbeidscontracten verwisselde.)

Lees verder “Dag George”

Rouw vóór de dood

Naima El Bezaz’ Het gelukssyndroom is niet het enige boek waarin de dood al op de eerste pagina het verhaal op gang brengt. Het onderscheidt zich echter doordat de schrijfster er geen drama van maakt. De vergelijking met De bekoring van Hans Münstermann, dat op soortgelijke wijze begint, is verhelderend. Terwijl laatstgenoemde de eigenlijke mededeling uitstelt met spanningsverhogende omtrekkende bewegingen, begint El Bezaz haar roman met het simpele

“Ik heb kanker,” zei Marit terwijl ze haar net gewassen onderbroeken opvouwde.

Lees verder “Rouw vóór de dood”