
De Romeinse auteur Aulus Gellius (tweede eeuw na Chr.) beschrijft in zijn boek Attische Nachten een interessant gesprek over kleuren tussen twee intellectuelen uit zijn tijd, Favorinus van Arelate en Marcus Cornelius Fronto. Interessant is dat ze werkelijk over de linguïstische betekenissen van bepaalde kleurwoorden spreken en niet over het mengen van pigmenten. Favorinus zegt:
Er is meer verschil in de waarneming van onze ogen dan we in de woorden voor kleuren kunnen uitdrukken. Want om andere tekortkomingen buiten beschouwing te laten: voor de primaire kleuren rood (rufus) en groen (viridis) hebben we weliswaar maar één woord, terwijl er allerlei nuances zijn. Dit gebrek aan woorden zie ik in het Latijn meer dan in het Grieks. Weliswaar is de kleur rufus afgeleid van rubor (roodheid), maar vuur is een ander rood dan bloed, purper, saffraan of goud, en toch benoemt het Latijn deze afzonderlijke tinten rood niet met eigen, aparte woorden, maar vat het ze allemaal samen met die ene uitdrukking rubor – tenzij het een naam ontleent aan de zaak zelf en bijvoorbeeld zegt vurig (igneus), vlammend (flammeus), bloedig (sanguineus), saffraankleurig (croceus), purperen (ostrinus), gouden (aureus). Want de kleuren russus en ruber zijn weliswaar afgeleid van het woord rufus, maar verklaren niet al zijn eigenschappen. Daarentegen lijken ξανθός, ἐρυθρός, πυρρός, κιρρός en φοῖνιξ bepaalde gradaties rood weer te geven, doordat ze het ofwel versterken, verzwakken of door een gemengde nuance afzwakken.noot
Favorinus beweert dat het Latijn armer is dan het Grieks, althans wat kleurnamen betreft. Als basiskleuren lijkt hij rood en groen te beschouwen. Voor rood bestaat volgens hem alleen rufus (dat hij afleidt van rubor), hoewel vuur, bloed, purper, saffraan en goud toch op verschillende manieren rood zijn. Russus en ruber ziet hij als afleidingen van rufus. Hij erkent weliswaar dat er voor ignis de kleurbeschrijving igneus bestaat, evenals voor sanguis sanguineus, voor ostrum ostrinus, voor crocus croceus en voor aurum aureus, maar die woorden zijn nu eenmaal afgeleid van een bepaalde zaak. In het Grieks ziet hij echte gradaties van rood. Fronto reageert hierop:
Ik ontken niet dat de Griekse taal, waaraan jij de voorkeur lijkt te geven, uitgebreider en rijker is dan de onze, maar juist bij de kleuren waarover je het hebt, zijn wij helemaal niet zo arm als je denkt. Want niet alleen de woorden die je noemt, russus en ruber, duiden bij ons de rode kleur aan, maar we beschikken zelfs over meer uitdrukkingen dan jullie Grieken. Fulvus, flavus, rubidus, poeniceus, rutilus, luteus en spadix zijn onze namen voor tinten die het rood ofwel verscherpen als een ontbranding, of met groen mengen, of met zwart verduisteren of geleidelijk met wit ophelderen.
Poeniceus en spadix
Fronto zegt dat het Grieks weliswaar rijker is dan het Latijn, maar juist bij de kleur rood ziet hij in het Latijn veel nuances. Hij begint met poeniceus en spadix:
Want poeniceus, dat jij in het Grieks φοῖνιξ noemt, is net als rutilus en spadix een woord in het Latijn. Spadix, een uit het Grieks overgenomen synoniem van poeniceus, duidt de rode overvloed van glans aan, zoals op de vruchten van de palm zolang ze niet door de zon verbrand zijn. Daaraan ontlenen spadix en poeniceus hun naam. De Doriërs noemen een van de palm afgebroken vrucht namelijk σπάδιξ.
Interessant is dat Fronto de woorden poeniceus en spadix, hoewel ze volgens hem van Griekse oorsprong zijn, rekent tot zijn eigen taal, het Latijn. Voor poeniceus bestaat er een lemma in de Thesaurus Linguae Latinae; het komt inderdaad van het Griekse φοινίκεος of φοῖνιξ, “Punisch” of “Feniciër”. Spadix is een zeer zeldzaam woord, dat eenmaal bij Vergiliusnoot voorkomt als een kleurnaam bij paarden, en dat is vermoedelijk waarom Gellius het vermeldt. In het Grieks is het niet geattesteerd.

Fulvus
Daarna behandelt Fronto het woord fulvus:
Fulvus lijkt gemengd te zijn uit rood en groen, waarbij de ene keer het groen, de andere keer het rood overheerst. Zo spreekt de dichter, die heel precies omgaat met zijn woorden, van een ‘“fulve” adelaar en jaspis, “fulve” mutsen, “fulf” goud, “fulf” zand en een “fulve” leeuw; al eerder sprak Ennius in de Annalen van “fulve” lucht.
Een mengsel van rood en groen is merkwaardig en Gellius bedoelt ook niet dat fulvus soms voor rode en soms voor groene dingen wordt gebruikt. Bij het mengen van deze twee kleuren ontstaat iets dat lijkt op modderbruin of olijfgroen. Wanneer we het gebruik van fulvus echter beter bekijken, lijkt het meer te gaan om een soort geel dat neigt naar bruinachtig of roodachtig. Ik kom hierop terug bij flavus. Het woord fulvus is vooral poëtisch en de genoemde dichter is uiteraard Vergilius. De door hem genoemde mutsen zijn gemaakt van wolfspels. Ook in het TLL-lemma zien we gele dingen: zand en as, sterren, metaal, in het bijzonder goud, dieren zoals de leeuw.

Flavus
Fronto gaat verder met flavus:
Flavus lijkt samengesteld te zijn uit groen, rood en wit: vandaar “flava” haren, en daarom – wat sommigen verbaast – noemt Vergilius de bladeren van de olijfboom flavus; al veel eerder had Marcus Pacuvius water flavus en stof fulvus genoemd. Aan zijn verzen herinner ik mij graag, omdat ze zo aantrekkelijk zijn:
Geef mij uw voet, opdat ik het gele (fulvus) stof met geelachtig (flavus) water afwas met dezelfde handen waarmee ik Odysseus dikwijls heb gestreeld en de vermoeidheid door de zachte aanraking van mijn handen verlicht.
Opnieuw worden rood met groen gemengd, maar ditmaal met ook met wat wit erbij. Opnieuw gaat het echter in werkelijkheid om een soort geel. In het TLL-lemma uit 1919 wordt het vertaald met ξανθός en πυρρός, dat wil zeggen: roodachtig geel. Het wordt gezegd van zand en as, van metaal (zoals goud), van honing en was, en ook van haar. In de poëzie komt flava voor als haarkleur van allerlei mythologische personen, zoals Ariadne, Pallas en Artemis, en verder is het de kenmerkende haarkleur van de Galliërs en de Germanen. Het lijkt te gaan om blond haar, hoewel Lucanus daarvoor rutilus als synoniem gebruikt.noot Bovendien is flava een titel van de godin Ceres, wat waarschijnlijk voortkomt uit de kleur van het graan.

In de zojuist geciteerde passage noemt Fronto flava haar, maar hij geeft wel lastige bewijsplaatsen, die in het TLL-lemma apart staan bij γλαυκός, wat een groenachtig blauw is. Het eerste voorbeeld is uit Vergilius:
tres praemia primi / accipient flavaque caput nectentur oliva.
De drie eersten zullen de prijzen van de overwinning ontvangen, en hun hoofd zal met de gele olijftak omwonden worden.noot
Deze passage heeft menig geleerde hoofdbrekens bezorgd, omdat olijftakken nou eenmaal zilverachtig groen zijn. R.J. Edgeworth betoogt echter dat olijftakken snel geel worden als ze geplukt zijn. noot Mogelijk om flavus toch voor iets groens te kunnen gebruiken, neemt Fronto aan dat het een groene component heeft. Omdat fulvus zeer dicht bij flavus ligt, betrekt hij ook daar maar groen bij.

De tweede zojuist door Fronto gegeven bewijsplaats is al even lastig: de aangehaalde passage uit Pacuviusnoot is alleen bekend doordat Gellius haar hier citeert. De context is dus onduidelijk. Het gaat echter duidelijk om de scène waarin de min de voeten van Odysseus wast en hem vervolgens aan een litteken herkent. De woorden flavus en fulvus staan hier direct naast elkaar, fulvus is het stof en flavus het water. Men zou helder water verwachten om het gele stof weg te wassen.
Rubidus en luteus
Fronto besluit met de roodtinten rubidus en luteus:
Rubidus is een donkerder rood, sterk doorspekt met zwart; luteus daarentegen is een helderder, verdund rood – vandaar lijkt ook zijn naam te zijn ontstaan. Dus, beste Favorinus, hebben de Grieken niet meer namen voor rood dan wij.
Rubidus is een zeer zeldzaam woord voor rood. Luteus betekent dat iets is geverfd met lutum (wouw), en dat is opnieuw geel. Het TLL-lemma onderscheidt een breed spectrum van kleuren: een tint tussen rood en geel (croceus), maar ook flavus, ξανθός (dus blond of geel), luridus, χλωρός (geelachtig groen, van de huidskleur van zieken), en ook ruber (rood). De TLL vermeldt rood echter uitsluitend omdat Fronto het volgens Gellius zo zegt, want werkelijk overtuigende voorbeelden zijn er niet. Gellius noemt luteus nog dilutior en wil klaarblijkelijk dus nog een etymologie inbrengen. Dilutus betekent overigens “verdund” (van het werkwoord diluo), en heeft niets met lutum te maken. Anders dan bij bijvoorbeeld flavus en fulvus is luteus gebaseerd op een verfstof, die afhankelijk van gebruik en ondergrond een ander resultaat oplevert. Dat zou de verscheidenheid aan tinten kunnen verklaren.
Viridis
Fronto rondt af met de claim dat het Latijn ook veel woorden heeft voor groen.
Ook de groene kleur wordt door jullie niet aangeduid met meer woorden, en Vergilius had, als hij de groenachtige kleur van een paard wilde benoemen, berer caeruleus dan glaucus kunnen zeggen, maar koos liever voor het bekendere Griekse woord dan voor een ongebruikelijk Latijns woord. Onze ouden noemden caesius wat de Grieken γλαυκῶπις noemen – volgens Nigidius is het afgeleid van de hemel, als het ware hemels.
Fronto noemt als voorbeeld van een woord voor groen echter alleen caeruleus, wat wij toch eerder als “blauw” zouden aanduiden. Het lijkt in elk geval afgeleid van caelum “hemel”.noot Caeruleus wordt volgens de TLL gebruikt voor de hemel, de zee en rivieren, en het kan een oogkleur zijn. Glaucus wordt in de TLL caeruleus genoemd, maar met een bijmenging van groen, zoals bij zeewater. Dat TLL-lemma wijst er echter uitdrukkelijk op dat glaucus niet voor de hemel wordt gebruikt, maar hoofdzakelijk voor water. Maar dan brengen ook de paarden de TLL in verklaringsnood. Speciaal voor die paarden van Vergilius wordt dan aangenomen dat glaucus ook iets zwartachtigs kan aanduiden. De Fronto van Gellius vindt glaucus weliswaar ook merkwaardig, maar de alternatieve caeruleus had bij de paarden ook niet echt geholpen. De TLL wijst echter nog op de blauwschimmel.
Nogmaals flavus
Aan het einde van de passage bedankt Favorinus zijn gesprekspartner:
Zonder jou zou de Griekse taal misschien ver vooruit zijn gesneld; maar jij, beste Fronto, doet wat er in de homerische vers staat:
Je had hem óf ingehaald óf de plaats betwist.
Ik heb met plezier geluisterd naar wat je zo deskundig uiteenzet, vooral je verklaring voor de diverse woorden voor de gele (flavus) kleur, en nu begrijp ik eindelijk die schitterende verzen uit het veertiende boek van de Annalen van Ennius, die ik eerst nauwelijks kon vatten:
Ze glijden nu over het gele marmer van de kalme zee,
het blauwe water schuimt, door schepen doorploegd.Ik begreep niet dat de blauwe zee met geel marmer werd verbonden. Maar omdat, zoals jij zei, geel gemengd is uit groen en wit, heeft Ennius het schuim van de groenachtige zee heel raak aangeduid als geel marmer.
Favorinus moet aan het einde ook zijn belezenheid nog even tonen door een vers van Enniusnoot te citeren, waarin de zee tegelijkertijd blauw (caeruleus) en geel (flavus) wordt genoemd. Maar omdat Fronto caeruleus als groen heeft aangeduid, evenals flavus als een mengsel van rood en groen, lijkt de groentint toch opnieuw te kloppen.
Conclusie
Aulus Gellius laat lezers van nu verward achter met het idee dat alle kleuren één pot nat zijn. Rood, groen, blauw en geel worden door elkaar gegooid. Hij wilde echter geen kleurtheorie ontwerpen, maar een voorbeeld geven van een geleerd gesprek. Sommige kleurwoorden zijn uiterst zeldzaam, zoals spadix, en hij geeft voorbeelden die eerder dienen om zijn belezenheid te tonen dan om de kleuren te begrijpen. Ook nu nog brengen gele olijfbladeren, geel water en groene paarde n de commentatoren in verklaringsnood. Al deze voorbeelden komen echter uit de poëzie, waar de dichter niet de kleur van een voorwerp wilde beschrijven, maar associaties wilde oproepen. Al met al lijkt Fronto bij Gellius twee kleurgroepen te onderscheiden: één voor wat wij rood en geel zouden noemen, één voor groen en blauw. Verder kunnen wij zijn uitspraken over kleuren niet werkelijk gebruiken om de Latijnse kleurnamen te begrijpen, wat echter wel vaak gebeurd is.
Literatuur
- André, Jacques (1949) Étude sur les termes de couleur dans la langue latine, Paris.
- Bradley, Mark (2009) Colour and Meaning in Ancient Rome. Cambridge.
- De Vaan, Michiel (2008) Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages. Leiden.
- Edgeworth, Robert Joseph (1992) The Colors of the Aeneid. New York.
- Goldman, Rachael( 2013) Color-Terms in Social and Cultural Context in Ancient Rome. Piscataway.
- Vels Heijn, Nicolaas (1951) Kleurnamen En Kleurbegrippen Bij de Romeinen. Utrecht.
[Deze gastblog van Josine Schrickx verscheen eerder (en in het Duits) op haar eigen blog. Dank je wel Josine!]

De Grafbasiliek in Jeruzalem
Psyche
De mythe van Adonis
Als oud-graficus ben ik bekend met de moderne kleursystemen en hoe bijv. glans en mat papier de kleur beïnvloed. Het Pantone systeem is gemaakt om bestaande verwarring over wat bijvoorbeeld ‘gras groen’ is te doen ontaarden in ontevreden klanten en niet betaalde facturen. Dit is nodig omdat we door wetenschap en industrialisatie zoveel meer kleur in onze wereld hebben.
De gemiddelde romein zag vooral natuurproducten en kleuren. Kunstmatige kleuren als purper en glanzed metaal of glas waren heel zeldzaam. Romeinen zagen kleuren meer praktisch, niet als abstracte tinten (denim!), maar meer als zichtbare eigenschappen van materialen in het licht.
Maar wat zou een romein hebben gezien in een regenboog?