Nee, niet wéér Asterix

Over een week, op 19 oktober, verschijnt de nieuwe Asterix. Ik heb daar wat gemengde gevoelens bij. Dat is niet omdat ik niet van de stripverhalen houd, maar omdat ik nu al kan uittekenen dat ik benaderd zal gaan worden door journalisten die me vragen wat ik er als oudhistoricus van denk. Nu is het altijd leuk om op de radio te komen – deze pagina gaat terug op een radiocommentaar dat ik insprak vanaf een hotelkamer in Isfahan – en bovendien is het contact met journalisten altijd prettig ontspannen, maar ik vind het jammer dat elke Asterix aanleiding is tot vragen over de Oudheid. Daarmee doen we de strip tekort.

Zoals de Flintstones vooral een Amerikaanse familie zijn uit de jaren zestig, zo is Asterix een strip over de twintigste en eenentwintigste eeuw. Als Obelix in Asterix in Hispania aan het dorpshoofd vraagt “u wil dus óók weten waarom we vechten”, is de verwijzing naar de Vietnam-oorlog. Als de Galliërs in Asterix en het ijzeren schild voorwenden niet te weten waar Alesia ligt, is dat geen grap over Galliërs die niet willen weten dat ze zijn verslagen, maar over Vichy, waar dit album zich afspeelt. Asterix is gewoon veel geestiger als je de antieke achtergrond negeert en kijkt naar de eigen tijd.

Lees verder “Nee, niet wéér Asterix”

Straatnamenleed

Een paar weken geleden had ik het over de idiote straatnamen in Houten: de Via Horta bijvoorbeeld. In de buurgemeente Nieuwegein kunnen ze d’r ook wat van. Al sinds jaar en dag gebruik ik de Arresleedrift als voorbeeld van een verzinsel van een ambtenaar met een diepgevoelde haat jegens zijn werk, jegens de burger, jegens zijn gemeente en jegens de bewoners van de nieuwbouwwijk. (Ik neem aan dat er wel een diagnose is te vinden in de DSM5, zoiets als “geëxternaliseerde zelfhaat”.) Opgemelde sadistische ambtenaar zal ook wel verantwoordelijk zijn voor een ander adres in Nieuwegein waar ik laatst over struikelde: de Ringslangweide. Arme bewoners.

En dat terwijl het toch niet zo moeilijk is. Waarom kunnen we voor de belangrijkste straten niet volstaan met namen die de bezoeker op weg helpen? De Kerkstraat, de Zeedijk, de Brink, de Paleisstraat, de Bosweg, de Dam, de Zuiderboulevard, de Industrieweg, de Beukenhof, het Singel, de Molenweg, de Paardenmarkt, de Schoolstraat, de Parallelweg en de Hoofdweg. Of vernoem je straten naar bestemmingen: de Lochemseweg, de Stationsstraat, de Amsterdamsestraatweg, de Zevenheuvelenweg, de Weespertrekvaart, desnoods de Weg tot de Wetenschap. Allemaal prettige namen die een vreemdeling helpen zijn weg te vinden.

Lees verder “Straatnamenleed”

Op de fiets naar Thessaloniki (14)

Ik was thuis van zo’n zes weken fietsen door België, Frankrijk, Italië en Griekenland en had besloten mijn studie af te maken. Ik schreef dus een scriptie waarin ik de romanisering van het Iberische Schiereiland vergeleek met de daaropvolgende arabisering. Het resultaat ziet u hierboven: ik studeerde af en zette, zoals men in Leiden gewoon is, mijn handtekening op de daarvoor bestemde muur.

Als ik in die tijd in Leiden moest zijn, ging ik op de fiets. Wilde ik nadenken, dan nam ik de route langs de Westeinderplassen en de Braassemermeer; had ik haast, dan was er de route over Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Hieruit kunt u afleiden dat ik mijn witte RIH terug had. Dat was echter niet vanzelfsprekend geweest.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (14)”

Op de fiets naar Thessaloniki (13)

De weg van Skiron

Ik had besloten terug naar huis te gaan, moet op de camping al mijn spullen hebben ingepakt en zal de volgende dag weer naar Thessaloniki zijn gereden. Daar moet ik de trein naar Athene hebben genomen maar ik herinner me van die reis volstrekt niets. Het is mogelijk dat ik een tweede dag in Thessaloniki heb doorgebracht en met een nachttrein naar het zuiden ben gereisd. In elk geval fietste ik op een zonnige dag al vroeg in de ochtend van Athene naar Korinthe, omdat ik geen zin had te wachten op een trein die me naar die volgende stad zou brengen.

Het kerkje bij Dafne, even ten westen van Athene gelegen aan de Heilige Weg naar Eleusis, was gesloten. Ik ben er noch daarvoor noch daarna ooit binnen geweest. De opgraving van Eleusis was eveneens gesloten. Misschien kwam dat laatste wel omdat het een maandag was, ik weet het domweg niet. In ieder geval reed ik langs “Skirons weg” naar de istmus en naar Korinthe zelf, vanwaar ik het boemeltje wilde nemen naar Patras.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (13)”

Op de fiets naar Thessaloniki (12)

De boog van Galerius in Thessaloniki (detail)

Het was oorspronkelijk mijn plan geweest vanuit Thessalië naar Thessaloniki te rijden en daarvandaan door Joegoslavië, Oostenrijk en Duitsland terug te keren naar Nederland. Er was echter oorlog uitgebroken in het eerstgenoemde land en dus wilde ik nu door Bulgarije, Roemenië en Hongarije naar Wenen rijden, waarheen ik de volgende stapel landkaarten had vooruitgestuurd. Onderweg hoopte ik onder andere Sofia, de resten van de Donau-brug van Trajanus, Aquincum en Carnuntum te bezoeken. Zoals ik me herinner had ik alle visa in mijn paspoort staan, maar er staat me niets bij van bezoekjes aan Haagse consulaten, dus misschien herinner ik me dat wel verkeerd.

Wat ik wel herinner is de fietstocht noordwaarts vanuit Almyros: naar Larisa, de immer stoffige hoofdstad van Thessalië, en daarvandaan verder door het prachtige Tempe-ravijn. Hier breekt de rivier de Peneios door de bergketen van Olympos, Ossa en Pelion: een mythologisch landschap, want volgens een beroemd verhaal stapelden ooit de opstandige reuzen de twee laatste bergen op elkaar om daaroverheen de Olympos te bestormen. Ik ben verschillende keren door de kloof gekomen en vind het een van de mooiste landschappen in Griekenland.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (12)”

Op de fiets naar Thessaloniki (11)

Nauwelijks zichtbaar op deze foto uit het kartonnen cameraatje, ligt hier de hellenistische stad Halos. De witte rij steen tussen de twee grote wegen (even onder het midden van de foto) is een deel van de stadsmuur; links loopt die verder onder een rechte lijn struiken. Helemaal rechts is de hoek te zien, onder de grote weg.

In 1989 werkte ik een zomer lang op een opgraving van de Rijksuniversiteit Groningen: Halos in Thessalië. Een groot opgraver is aan mij niet verloren gegaan, maar ik heb er veel geleerd en een paar mensen leren kennen die ik nog af en toe tegenkom, dus het is een waardevolle tijd geweest.

Wat minder leuk was, was dat ik er verschrikkelijk slecht sliep. Dat had niets te maken met het hotel in het vissersdorp waar we verbleven, Amaliapoli, of met het werk, mijn kamergenoten of de stress van onbekend werk. Ik lag ’s avonds lang wakker en in de middag duurde mijn siësta nooit lang genoeg. Daardoor was ik vaak een van de eersten die na zijn middagdutje in de lobby van het hotel zijn aantekeningen zat uit te werken. Daarna ging ik aan de baai zitten, meestal met een doos kleurpotloden om tekeningen te maken van de prachtige Pagasitische Golf, met uitzicht op het schiereiland van Magnesia. Dat trok de aandacht van wat meisjes uit het dorp, die vaak een praatje kwamen maken en hun Engels oefenden. Met een van hen bleef ik daarna brieven uitwisselen en tijdens mijn fietstocht in de zomer van 1992 ging ik bij haar langs.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (11)”

Op de fiets naar Thessaloniki (10)

Meteora

In dit zomerfeuilleton, waarvan u de eerste aflevering hier kon lezen, neem ik u deze zondag mee naar Igoumenitsa in Griekenland, waar ik op een druilerige ochtend eind mei 1992 met mijn RIH de veerpont af kwam wandelen. Een wonderlijk levendige herinnering: toen ik mijn lires wilde wisselen in drachmes, ontdekte ik dat ik nog maar weinig Italiaans geld bij me had, hoewel ik een paar dagen daarvoor nog een groot bedrag had opgenomen. Ik was voor zeker 150 gulden aan valuta kwijt. Ik moest me er toe zetten me er niet door uit het veld te laten slaan.

Voor me lag de Pindos, het gebergte dat Albanië en het noordwesten van Giekenland scheidde van zuidelijk Joegoslavië en noordoostelijk Griekenland. Het einddoel van deze dag was Ioannina, dat ik alleen kende van verhalen (en een subplot uit De graaf van Monte Cristo) en een rustige klim beloofde naar een hoogte van ongeveer 500 meter. Tegenwoordig ligt er een snelweg, maar die was er destijds nog niet.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (10)”