Beestenboel

Le paon.

En faisant la roue, cet oiseau,
Dont le pennage traîne à terre,
Apparaît encore plus beau,
Mais se découvre le derrière.

De pauw.

Deze vogel, staart pronkend in ronde stand,
Sleept zijn veren doorgaans door het zand
Lijkt nu nog fraaier dan normaal,
Maar onthult zijn kont en die is kaal.

Ibis.

Oui, j’irai dans l’ombre terreuse.
Ô mort certaine, ainsi soit-il!
Latin mortel, parole affreuse,
Ibis, oiseau des bords du Nil.

Ibis.

Ja, ik zal gaan in de schaduw van de aarde.
O zekere dood, zo is zijn stijl!
Afschuwelijk woord, dat het dode Latijn bewaarde,
Ibis, vogel van de oevers van de Nijl.

La puce.

Puces, amis, amantes même,
Qu’ils sont cruels ceux qui nous aiment!
Tout notre sang coule pur eux.
Les bien-aimés sont malheureux.

De vlo.

Vlooien, vrienden, zelfs beminden,
Wreed zijn zij die ons lekker vinden!
Voor hen vloeit al ons bloed.
Geliefden voelen zich niet goed.

Le poulpe.

Jetant son encre vers les clieux,
Suçant le sang de ce qu’il aime
Et le trouvant délicieux,
Ce monstre inhumain, c’est moi-même.

De octopus.

Zijn inkt spuitend naar het hemelgewelf,
Het bloed zuigend van wie hij bemint
En dat vreselijk lekker vindt,
Dat onmenselijk monster, dat ben ik zelf.

[Vandaag even een gastblog van de Franse dichter Guillaume Apollinaire (Le Bestiaire ou Cortège d’Orphée, 1911), graficus Raoul Dufy en vertaler Bert van der Wurff.]

Poëzie

Ik kreeg een aardig boekje toegestuurd met de titel Lees! Ondertitel: “Vijftig gedichten uit de wereldpoëzie”, gekozen door Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam. In zo’n bundel kan Jules Deelder vanzelfsprekend niet ontbreken, want de nachtburgemeester is in Rotterdam Aboutalebs enige collega. En de twee eerste burgers zijn het eens. “De Omgeving van de Mens is de Medemens”, schrijft Deelder, en Aboutaleb zegt het hem na:

Het is een selectie geworden van poëzie die voor mij persoonlijk veel betekent, doordat ze een brug slaat van de ene mens naar de ander.

Het is een leuke bundel, waarin Bram Vermeulen staat naast Rumi, Martin Bril naast Vivian Hester van Leeuwen en Quevedo naast Derek Otte. Lezenderwijs ontdekte ik dat vooral auteurs die in het buitenland zijn geboren en naar Nederland gekomen, me het meest troffen, zoals het onderstaande gedicht van Rodaan Al Galidi. Misschien wel omdat ik moest grinniken dat een burgemeester, toch bij uitstek de belichaming van de overlegcultuur, uitgerekend dit gedicht heeft geselecteerd.

Lees verder “Poëzie”

Aardenburg

De westelijke poort van Aardenburg; achteraan de lage muur waarop de gedichtjes zijn te lezen.

Hoe presenteer je een antieke nederzetting? De ideale situatie begint ermee dat je een opgraving echt kunt tonen – denk aan DomUnder in Utrecht, het Thermenmuseum te Heerlen of de basiliek van Tongeren – en dat je vervolgens een manier hebt om aan te geven waarop de reconstructie is gebaseerd. Het publiek ziet immers alleen fundamenten en toch zeggen archeologen iets over het dak. Waarop baseren ze zoiets? Als je deze uitleg overslaat, roep je de scepsis over je af.

Maar dat is natuurlijk niet voldoende. Leuk hoor, zo’n fort of badhuis of kerk, maar wat betekende dat voor de mensen destijds? Hier komen teksten van pas en dit is wat ik in Aardenburg in Zeeuws-Vlaanderen zo verschrikkelijk aardig vind. De brokken natuursteen van het fort zelf zijn op verschillende plaatsen in het vestingstadje hergebruikt, zoals in de kerk, wat in elk geval het voordeel heeft dat de mensen weten dat er een Romeins fort is geweest. Met wat modern metselwerk zijn bovendien de resten van de westelijke poort aangeven.

Lees verder “Aardenburg”

Byzantijnse krabbel (12): Fabels

Een kwatrijn is een gedichtje van vier regels. De grootmeester van het genre is de middeleeuwse Perzische auteur Omar Khayyam, over wie ik al eens blogde, twee keer zelfs: 1, 2 en nog een derde keer als een bonus die eigenlijk niet over hem gaat. De weinige keren dat ik zelf heb geprobeerd een kwatrijn te schrijven, ontdekte ik dat het moeilijk is een gedachte in precies vier regels te gieten: om echt iets te zeggen, had ik er eigenlijk altijd meer nodig. Sonnetten zijn makkelijker.

Des te knapper vind ik het als iemand in een kwatrijn een compleet verhaal kan vertellen. Dat probeerde de Byzantijnse dichter Ignatios, die het kwatrijn benutte voor het vertellen van fabels: verhaaltjes met een plot en een moraal, en dat in vier zinnetjes.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (12): Fabels”