Bestaan is bekeken worden

Geen recensent begint totaal onbevooroordeeld aan een boek. Als je weet dat de kanker een auteur heeft gedwongen zijn roman onvoltooid te laten, als je weet dat de schrijver maar zestig is geworden, hoop je stiekem dat zijn laatste boek een meesterstuk is. Onvoltooidheid hoeft geen bezwaar te zijn, zoals het nagelaten werk van Chrétien de Troyes en Franz Kafka bewijst. Ik zou graag hebben geschreven dat Kruithofs Contrabande in deze categorie valt, maar helaas is dat niet zo. Je blijft niet achter met het idee dat het een meesterwerk had kunnen zijn als de auteur tijd van leven gegund zou zijn geweest.

Eén probleem is dat deze historische roman een valse start maakt. Het eigenlijke verhaal begint als Claes, een boer uit het zeventiende-eeuwse Mijnsheerenland, in Den Haag een legaat uit het testament van zijn vader uitbetaalt aan een herbergier, die net zo min als Claes weet waaraan hij de honderd guldens te danken heeft. Het tafereel trekt de aandacht van een Franse toneelspeler, en al snel is Claes met zijn nieuwe vriend op reis naar het zuiden. De lezer is natuurlijk geïnteresseerd waarom Claes’ overleden vader de herbergier zoveel geld heeft nagelaten en menig romanschrijver zou deze nieuwsgierigheid hebben uitgebuit om de spanning op te voeren. Pas aan het einde zou hij de lezer hebben laten ontdekken hoe deze vork in de steel zat.

Kruithof ontzegt zichzelf dit spanningverhogend middel en besteedt de drie eerste hoofdstukken aan een ontdekking die Claes’ vader kort voor zijn dood deed. Het verhaal verklaart het legaat maar heeft geen belang voor de eigenlijke roman. Een MacGuffin, niet méér, alleen noodzakelijk om een boer en een toneelspeler in één kamer te krijgen. Het boek begint vijfentwintig bladzijden na dit begin voor de tweede keer.

Even meende ik dat de reden voor deze ongelukkige opening was gelegen in het feit dat Contrabande deel uitmaakt van een tiental historische romans, waarmee Kruithof de geschiedenis van de Lage Landen sinds 1400 had willen vertellen. Hij zou zich, dacht ik, als eis hebben gesteld over elke generatie een verhaal te vertellen. De structuur van de cyclus zou dan de ware reden zijn van de valse start. Maar ik vergiste me, want tussen Contrabande en het voorgaande deel zit sowieso een gat: Claes’ overleden vader is de kleinzoon van de Adriaen uit Schildersverdriet. Als Kruithof zichzelf toestond één generatie over te slaan, was twee ook mogelijk. Dat had een betere roman opgeleverd.

Een tweede bezwaar is het ietwat clichématige van de tekst. Verhalen over licht wereldvreemde boerenzonen die in de grote stad hun geld verspelen aan bordeelbezoek, hebben een te hoog Guus-kom-nar-huus-gehalte om nog te verrassen. Het is ook jammer dat Kruithof de toneelspelers in zijn roman vooral gebruikt als aanleiding voor (op zich intrigerende) observaties over acteursparadoxen en het toneelmatige van de werkelijkheid. Het is vaker gedaan, te vaak.

Gelukkig is het verhaal aardig genoeg. Claes’ toneelspelende vriend – overigens de historische acteur Philandre – introduceert de Hollander bij de markies D’Orsé, die als twee druppels lijkt op de boer. Claes treedt gedurende enkele winters op als plaatsvervanger van de edelman, die betrokken is bij de oppositie tegen Lodewijk XIV. Het personeel, dat geacht wordt niet op de hoogte te zijn van dit toneelstukje, speelt het mee zonder dat Claes er weet van heeft, zodat bij de lezer de vraag opkomt of Claes niet eigenlijk het publiek is van een voorstelling, in plaats van de protagonist.

Een antwoord is er niet, en Kruithof roept meer vragen op. Als iedereen altijd toneelspeelt – en dát staat in Contrabande wel vast – zijn andere mensen nooit kenbaar. Claes trekt uiteindelijk de conclusie dat het er in het leven om gaat je rol te spelen met vakmanschap. Die stelling kennen we ook uit de Amerikaanse culture wars, meer in het bijzonder uit Bruce Wilshire’s The Moral Collapse of the University: we wensen alleen als professionals te worden beoordeeld omdat we elk moreel oordeel van anderen wantrouwen. Kruithof toont, mijns inziens overtuigend, aan dat dit niet tot de morele vrijblijvendheid hoeft te leiden waartegen Wilshire even overtuigend waarschuwt.

Kruithof heeft zo wat te melden, en doet dit in een buitengewoon verzorgde stijl. Van de prachtige archaïsmen – ‘Oostindisch ver’, ‘landman’, ‘de contrariemuts op hebben’ – geloof ik meteen dat ze zeventiende-eeuws zijn. Contrabande biedt ook het voor de lezer vleiende genoegen van het literaire citaat. De eerste regels van de roman echoën een gedicht van Bilderdijk, de markies D’Orsé is ontleend aan Roman comique van Paul Scarron en elders wordt verwezen naar Pirandello (‘bestaan is bekeken worden’). De anachronistische verwijzing naar Ibn Rushds pas in de twintigste eeuw herontdekte traktaat over De dubbele waarheid vergeef ik Kruithof graag omdat ze een prachtverwijzing mogelijk maakt naar Borges’ verhaal ‘Het zoeken van Averroës’. Kruithof is niet van de straat, maar Contrabande wordt nergens een hol kijk-mij-eens-knap-zijn.

Toch weet de roman niet echt te boeien. Contrabande is onderhoudend, zeker; biedt stof tot nadenken, dat eveneens; maar ook als Kruithof de laatste vijf hoofdstukken zou hebben kunnen voltooien en de coupures had kunnen aanbrengen die hij blijkens zijn korte nawoord beoogde, zou dit geen meesterwerk zijn geweest. Daarvoor is de structuur te zwak en springen de clichés iets teveel in het oog. Toch is het boek me dierbaar: daarvoor is het barokke toneelspel te geestig, zijn de overpeinzingen te relevant en is het taalgebruik te fraai.

[Deze bespreking verscheen eerder op Recensieweb.]