
[In de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat zij nu eigenlijk doen, is het woord nu aan mijn goede vriend Richard Kroes, die archeologisch bureauonderzoek doet. Hij had zó veel interessants te vertellen over de wijze waarop momenteel in Nederland archeologie wordt bedreven, dat ik zijn antwoorden heb verdeeld over drie blogs. De eerste was hier.]
***
Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
Heel mijn werk bestaat uit hindernissen. De zorg voor het erfgoed in de bodem is gebaseerd op het principe “de veroorzaker betaalt”. Die veroorzakers zijn particulieren, bouwers, projectontwikkelaars, MKB’ers, boeren, grote bedrijven, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. Alleen die laatste twee zijn toegerust voor archeologisch onderzoek en de eerder genoemden zitten er meestal niet op te wachten. Archeologie is – zeg maar – een opgedrongen product, net als rijlessen.
Op z’n best kun je resultaten van archeologisch onderzoek dat je sowieso moet laten uitvoeren gebruiken als input voor je project, om dat zo een eigen identiteit en “gezicht” te geven. Zulke veroorzakers zijn zeldzaam, maar ze zijn er wel. Op z’n slechtst is archeologie echter een kostenpost en de oorzaak van vertragingen. Verreweg de meeste projecten zitten ergens daar tussenin. De meeste veroorzakers weten dat ze vertragingen voorkomen door er op tijd bij te zijn.
Onze opdrachtgevers kijken dus kritisch naar ons werk – ze betalen er immers voor – maar zijn voor de inhoud volledig afhankelijk van ons, de adviseurs. Het gebeurt dan ook weleens dat ze een tweede adviseur inhuren voor een second opinion. Dat lijkt een beetje op de medisch specialist, waar je als patiënt wel kritische vragen aan kunt stellen, maar waar je meestal toch een antwoord op terugkrijgt dat alleen voor medici echt begrijpelijk is. Net als medisch specialisten proberen we dus in het contact met onze klanten “door de knieën te gaan” en ons vak begrijpelijk te maken. Dat is niet altijd makkelijk, zeker niet als je klant een onverwachte kostenpost ziet. Dat komt nogal eens voor.
Dan zijn er de overheden die de voor onze klanten belangrijke bouwvergunningen verlenen, meestal gemeenten. Dat zijn de instanties die ons werk op kwaliteit en deugdelijkheid moeten controleren en dat wordt vaak gedaan door gemeentelijke of ingehuurde archeologen. Nu ben ik nog nooit twee archeologen tegengekomen die het roerend met elkaar eens zijn – en dat maakt ons vak natuurlijk ook leuk – maar net als in geloofsgemeenschappen is er in de archeologie sprake van rekkelijken en preciezen. Er zijn rekkelijke archeologen die vinden dat ze niet werken voor het bodemarchief, maar om klanten te helpen aan een bouwvergunning, en er zijn precieze archeologen voor wie elke scherf heilig is.
De meeste archeologen zitten ergens daartussenin en vrijwel iedereen is het er – in ieder geval in theorie – over eens dat er in de praktijk keuzes moeten worden gemaakt: is die vindplaats echt zo zeldzaam, zo belangrijk, zo gaaf dat we deze veroorzaker daar nog eens drie ton voor laten bloeden? Zijn de aangetroffen aanwijzingen voor een vindplaats wel overtuigend? Het zal niet verbazen dat wij doorgaans aan de meer rekkelijke kant van het spectrum zitten dan de vergunningverlenende overheid.
Heel soms is het andersom trouwens. Dat kan tot pittige discussie leiden maar ook tot détournement de pouvoir. Zo heb ik ooit een opdrachtgever gehad die met zijn bouwplannen keurig binnen de oppervlakte bleef die hij mocht verstoren zonder archeologisch onderzoek, maar daartoe desondanks werd verplicht omdat de hoogte van de dakgoot het maximum enkele centimeters overschreed. En er zijn projectontwikkelaars die via onderhandelingen met de gemeente komen tot “compromissen” over hun vergunningen, want gemeenten en projectontwikkelaars hebben elkaar nodig.
Ten slotte is er nog het kwaliteitssysteem. Omdat de archeologie dankzij het Verdrag van Valletta ineens kwam te functioneren binnen de ruimtelijke ordening – in plaats van alleen en veilig binnen de universiteit, bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek en bij een paar gemeentelijke archeologen – en er meer mensen dan alleen oudheidkundigen mee in aanraking kwamen, vond men het belangrijk om het archeologisch werk transparanter te maken. Ook buitenstaanders moesten zicht hebben op hoe archeologisch werk goed moest worden uitgevoerd. Daarnaast was het belangrijk dat in een markt met beconcurrerende archeologische bedrijven een gelijk speelveld zou bestaan, zodat de kwaliteit van het werk niet onder de concurrentie zou gaan lijden.
Dat leverde de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie op, waaraan het werk van archeologische bedrijven moet voldoen. Nu is het enorm lastig – en bovendien tegenover de professional nogal neerbuigend – om in zo’n systeem allerlei inhoudelijke eisen te stellen. De KNA bestaat daardoor vooral uit proceseisen en eisen aan wie, met welke opleiding en ervaring, welke stappen mag zetten uit dat proces. Daaruit kwam een register voort waarin archeologen hun “actorschap” konden laten vastleggen, zeg maar: de status die zij hebben binnen de kwaliteitsnorm.
Uit die status vloeien weer bevoegdheden voort. Om die handen en voeten te geven zijn een paar jaren geleden de audits ingevoerd. Bedrijven stellen een eigen kwaliteitssysteem op om de KNA intern uitvoering te geven, en auditors controleren periodiek en steekproefsgewijs de onderzoeken die sinds de laatste audit zijn uitgevoerd. Bedrijven die te vaak niet slagen voor zo’n audit, kunnen hun vergunning verliezen. Audits zijn een feest van formaliteiten: er wordt nauwgezet bij elk stapje uit het proces gecontroleerd of het is uitgevoerd en door wie. De inhoud doet er daarbij niet toe. Het lijkt nog het meest op de marginale toetsing bij de rechter: is het protocol doorlopen en waar is alles vastgelegd? Bij mijn eerste kennismaking met een externe auditor moest ik aantonen dat er geen vondsten waren gedaan tijdens een onderzoek dat niet was uitgevoerd.
[Dit stuk wordt over een half uur vervolgd. Richard Kroes werkt bij RAAP Archeologie. Zijn eigen blog vindt u hier en een overzicht van de rubriek “zes vragen” is daar.]
Zelfde tijdvak
Perzen, Grieken en pseudohistorici (slot)mei 15, 2021
Alles van waarde is kwetsbaar (3)april 3, 2018
De Artemidorospapyrus (3)februari 26, 2020

(linksonder)
LOL
https://www.deadlinenews.co.uk/2016/12/14/wikepedia-edit-goes-viral-explaining-whos-man-whos-penguin/
Ja, een treffende beschrijving van het werk van de archeoloog op kantoor. Een paar gedachten van een collega archeoloog:
“De KNA bestaat daardoor vooral uit proceseisen…” Inderdaad. Daarom is de term ‘kwaliteitsnorm’ ook wat bevreemdend, tenzij het uitsluitend gaat om ‘proceskwaliteit’. Men kan een zakje O2 in het veld bergen, uiterst correct vervoeren, beschrijven en deselecteren. Volledig niets aan de hand, men heeft alleen volstrekt nutteloos werk gedaan.
Het stukje daadwerkelijke ‘inhoudelijke kwaliteit’ slaat dan vooral op de ‘kwaliteit’ van de archeoloog, en welke kennis en informatie die tot zijn/haar beschikking heeft, dat uiteindelijk leidt tot een ‘informatiekwaliteit’ in het afsluitende rapport.
Daar doet de KNA dus weinig uitspraken over en misschien terecht zegt Kroes dan ook (mbt inhoudelijke eisen): “bovendien tegenover de professional nogal neerbuigend”. Terecht omdat het vastleggen van kwaliteit in ’trage’ regels averechts en autoritair kan werken. Het corpus van kennis is immers altijd in beweging. Maar er is wel een probleem. Kennis gedijdt vooral in een open systeem (zoals idealiter een universiteit) waar debat mogelijk is. In een overvraagd bestel waar de methode en het proces strak vastliggen komt veel verantwoordelijkheid voor kwaliteit dus bij individuen terecht. Daar kritisch op zijn is m.i. niet neerbuigend maar rationeel en misschien noodzakelijk.