
Gisteren begon de Kinderboekenweek en daarom is hier, speciaal voor mijn vriend S (5½), maar ook voor alle andere kinderen van Nederland en Vlaanderen en Suriname en de Antillen: de blauwbilgorgel. Alle ouders adviseer ik deze mooie column van Aleid Truijens, en voor wie een betaalmuur vindt: laat een kind elke dag een half uur lezen in wat zoon- of dochterlief zelf leuk vindt, en lees uw kind elke dag voor, liefst af en toe ook wat poëzie.
De blauwbilgorgel
Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!
Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!
Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!
Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!
- Cees Buddingh’ (1918-1985)

De blauwbilgorgel is de top. Verder Trijntje Fop, en Daan Zonderland. Jammer genoeg kon ik de hele Archibaldus van Oostzaan cyclus niet op internet terugvinden.
Zie hier: Als de link jona te gortig is, daaronder de tekst, en vice-versa:
https://www.hetvrijevers.nl/E-book%20Archibaldus%20Daan%20Zonderland.pdf
ARCHIBALDUS VAN OOSTZAAN
DAAN ZONDERLAND
Archibaldus van Oostzaan
Trok met spoed zijn harnas aan.
Want hij hoorde van beneden
Zware stappen op de treden
Van Johanna, zijn beminde
Die in hem niet welgezinde
Stemming, razend en vol gram
Naar de arme landsheer kwam.
Gister liep ze nog te klagen
‘Ach, hoe vaak moet ik nog vragen
Om dat nieuw gebloemd behang
Waar ik vurig naar verlang?’
Om haar klagen te verstommen
Was hij op een trap geklommen
Met behang en stijfselkwast.
Naast hem stond een grote kast;
Vol Johanna’s snuisterijen
Die hij, om niet uit te glijen
Vasthield – ach, de kast viel om
En het leek wel of een bom
Insloeg in haar mooiste spullen;
Vaasjes met de fraaiste krullen
Lourdesbeeldjes, glazen haantjes
Waren allen naar de vaantjes.
Kwarteleitjes (toch al broos)
En haar glazen bibelots;
Hummels, door haar zelf gekleid
Lagen stuksgewijs verspreid.
Daarom werkte hij zich dus
Snel het apelazerus
Om haar woede te ontlopen
Door zijn harnas dicht te knopen.
1
Archibaldus van Oostzaan
Keek tevreden en voldaan.
‘Sijsje’, sprak hij tot zijn gade
‘Zie toch eens hoe de salade
De radijs en de komkommer
Groeit tot in de rijke lommer
Van mijn fraaie perelaar;
Je hebt zeker geen bezwaar
Om vanavond voor ons beiden
Iets gezonds te gaan bereiden?
Ik dacht zelf aan rammenas
Uit mijn zelfgebouwde kas.’
Maar Johanna, zijn gravin
Had hierin totaal geen zin.
‘Archibald, dat zal niet gaan’
Zei ze hevig aangedaan.
‘Rupsen, luizen, kevers, pieren;
Te veel griezelige dieren’
Bracht zij vol van walging uit
‘Leven hier in kool en spruit!
Had wat hier wordt rondgekropen’
Riep zij, al rood aangelopen
‘Met een veel te veel aan poten
Eerst maar eens goed doodgespoten!
Urenlang die troep ontslakken
Voor ik groentetaart kan bakken?
Nee, ik kies voor mijn gemak:
Jij krijgt straks een potje Hak.’
2
Archibaldus van Oostzaan
Had de deur net dichtgedaan
Toen hij riep: ‘Ik ben een dreutel!
Hartedief; de voordeursleutel
Ligt nog op het kabinet
Naast ons huwelijksportret!’
Ach, wat werd zijn vrouw toen boos!
Ze was bijna sprakeloos
(Iets wat in zijn stoutste dromen
Zelfs nog niet was voorgekomen).
‘Dat is toch niet te geloven!
En mijn taart staat in de oven!’
Net zoals zoveel kastelen
Kon hun huis door de kantelen
En de hoge stenen muren
Zelfs een stormaanval verduren.
Juist omdat het er zo bijligt
Was hun stee zo goed beveiligd.
Dus ze moesten naar de buren
(Toch een wandeltocht van uren)
Om een stormram te gaan lenen.
Maar pas laat en over enen
Was die naar het slot gedragen
En werd er een bres geslagen.
Dit nadat met man en macht en
De gezamenlijke krachten
Van de kaartclub Stella Maris,
De gemeentesecretaris
En het Oostzaans mannenkoor
(Door de deken en pastoor
En het knapenkoor versterkt)
Urenlang was doorgewerkt.
Toen men dan de slotpoort doorkwam
Kregen zij de man een oorlam
En ook allemaal een hand.
( Maar de taart die was verbrand).
3
Archibaldus van Oostzaan
Keek zijn gade innig aan.
‘Ach, mijn hartelap, wat dacht je
Om gezamenlijk een nachtje
Door te brengen in het Hilton
Met champagnewijn en stillton?
Om dan heuglijk te gedenken
Dat je mij je hart wou schenken
En wij – het lijkt kort geleden –
In het huwelijk zijn getreden?’
Maar zijn gade die zei bitter
‘Zeg eens eerlijk; hoeveel zit er
In de schatkist in de kelder?
Niets toch zeker; dat is helder!
Waar jij mij op wilt onthalen
Moet ik zeker zelf betalen!
Wat voor jou niet als bezwaar telt
Maar ik hecht erg aan mijn spaargeld.
Ik beheer de huishoudpot
En die blijft dus ook op slot.
Er is net genoeg in kas
Voor mijn nieuwe overjas.
Nee, mijn vriend, dat mocht je dromen.
Daar wordt niets uit weggenomen;
Wij gaan met ons jubileum
Naar het gratis fietsmuseum.’
4
Archibaldus van Oostzaan
Moest de Satan wederstaan.
Want die was op audiëntie
En bezwaarde zijn consciëntie
Door hem duivels te verleiden
Met twee jonge mooie meiden.
Toen hij met zijn signatuur
Weer verdween in rook en vuur
Dacht de graaf: ‘Hoe te beginnen?’
Toen kwam juist zijn gade binnen
En bekeek met diep wantrouwen
De twee wulpse jonge vrouwen.
‘Zijn dit’, vroeg zij, ‘de twee krachten
Van Bureau Niet Langer Wachten
Op Uw Kok En Huishoudhulp
Voor Kasteel Abdij En Stulp?’
Ach, wat kon de graaf toen zeggen?
Hier viel weinig uit te leggen.
En hij zag met kromme tenen
Hoe ze allemaal verdwenen.
Spoedig zaten beide stukken
In de keuken kip te plukken.
En de graaf had diepe spijt;
Maar zijn ziel die was hij kwijt.
5
Archibaldus van Oostzaan
Wou de keukenmeid ontslaan.
‘Niet alleen dat haar gerechten
Altijd met mijn maagzuur vechten
(Mosterd op de oliebollen
Soesjes van geraspte knollen
Slagroom op de zure haring):
Maar denk ook aan de besparing!
Er is weinig meer in kas
Dus dat komt heel goed van pas.’
Echter, hij vond geen gehoor:
‘Vriendjelief, ik heb je door!
Onze meid is overbodig?
Waar heb jij dat geld voor nodig?
‘Zeker’, sprak zijn gade boos
‘Om te fuiven in de soos
En de centen te spenderen
Aan losbandig bambocheren!
Jij gaan stappen met je maten?
En met wie moet ik dan praten!
Ik kan bij de keukenmeid
Al mijn zieleroersels kwijt.
Dus jij krijgt ruim tijd te leren
Om haar kookkunst te waarderen.
En wanneer je maag je kwelt; er
Is nog ruimschoots alka seltzer.’
6
Archibaldus van Oostzaan
Had zijn harnas aangedaan
Omdat hij zou gaan poseren
Daar hij zich liet portretteren.
In de eregalerij
Was nog net een plekje vrij
Tussen Archibald de Kale
(Waar niet veel van viel te halen)
En Pepijn, genoemd ‘de Korte’
(Daar het hem aan lengte schortte).
Toen de schilder aan kwam zetten
Met penselen en paletten
En kunstzinnig naar hem keek
Raakte die op slag van streek:
‘Heer, u moet mij maar verschonen
Maar dat u zich durft vertonen
Geeft wel blijk van dapperheid,
Maar hoezeer het mij ook spijt
Het zal zeker niet gelukken
Uw gezicht goed uit te drukken.
Ik ben daartoe niet in staat
Met een afgewend gelaat.
Zelfs wanneer ik het wél wilde;
De statuten van het gilde
Zijn heel strikt in Esthetiek.
En aangaande uw physiek;
Wel, die spot met alle normen
Over aangename vormen,
Zeker wat uw neus betreft.
U heeft blijkbaar niet beseft
Dat alleen door díe te verven
Dát het doek al zou bederven!
Dus maak ik geen voorbereidsel
Voor uw staatsiekonterfeitsel.
Hoeveel geld u mij ook biedt:
Uw portret dat komt er niet!’
7
Archibaldus van Oostzaan
Nam een lepel levertraan.
Want als echte hypochonder
Voelde hij zich dan gezonder.
Ja, hij klaagde menigmalen
Over allerhande kwalen.
Fistels, likdoorns, eksterogen,
Scheuten in zijn ellebogen,
Nare kloven in zijn mond:
Nooit was hij totaal gezond.
Al die zieke lichaamsdelen
Wilde hij in één klap helen
Door een drankje te gaan maken
(Dat natuurlijk vies moest smaken).
‘Kijk’, zo sprak hij,’ik verbrijzel
Al mijn pillen in een vijzel,
Neem mijn hoestsiroop en mix er
Dokter Dralleman’s elixer
Door en voeg dat dan weer samen,
Neem de hele santekraam en
Meng dat dan weer met alruin
En mijn hele kruidentuin’.
Uren stond hij in de keuken
In een walm en kwade reuk en
Tot zijn oksels in de vaat
Keek hij naar het resultaat.
Daarna dronk hij vol vertrouwen
Van de vrucht van al zijn brouwen.
Weken heeft hij kromgelegen
(En zijn vrouw moest hem verplegen).
8
Archibaldus van Oostzaan
Moest en zou een draak verslaan.
Al zijn bloedverwante magen
Hadden al zo’n beest verslagen.
‘Archibald de Drakendoder’:
Dat was beter dan het bloder
Klinkend ‘Archibald de Goede’
Zoals hij steeds tot zijn woede
In annalen werd vermeld.
Dus vermetel trok de held
Naar de woeste regionen
Waar die monsters moesten wonen.
Ach, men zag hem wederkeren
Met door bloed besmeurde kleren,
Een gebroken brilleglas
En een zwaar geblutst kuras.
Ook zijn zwaard dat was gebroken
Maar zie! Aan zijn lans gestoken
Prijkte -ach wat keek hij fier-
Het door hem verslagen dier.
Maar gezeten aan de tafel
Met zijn pak nog slechts één rafel
Snoeverig en uitgebreid
Over zijn verbeten strijd
Met het monsterdier verhalend
Onderbrak zijn vrouw hem smalend:
‘Draak? Ach ventje; ieder ander
Noemt zo’n beest een salamander.’
9
Archibaldus van Oostzaan
Wist de baljuw te verslaan
In de halma-competitie
En de Zaanse stadseditie
Bracht hiervan een groot verslag.
Daarom hing bij hem de vlag
Met de wimpel van de tinnen
En de graaf riep buiten zinnen:
‘Kom die zege bij mij vieren;
Proef mijn wijn en drink mijn bieren!’
Als reactie op zijn roepen
Kwamen weldra grote groepen
Naar zijn trotse burcht gesneld.
Maar Johanna was ontsteld
En haar onderlip die trilde
Toen het hele schuttersgilde,
Schepenen en schout en drosten
Door haar Nette Kamer klosten.
Ook de kaartclub Stella Maris
Dromde door haar inventaris.
Zij ontstak in grote woede
Toen zij zag hoe een der vroede
Vaderen der Zaanse stad
Stond te morsen op de mat.
Ze begon te fulmineren
Tegen alle hoge heren
En haar tong die was zo rad
En zo ruim haar woordenschat
Dat ze allen hun baretten
IJlings op hun hoofden zetten.
10
Zonder Archibald te groeten
Maakten zij zich uit de voeten
En ze richtte toen haar alt
Op de arme Archibald.
Lang heeft zij nog uit staan weiden
Over háár langdurig lijden
En zíjn menselijk tekort.
Toen nam zij het halmabord
Wierp dat razend van de transen
Roepend: ‘Leer jij maar patiencen!’
En de landheer van Oostzaan
Heeft dat dus maar ook gedaan.