Poëzie: Bibracte II

Bibracte (Musée de Bibracte)

Bibracte II

We picknicken op de opgraving
met chocolademelk en chips
en een appel toe

en lopen daarna de paden af

nog 800 meter
langs de tempel van Sint Maarten
en een klimboom

nog 500 meter
een hagedis de eerste
waar 1000 varens bloeien

nog 300 meter
net zover als van school naar huis
dalen we de tunnel in

de koplopers snel
de achterhoede langzaam
springen over een harde zon
zo de museumwinkel in

nog één meter
waar we iets gaan kopen
voordat we de maquette
beluisteren in een Haags accent

over de eerste opgravers
in miniatuur
de archeoloog uitgelegd
toegetakeld opgelicht

we een foto ontdekken
van de tempel waar
we zojuist dansten
in gele jurken

Lees verder “Poëzie: Bibracte II”

Poëzie: Bibracte I

De opgraving van Bibracte

Bibracte I

Humus onder mijn denken
is zacht en stevig als
wandelschoenleer

het wakkere woud veert op
en speelt met mijn overwegen
een Keltisch wielenspel

bronzen naaktslak steekt over –
gepeins rolt naar beneden
tussen oereiken druipend mos
liggen bulten bos die
de zielen bedekken

de kale daden die we nog
niet ruiken die ik
voor me houd en anderen
hopelijk voor waar nemen

tot er op een dag
een metalen wichelroede klikt
en alles mag worden als het was

aangroeiend gesterf

Lees verder “Poëzie: Bibracte I”

Het Verre Westen

De wereld voorbij de sterren (volgens Camille Flammarion)

Je moet teksten nooit al te letterlijk nemen, want al snel lijkt het dan alsof er onzin staat. Hier zijn vier regels uit Vergilius’ Aeneis, het gedicht dat, in de vorm van een verhaal over de zwerftocht van de Trojanen naar Italië, de lof zingt van keizer Augustus.

[Augustus] super et Garamantas et Indos
proferet imperium. Iacet extra sidera tellus,
extra anni solisque vias, ubi caelifer Atlas
axem umero torquet stellis ardentibus aptum.noot Vergilius, Aeneis 6.797-797.

Tot voorbij de Garamanten en Indiërs zal Augustus
het imperium uitbreiden. Er ligt land buiten de sterren,
buiten de banen van jaar en zon, waar hemeldrager Atlas
op zijn schouder de as draait waaraan de fonkelsterren zijn bevestigd.

Lees verder “Het Verre Westen”

Poëzie: Vergissing

Een menhir in een bos (Pierre Brunehaut, Doornik)

Vergissing

Het was de markering blauw-geel
van de ware route in dit regenbos
vol kuilen en pijlen samenzweerderige
mosfiguren en opgehoeste menhirs

die me op de heenweg door de tijd loodsten

een ridder met een bebloede hakbijl
stoof me voorbij en ik schrok niet
dacht alleen maar: over de helft
als ik grijs ben nooit meer bang

tot ik weer een bordje passeerde
met het handschrift van de chef
me even opgelucht en beschermd wist
toen zag hoe alle bomen zich omdraaiden

ik hoorde een takje kraken
stuurde een bericht naar huis
dat ik op de blauw-gele route liep

zette nog enkele passen naar voren

en besloot toen dat vooruit en achteruit
hetzelfde waren keerde om
mijn kalme pas en schichtige oren
werden spitsmuis in open veld

ik deed net alsof ik wandelde
of ik een hond zocht die tevreden mijmerde

de laatste passen tot het einde van de tunnel
duurden weken ik negeerde
afgehakte ledematen zielloze lichamen
achtergelaten dromers

die zich vergist hadden in de ware route

Lees verder “Poëzie: Vergissing”

Poëzie: Isis

Een beeld van Isis in Rome 

Isis

Op de vijfde dag van mei in de druilende regen

Zoals zoveel doodzieke vrouwen
Word ik voortdurend bezongen
Moeder en meesteres
Licht in de lucht

Eerstgeborene van de tijd
Genezende zeebries
Tranende stilte
Ik ben met velen

Alleen waar de ochtendzon
De avondzon kust
Noemt hij mij
Bij mijn enige naam

Ik herinner me niets
Van de blinde slaap
In het wilde onbekende land
Waar het niet fout kon gaan

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]

Poëzie: Beerput III

Archeologisch profiel (Archeologisch museum, Almería)

Beerput III

De tussenlaag verwaardigt zich
niet te ruiken navigeert tussen
troon en rest want van eenzame hoogte
wuift een opperwezen je weg

Al gehoord al gevraagd
het steentje de klont je potje
de kantjes een nietsontziende zucht
niet komen vragen of iets iets is

Slechts weinig belijnde dagen
van de priemende meester
krijgen een eer van afdaling in stof

laat staan het stipje worden in zijn schoot

Slaaf en gladiator gelijk
wanneer hij opduikt onze vierde hegge-passant
op weg naar vissen thuis

gestopt bij halte arena
grijnzende marmerpet
leunend op zijn fiets tegen ons hek

En is er hier al goud gevonden?

Lees verder “Poëzie: Beerput III”

Poëzie: Beerput II

De strata van een opgraving (Hazor)

Beerput II

Job schuurt de dag met zijn rug
naar de put in legergroene
bodybag met pioniersvakken
voor gereedschap en geloof

Nu zeeft hij de kluitenberg
tussen land en hoop
een vierde macht gelaten
achter regels van zijn weekend

in het laatje op kantoor
zijn doosje in een schuur
aan de einder van zijn onmetelijke tuin met fontein

vruchten zoekend van het gegraven gat

hij had er meer van verwacht
binnen zijn ritsen om tien uur ’s ochtends
zijn eerste dag als avonturier

Oppergod drijft mokkenden op
nooit genoeg eendagskaken op zaterdag
kom laat ze stromen door je bureauvingers

laat de aarde zweten

Lees verder “Poëzie: Beerput II”

Poëzie: Beerput I

Archeologisch profiel (Landesmuseum, Hannover)

Beerput I

Hij regisseert met Romeinse wuft
geeft licht vandaag onze beroeps
in het zomerkamp voor beginnende
en eindigende levens

De archeoparasol voert vanaf tennistroon
kruipende hulptroepen aan
troffelen hopen terra sigillata
binnen strakke ingemeten lijnen

Voor twee slakken is geen vlak vrij
student en ambtenaar krijgen pollenheuvel
waarachter te sorteren beer in een zon

zeventiende-eeuwse weesheid verplaatst naar hier

Zwarte molm is geen kinderpoep
klerk springt dapper diep klauwt wilde kluiten
klimt snel kokhalzend terug op het vrijwillige droge

Studente graaft hongerig uit nee maar
een vlecht brilletje kinderschoen
Apollo schommelt boven tevreden

wat de mens toch al verliest op een wc

Lees verder “Poëzie: Beerput I”

Poëzie: De Wetgever

Hammurabi groet de zonnegod Šamaš

De Wetgever

In het begin was er de wetgever
In Sumerië en Babylon
Israël, Griekenland en Rome
Hij stelde de regels op schrift

Al zijn tafelen
Eerbiedwaardig en oud
Het prille begin
Van een menselijke fout

Hij vertelde ons niet
Hoe te leven in een wereld
Waarin het recht
Niet langer van ons is

[Een korte gastbijdrage van de huisdichter van deze blog, Hans Koonings. Dank je wel Hans!]