
Ja, u beweert dat u bestaat,
wij kennen dat verhaal.
Jawel, u zegt dat u bestaat,
dat zeggen ze allemaal
en zo wordt er zoveel beweerd.
Maar waar bent u geregistreerd?
Staat uw bestaan wel zwart op wit?
Heeft u een pas in uw bezit?
Er zijn twee soorten talen: goede en mooie talen (het Nederlands dus) en overbodige talen (alle andere dus).

Ja, u beweert dat u bestaat,
wij kennen dat verhaal.
Jawel, u zegt dat u bestaat,
dat zeggen ze allemaal
en zo wordt er zoveel beweerd.
Maar waar bent u geregistreerd?
Staat uw bestaan wel zwart op wit?
Heeft u een pas in uw bezit?

Onder de regenboog
Geen pot met goud
Geen Robin Hood
In het Sherwoodse woudGeen tempel van Salomo
In Judea zo klein
Geen voetspoor van Mozes
In de Sinaï-woestijnGeen Gilgamesh, geen Agamemnon
Geen draak en geen reus
Geen goden of kosmonauten
Zo zit het heusAlleen twee mythische koningen
Als pijlen zo snel
David en Artur
Die waren er wel
[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Je droeg wieriger ogen dan ik of op zijn minst
een ziltere opslag zo stelden de vaders
je klonk als een muze van mijn geliefde
en lustte de stampvoeten van een min
je hond en je mandje links en rechts beloofden
troost voor verlorenen terugkeer voor zeelui
je was kennelijk de betere lezing van mijzelf
maar je smaakte naar zee en danste niet in de eb
je woonde hier slechts even en snelde toen weg
met je soepele wimpers in de draaiende golven
maar al was je een stip in de tijd
je luidde een geblakerde dag in
met relieken heilig als geen

Jozua trok hier over de rivier
In het water van het jonge land
Waste hij zijn vechtershand
De zonden van zijn volk zijn hem vergeven“En jullie, zien jullie de twaalf stenen niet?
Jullie zijn de getuigen van het woedende bevel”Jezus kwam aan bij de Jordaan
In het water van zijn jongenshoop
Heeft Johannes hem gedoopt
De zonden van zijn ouders zijn hem vergeven“En jullie, wie denken jullie dat ik ben?
Jullie zijn de getuigen van het bloedende herstel”In het nieuwe jaar was ik ook daar
In het water van de Leliegracht
Dronk ik sterren uit de eerste nacht
De zonden van mijn vrouw zijn mij niet vergeven“En jullie, zien jullie de rode bordelen niet, waar ze zich heeft volgevreten aan halva, dadels en andere zoetigheden?
Jullie zijn de getuigen van de hoerende hel”
[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Die d’aard van Neêrlands volk in eens wil door zien steken,
En weten, wat bij elk het hoogst in achting staat,
Noem’ mij op markt, op beurs, bij kinders op de straat,
Hij zal ze van mijn buit, de Zilvervloot, doen spreken.
Maar wat ik meer bedreef, mijn’ wezendlijken lof!
“O!” zegt heel Amsterdam, “daar wete wij niet of,
Daar het de wisselbank gien oortje van gestreken.”
[De slag in de Baai van Matanzas vond plaats op 7/8 september 1628.]

Lucanus schrijft in de Pharsalia
Over een plek vol dode bomen
Een glazen huis
Besmeurd met menselijk bloed
Bosgoden durven er niet te komenLeunend tegen een boom
Slaapt een haarloze beer
Met stijve poten, kan niet liggen
Kan zijn knieën niet strekken
Om weer op te staanNiemand het onmogelijke
Pompeius de Grote
Spiedt om zich heen
Hij durft wel het bos in
Maar nooit alleenAfgrond roept tot de afgrond
Tak voor tak
Nadert hij de grens
Een beer staart hem aan
Met de blik van een mens
[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

We picknicken op de opgraving
met chocolademelk en chips
en een appel toe
en lopen daarna de paden af
nog 800 meter
langs de tempel van Sint Maarten
en een klimboom
nog 500 meter
een hagedis de eerste
waar 1000 varens bloeien
nog 300 meter
net zover als van school naar huis
dalen we de tunnel in
de koplopers snel
de achterhoede langzaam
springen over een harde zon
zo de museumwinkel in
nog één meter
waar we iets gaan kopen
voordat we de maquette
beluisteren in een Haags accent
over de eerste opgravers
in miniatuur
de archeoloog uitgelegd
toegetakeld opgelicht
we een foto ontdekken
van de tempel waar
we zojuist dansten
in gele jurken

Humus onder mijn denken
is zacht en stevig als
wandelschoenleer
het wakkere woud veert op
en speelt met mijn overwegen
een Keltisch wielenspel
bronzen naaktslak steekt over –
gepeins rolt naar beneden
tussen oereiken druipend mos
liggen bulten bos die
de zielen bedekken
de kale daden die we nog
niet ruiken die ik
voor me houd en anderen
hopelijk voor waar nemen
tot er op een dag
een metalen wichelroede klikt
en alles mag worden als het was
aangroeiend gesterf

Hij nam de stad over
Van de koning van Wilusa
De oude naam van Troje
En gaf hem de stad weer terugDe Grieken noemden hem Mopsos
Hij die neemt en geeft
[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Het was de markering blauw-geel
van de ware route in dit regenbos
vol kuilen en pijlen samenzweerderige
mosfiguren en opgehoeste menhirs
die me op de heenweg door de tijd loodsten
een ridder met een bebloede hakbijl
stoof me voorbij en ik schrok niet
dacht alleen maar: over de helft
als ik grijs ben nooit meer bang
tot ik weer een bordje passeerde
met het handschrift van de chef
me even opgelucht en beschermd wist
toen zag hoe alle bomen zich omdraaiden
ik hoorde een takje kraken
stuurde een bericht naar huis
dat ik op de blauw-gele route liep
zette nog enkele passen naar voren
en besloot toen dat vooruit en achteruit
hetzelfde waren keerde om
mijn kalme pas en schichtige oren
werden spitsmuis in open veld
ik deed net alsof ik wandelde
of ik een hond zocht die tevreden mijmerde
de laatste passen tot het einde van de tunnel
duurden weken ik negeerde
afgehakte ledematen zielloze lichamen
achtergelaten dromers
die zich vergist hadden in de ware route
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.