1001 schilderijen

Zomaar een plaatje van een middeleeuws triptiek in de Gemäldegalerie van Berlijn)=

Er is iemand die gisteren feest had te vieren. Het  is Jeroen Pelgrom. Hij is de beheerder van een van de mooiste blogs die ik ken, Art in Space. Daar plaatst hij vrijwel dagelijks een afbeelding van een schilderij, waar hij dan een korte toelichting op geeft. Gisteren was zijn duizendste bijdrage aan een mooier internet en vandaag zal hij wel bijdrage 1001 hebben geleverd.

Ik zou zeggen: ga eens naar die blog, en ga er nog eens heen, en nog eens.

Pauze

Leiden

Vandaag zet ik tijdelijk een punt achter deze blog. Niet omdat ik geen zin meer heb. Het is een dierbaar project dat ik over het algemeen ontspannend vind. Uw reacties maken mijn dag doorgaans goed en helpen me bovendien mijn denken wat te scherpen. Niks mis mee.

Alleen: ik heb naast mijn eigenlijke werk momenteel nog twee klussen liggen. Ik zal een “levensbericht” schrijven over de dit voorjaar overleden classica Simone Mooij en ik heb beloofd een boek mee te lezen over de Bataafse Opstand. Beide klussen moeten deze november af. Verder zijn er twee draaidagen voor het filmpjesproject, moet ik op een of andere manier een kapotte computer werkend zien te krijgen en zou ik ook mijn moeder nog eens willen opzoeken. Het helpt niet dat bouwvakkers vanmorgen zijn begonnen met het plaatsen van steigers tegen de achtergevel van mijn huis voor werkzaamheden waarvan ik tot eergisteren niet op de hoogte was.

Lees verder “Pauze”

Kantelberg

Ceres. Dit is geen asteroïde maar een planetoïde.

Of Engels een mooie taal is, tja. Natuurlijk frons ook ik mijn wenkbrauwen omdat in die taal werkwoorden voor geslachtsgemeenschap met een lijdend voorwerp gaan (“to shag a person”) terwijl je in het Nederlands vrijt met een medewerkend voorwerp. Ik heb desondanks geen hekel aan de taal van onze westerburen. Toch voel ik me wat onbehaaglijk als ik een Engels woord hoor gebruiken waar onze eigen taal een woord heeft dat de zaken beter uitdrukt. Zo’n klein planeetje heet “planetoïde” en geen “asteroïde”. Niet dat ik denk dat met dat laatste woord, dat “stergelijkend” betekent, grote ongelukken gebeuren, maar om nou te zeggen dat het duidelijk is…

Meer verwarring: ik was niet de enige die vorige week opkeek van een persbericht van de Universiteit Leiden waarin de Touwbekercultuur werd aangeduid als “Corded Ware”. Een moment lang denk je dan dat je iets hebt gemist, tot je je realiseert dat het gewoon een oude bekende is uit de Prehistorie. Nog een voorbeeld, gelukkig volkomen onschuldig: de koeien gaan in de lente van de stal naar de weide en daarvandaan naar de zomerweide. Het elegante Nederlandse woord daarvoor – de boer is de dieren aan het “verweiden” – heb ik al zeker vijfendertig jaar niet gehoord. Ik hoor weleens praten over “transhumance” en of mijn filterbubbel in dit opzicht representatief is, dat weet ik niet. Wat ik weer wel weet, is dat ik het Nederlandse woord weleens heb moeten uitleggen.

Lees verder “Kantelberg”

Een geprivilegieerd mens

Het is niet anders, vandaag word ik drieënvijftig. Meestal doe ik niet aan verjaardagen maar omdat mijn vriendinnetje E (bijna zes) me vorig jaar verwijtend vroeg waarom ik haar niet had uitgenodigd voor mijn feestje, ga ik vandaag naar de dierentuin met de kinderen die in mijn omgeving opgroeien – en met hun ouders, al zullen de kids wel alle aandacht vragen. Dit jaar dus een klassieke verjaardag, inclusief kleuterfeestje. En een zeker gevoel van dankbaarheid.

Mensen die, zoals ik, werden geboren in 1964 hadden een gemiddelde levensduurverwachting van ongeveer drieënvijftig jaar. In rijke landen, zoals Nederland destijds ook was, was het natuurlijk meer, in arme landen minder. Mijn ouders hebben me er altijd aan herinnerd hoe bevoorrecht ik was. Met een tante die in Brazilië en een oom die in Chili ontwikkelingswerk deed, was het trouwens moeilijk daar géén besef van te hebben. De baby’s die vandaag worden geboren, zullen – atoomoorlogen daargelaten – vermoedelijk meer dan zeventig jaar oud worden. Nederlandse baby’s ruim tachtig. Zo bezien leven we in mooie tijden en ben ik een bevoorrecht mens.

Lees verder “Een geprivilegieerd mens”

Den Haag, Hollands Spoor

Den Haag HS, kwart voor zeven. Ik wil instappen in de trein naar Amsterdam als een van de mensen van de NS de reizigers verzoekt even een andere ingang te nemen. Het is te begrijpen waarom: hij staat er met het soort verrijdbare afrit dat wel wordt gebruikt om mensen in een rolstoel te helpen de trein te verlaten.

De man staat achter me en ziet minder dan de passagiers voor hem, die kunnen zien dat er in dit compartiment geen rolstoel is die uit de trein moet worden gereden. Ook zit er op het perron niemand in een rolstoel te wachten om naar binnen te worden gebracht. De passagiers negeren het verzoek dus en beginnen in te stappen. De ergernis van de genegeerde NS-medewerker is te voelen.

Lees verder “Den Haag, Hollands Spoor”

Verlanglijstje

Ik ben morgen jarig: ik word drieënvijftig, een priemgetal. Nu ben ik een redelijk geprivilegieerd mens maar er ontbreekt links en rechts nog wat aan mijn geluk. Heel toevallig zijn dat ook precies drieënvijftig dingen. Van Geerten Meijsing (Hoc erat in votis) steel ik het idee van een verlanglijstje. Zo zijn daar:

Een boek dat me echt overdondert, zoals De tijgerkat of Doktor Faustus. Meer tijd voor mijn vrienden. Geen veerponten over het IJ die afvaren als ik kom aanfietsen. Tien kilo gewichtsverlies (vijftien mag ook). Een goed-bewaard Tanagra-beeldje. Een schrijfopdracht waarvoor ik twee maanden in een vreemde stad kan wonen. Een waterpijp bij Laziz. Weten wat er is gebeurd met de “rechtvaardige rechters”.

Lees verder “Verlanglijstje”

Nee, niet wéér Asterix

Over een week, op 19 oktober, verschijnt de nieuwe Asterix. Ik heb daar wat gemengde gevoelens bij. Dat is niet omdat ik niet van de stripverhalen houd, maar omdat ik nu al kan uittekenen dat ik benaderd zal gaan worden door journalisten die me vragen wat ik er als oudhistoricus van denk. Nu is het altijd leuk om op de radio te komen – deze pagina gaat terug op een radiocommentaar dat ik insprak vanaf een hotelkamer in Isfahan – en bovendien is het contact met journalisten altijd prettig ontspannen, maar ik vind het jammer dat elke Asterix aanleiding is tot vragen over de Oudheid. Daarmee doen we de strip tekort.

Zoals de Flintstones vooral een Amerikaanse familie zijn uit de jaren zestig, zo is Asterix een strip over de twintigste en eenentwintigste eeuw. Als Obelix in Asterix in Hispania aan het dorpshoofd vraagt “u wil dus óók weten waarom we vechten”, is de verwijzing naar de Vietnam-oorlog. Als de Galliërs in Asterix en het ijzeren schild voorwenden niet te weten waar Alesia ligt, is dat geen grap over Galliërs die niet willen weten dat ze zijn verslagen, maar over Vichy, waar dit album zich afspeelt. Asterix is gewoon veel geestiger als je de antieke achtergrond negeert en kijkt naar de eigen tijd.

Lees verder “Nee, niet wéér Asterix”