Poëzie: De Jordaan

Bron van de Jordaan

De Jordaan

Jozua trok hier over de rivier
In het water van het jonge land
Waste hij zijn vechtershand
De zonden van zijn volk zijn hem vergeven

“En jullie, zien jullie de twaalf stenen niet?
Jullie zijn de getuigen van het woedende bevel”

Jezus kwam aan bij de Jordaan
In het water van zijn jongenshoop
Heeft Johannes hem gedoopt
De zonden van zijn ouders zijn hem vergeven

“En jullie, wie denken jullie dat ik ben?
Jullie zijn de getuigen van het bloedende herstel”

In het nieuwe jaar was ik ook daar
In het water van de Leliegracht
Dronk ik sterren uit de eerste nacht
De zonden van mijn vrouw zijn mij niet vergeven

“En jullie, zien jullie de rode bordelen niet, waar ze zich heeft volgevreten aan halva, dadels en andere zoetigheden?
Jullie zijn de getuigen van de hoerende hel”

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Piet Hein

Piet Hein (Delfshaven)

Piet Hein

Die d’aard van Neêrlands volk in eens wil door zien steken,
En weten, wat bij elk het hoogst in achting staat,
Noem’ mij op markt, op beurs, bij kinders op de straat,
Hij zal ze van mijn buit, de Zilvervloot, doen spreken.

Maar wat ik meer bedreef, mijn’ wezendlijken lof!
“O!” zegt heel Amsterdam, “daar wete wij niet of,
Daar het de wisselbank gien oortje van gestreken.”

[De slag in de Baai van Matanzas vond plaats op 7/8 september 1628.]

Poëzie: Pompeius

Pompeius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Pompeius

Lucanus schrijft in de Pharsalia
Over een plek vol dode bomen
Een glazen huis
Besmeurd met menselijk bloed
Bosgoden durven er niet te komen

Leunend tegen een boom
Slaapt een haarloze beer
Met stijve poten, kan niet liggen
Kan zijn knieën niet strekken
Om weer op te staan

Niemand het onmogelijke
Pompeius de Grote
Spiedt om zich heen
Hij durft wel het bos in
Maar nooit alleen

Afgrond roept tot de afgrond
Tak voor tak
Nadert hij de grens
Een beer staart hem aan
Met de blik van een mens

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Poëzie: Bibracte II

Bibracte (Musée de Bibracte)

Bibracte II

We picknicken op de opgraving
met chocolademelk en chips
en een appel toe

en lopen daarna de paden af

nog 800 meter
langs de tempel van Sint Maarten
en een klimboom

nog 500 meter
een hagedis de eerste
waar 1000 varens bloeien

nog 300 meter
net zover als van school naar huis
dalen we de tunnel in

de koplopers snel
de achterhoede langzaam
springen over een harde zon
zo de museumwinkel in

nog één meter
waar we iets gaan kopen
voordat we de maquette
beluisteren in een Haags accent

over de eerste opgravers
in miniatuur
de archeoloog uitgelegd
toegetakeld opgelicht

we een foto ontdekken
van de tempel waar
we zojuist dansten
in gele jurken

Lees verder “Poëzie: Bibracte II”

Poëzie: Bibracte I

De opgraving van Bibracte

Bibracte I

Humus onder mijn denken
is zacht en stevig als
wandelschoenleer

het wakkere woud veert op
en speelt met mijn overwegen
een Keltisch wielenspel

bronzen naaktslak steekt over –
gepeins rolt naar beneden
tussen oereiken druipend mos
liggen bulten bos die
de zielen bedekken

de kale daden die we nog
niet ruiken die ik
voor me houd en anderen
hopelijk voor waar nemen

tot er op een dag
een metalen wichelroede klikt
en alles mag worden als het was

aangroeiend gesterf

Lees verder “Poëzie: Bibracte I”

Poëzie: Vergissing

Een menhir in een bos (Pierre Brunehaut, Doornik)

Vergissing

Het was de markering blauw-geel
van de ware route in dit regenbos
vol kuilen en pijlen samenzweerderige
mosfiguren en opgehoeste menhirs

die me op de heenweg door de tijd loodsten

een ridder met een bebloede hakbijl
stoof me voorbij en ik schrok niet
dacht alleen maar: over de helft
als ik grijs ben nooit meer bang

tot ik weer een bordje passeerde
met het handschrift van de chef
me even opgelucht en beschermd wist
toen zag hoe alle bomen zich omdraaiden

ik hoorde een takje kraken
stuurde een bericht naar huis
dat ik op de blauw-gele route liep

zette nog enkele passen naar voren

en besloot toen dat vooruit en achteruit
hetzelfde waren keerde om
mijn kalme pas en schichtige oren
werden spitsmuis in open veld

ik deed net alsof ik wandelde
of ik een hond zocht die tevreden mijmerde

de laatste passen tot het einde van de tunnel
duurden weken ik negeerde
afgehakte ledematen zielloze lichamen
achtergelaten dromers

die zich vergist hadden in de ware route

Lees verder “Poëzie: Vergissing”

Wat is er mis bij het INT?

Het is de laatste tijd stil op mijn favoriete wetenschapsblog Neerlandistiek.nl. Ik sta er elke dag mee op, want het is een leuke en informatieve website over een vakgebied dat me boeit. Maar sinds vorige week dinsdag, dus alweer een week geleden, is het stil. Je las eerst een verklaring van het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT), waar de server staat, dat men kampte met een ernstige storing en dat het meerdere dagen zou duren voor de diverse websites, zoals Neerlandistiek, weer online zijn. Inmiddels worden bezoekers doorgestuurd naar de website van hoofdredacteur Marc van Oostendorp.

Maar die kan niet de woordenboeken en dergelijke online plaatsen die, om zo te zeggen, de core activity zijn van het INT. Op dit moment ligt een fors deel van de wetenschap stil, al een week lang.

Lees verder “Wat is er mis bij het INT?”

Poëzie: Isis

Een beeld van Isis in Rome 

Isis

Op de vijfde dag van mei in de druilende regen

Zoals zoveel doodzieke vrouwen
Word ik voortdurend bezongen
Moeder en meesteres
Licht in de lucht

Eerstgeborene van de tijd
Genezende zeebries
Tranende stilte
Ik ben met velen

Alleen waar de ochtendzon
De avondzon kust
Noemt hij mij
Bij mijn enige naam

Ik herinner me niets
Van de blinde slaap
In het wilde onbekende land
Waar het niet fout kon gaan

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Poëzie: Beerput III

Archeologisch profiel (Archeologisch museum, Almería)

Beerput III

De tussenlaag verwaardigt zich
niet te ruiken navigeert tussen
troon en rest want van eenzame hoogte
wuift een opperwezen je weg

Al gehoord al gevraagd
het steentje de klont je potje
de kantjes een nietsontziende zucht
niet komen vragen of iets iets is

Slechts weinig belijnde dagen
van de priemende meester
krijgen een eer van afdaling in stof

laat staan het stipje worden in zijn schoot

Slaaf en gladiator gelijk
wanneer hij opduikt onze vierde hegge-passant
op weg naar vissen thuis

gestopt bij halte arena
grijnzende marmerpet
leunend op zijn fiets tegen ons hek

En is er hier al goud gevonden?

Lees verder “Poëzie: Beerput III”