
De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarmee ik de journalistieke aandacht voor archeologische vondsten en ongefundeerde parallellen tussen toen en nu wil verplaatsen naar het proces waarmee wetenschappelijke inzichten ontstaan en worden overgedragen. Vandaag is het woord aan Alexander Smarius, die weleens eerder schreef voor deze blog. Als leraar Grieks en Latijn op het vwo – voor Vlaamse lezers: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs – is hij meestal niet direct met wetenschap bezig: liever helpt hij opgroeiende tieners zich voor te bereiden op wetenschap.
**
Welke rol heeft een leraar om jonge mensen voor te bereiden op wetenschap?
Kort en goed: het klimaat creëren waarin er een klassengesprek ontstaat dat de leerstof ontstijgt. Ruim baan geven aan situaties die ook in Griekse filosofenscholen konden plaatsvinden.
Jonge mensen groeien op met de misvatting dat veel kennis vast staat. Alleen al het woord wetenschap, als vertaling van het Latijnse scientia (“kennis”), zet je op het verkeerde been. Het Griekse woord φιλοσοφία is beter: het hartstochtelijk streven naar kunde. Dat streven faalt vaak, maar omdat bescheiden en verstandige mensen het niet opgeven, kunnen we toch verder komen.
De mooiste momenten in een les ontstaan als de bespreking van een (vaak taalkundig) probleem aanleiding geeft tot een klassengesprek over dit soort zaken. Leerlingen hebben daar vaak nog niet over nagedacht en gaan vragen stellen die verder gaan dan de stof. Dat een deel van die vragen niet met zekerheid kan worden beantwoord, is heel leerzaam.
Als leraar stel je zelf ook voortdurend vragen, hetzij direct aan de leerlingen (“hoe denk je dat we dit kunnen weten”, “waaraan kun je zien dat…”, “wat pleit voor/tegen deze interpretatie” etc.), hetzij door bij het presenteren van bepaalde inzichten de deelvragen te formuleren die tot bepaalde wetenschappelijke doorbraken hebben geleid. Zo kun je leerlingen laten meekijken in het hoofd van grote wetenschappers en hen iets van een wetenschappelijke mindset helpen ontwikkelen.
Zou je niet liever college geven aan de studenten van een oudheidkundige studierichting?
Nee. In mijn ogen is het algemene leerbelang groter, en zijn de fasen die mensen tussen twaalf en achttien doorlopen interessanter. Leerlingen blijven je verrassen met hun vragen. De meest prikkelende vraag getuigt van een invalshoek of aanvliegroute die nieuw voor me is. Ik leer er veel van en pas mijn uitleg er voor latere leerlingen op aan. Een leraar is zelf een eeuwige leerling, en het leukst vind ik om dat te zijn tussen opgroeiende jonge mensen.
De wat grotere leerlingen die me in de examenjaren met hun vragen en enthousiasme het meeste plezier geven, kiezen andere studies. Voor hen zijn de klassieke talen (en alles wat daarbij komt kijken) een onvergetelijk deel van hun vorming, maar hun blikveld reikt elders. In mijn ogen is dat het hoogste doel dat je als docent klassieke talen kunt bereiken. De Oudheid hoeft niet iets voor elke dag te zijn, wel iets om levenslang in dankbaarheid te koesteren.
Je ontleent dus veel voldoening aan je leraarschap.
Het leraarschap opent zoveel verdere mogelijkheden. Als kind wilde ik iets met podiumkunsten doen, zowel erop alsook achter de knoppen. Uiteindelijk bleek het het mooist om jonge mensen in de fijne sfeer van een klaslokaal waardering te helpen krijgen voor de Grieken en de Romeinen.
Naast het lesgeven zijn er binnen het schoolleven veel creatieve mogelijkheden waarmee het gezamenlijke leerproces en de contacten met leerlingen en andere docenten op een hoger plan komen. Dat heeft tot uiteenlopende projecten geleid, van lesmateriaal tot muziekvideo’s, waarbij brainstormen met leerlingen centraal stond.
Hoe speelt voorbereiding op wetenschap een rol in je lesmateriaal?
Het zal je niet verbazen als ik zeg dat ik het lezen van klassieke teksten in de brontalen en vertaalvaardigheid heel belangrijk vind. Vertalen scherpt je denken, vergroot het vocabulaire van je eigen taal en leert je helder en gevarieerd te formuleren. Het produceren van lesmateriaal rondom klassieke teksten komt voort uit de wens drempels te verlagen, het analytisch denken bij jonge mensen te verfijnen en teksten onder de aandacht te brengen die niet eerder in lesboeken zijn opgenomen.
Ik geniet van het schrijven van vragen over verbanden in en buiten de teksten die we lezen en dan te zien hoe leerlingen daarvan groeien in inzicht. En als ik buiten de meestgelezen teksten iets moois en leesbaars ontdek, soms ook een net ontdekte tekst, dan lees ik dat graag met leerlingen.
En je, eh, muziekvideo’s?
Tja, het bloed kruipt. Naast werken met jonge mensen vind ik het produceren van beeld en geluid ook spannend. Ruim twintig jaar geleden kwam een eersteklasser aan het begin van de les het lokaal binnen: “Meneer, dat rijtje dat u ons gisteren hebt geleerd, daarvoor heb ik een goed klinkend ritme bedacht waardoor het beter blijft hangen.” Dat werd de basis van een videoclip over de vervoeging van het Latijnse werkwoord in de tegenwoordige tijd (-o, -s, -t, -mus, -tis, -nt). Die video werd later breed bekend onder leerlingen die in Nederland Latijn leren.
Soms plaatst iemand een commentaar dat het opnieuw bekijken geholpen heeft bij het eindexamen. Flauwekul natuurlijk, maar het laat zien dat de video een horde heeft weggenomen, en daar gaat het om.
Ruim een half jaar geleden stuurde een collega me een videootje uit Rome, waarop leerlingen in het Colosseum dansten op de muziek van de oude video. Toen dacht ik: weet je wat, mijn school bestaat binnenkort 100 jaar, laat ik eens hetzelfde doen met een paar andere belangrijke Latijnse rijtjes (de verbuiging van zelfstandige naamwoorden op -us en -a). Dat is een flink project geworden waaraan leerlingen, oud-leerlingen, collega’s en andere betrokkenen hebben bijgedragen. Het is sinds kort hier te bekijken:
In die nieuwe video heb je gebruik gemaakt van kunstmatige intelligentie (AI). Denk je dat het genereren van afbeeldingen en video’s door AI kan bijdragen aan oudheidkunde?
In mijn video wilde ik mensen die zijn afgebeeld op enkele bekende Romeinse fresco’s, mozaïeken en reliëfs tot leven laten komen en de hoofdrollen laten spelen. Bij gebrek aan een filmstudio (en acteurs!) had ik daarvoor kunstmatige intelligentie nodig. Tijdens het experimenteren heb ik onder meer beschadigde antieke kunstvoorwerpen door AI laten reconstrueren, met verbluffende resultaten.

Natuurlijk wordt computeranimatie door archeologen al decennialang gebruikt, maar met AI hoef je grafisch programmeren niet zelf te leren. Dat kan veel tijdwinst opleveren voor onderzoekers die de resultaten van hun werk visueel willen illustreren, of voor docenten die hun uitleg met een passend plaatje begrijpelijk willen maken. Toch moet je tijd investeren om er goed mee om te leren gaan, anders krijg je AI-slop en de wrevel daartegen vind ik volkomen terecht. Zoals bij elk precisie-instrument krijg je alleen goede resultaten als je het als een geoefend vakman bedient, en ook daarin heb ik nog veel te leren.
**
Alexander Smarius is verbonden aan het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Zijn videokanaal is hier en een overzicht van de rubriek “zes vragen” is daar.
Zelfde tijdvak
Zes vragen aan Fleur Kemmersseptember 28, 2026
Het Chocolademuseum van Keulenapril 27, 2026
Zes vragen aan Wil Kuijpersaugustus 7, 2026

“het analytisch denken bij jonge mensen te verfijnen”
Kijk, dat is nou wat de klassieke talen, de humaniora en de exacte wetenschappen gemeen hebben. Of horen te hebben.
Wow! Ik nomineer deze blog voor een plaats in de top 10, nu ja okay, top 20 van leukste blogs ooit op de MB. En wat boffen die kinders met hun leraar!
Geweldige bassist overigens op dat 1e clipje. maar dat terzijde.
Het raakt nogal omdat ik door eigen ondervinding (+ mensen in mijn omgeving*) heb ervaren hoe enorm de positieve impact kan zijn van zo’n (enthousiasmerende) leraar (m/v). Door de toen gloednieuwe Mammoetwet kwam ik op een gymnasium voor rijkeluiskinderen terecht en ik dank God op mijn blote knieën voor zowel die wet en als de kennismaking met enkele enthousiasmerende leraren aldaar, m.n. die van Grieks, geschiedenis en natuurkunde**. Zo plantte de 2e een nog steeds actief cookie in mijn puberbrein met de rhetorische vraag hoe wij ons het begin van de middeleeuwen voorstelden. Zou ergens in de 5e eeuw een bakkersvrouw ’s ochtends vroeg de ramen hebben geopend en in blinde paniek naar haar nog slapende man gehold zijn met “Jan, Jan, kom kijken, snel! De middeleeuwen zijn begonnen!”
Dhr Kofman was ook rector. Wanneer je te laat of de klas uitgestuurd was, had dat geen gevolgen als hij moest lachen om je smoes. En hij wist op een geweldige manier logica bij te brengen.
** Een goede vriend, helaas overleden, vertrouwde me ooit toe dat hij in de 5e (LO) als zwak begaafd/ achterlijk was gediagnosticeerd. Dank zij 1 leraar, die door had dat het bij hem thuis niet spoorde (moeder narcistisch en/of borderline), werd dat omgezet naar hoogbegaafd.
‘Achterlijkheid’ en ‘hoogbegaafdheid’ liggen dicht bij elkaar zoals liefde en haat dat zouden doen…?🤔
De * voor “Dhr Kofman was ook rector.” is weg gevallen. Sorry.
Indrukwekkende filmpjes, waarvoor felicitaties.
Mijn zoon (5de Latijn-Moderne talen) kende “Latijn is stampen” al, dus dat is een internationale hit.