Venusval

De Venus van Milo (Louvre, Parijs)

Edgar Allan Poe bedacht de detectiveroman, Dan Brown verzon de thriller met de pseudo-onthulling en Ruurd Halbertsma is (voor zover mijn belezenheid reikt) de ontwerper van een vooralsnog naamloos genre op de grens van thriller en historische roman. Halbertsma combineert in zijn romans de avonturen van de eenentwintigste-eeuwer Tjalling Kingma in de wereld van illegale oudheden en politieke intrige, met de wederwaardigheden van vrijwel vergeten geleerden uit de vroege negentiende eeuw in hun wereld van illegale oudheden en politieke intrige. En waar de hedendaagse gebeurtenissen pure fantasie zijn, zijn de beschrijvingen van het leven van een Jean-Emile Humbert, van een Caspar Reuvens en van een Bernard Rottiers feitelijk correct. Ik ken geen andere boeken die verleden feiten en hedendaagse fictie zo combineren, maar ik heb vanzelfsprekend niet alles gelezen.

Ik schreef dat de hedendaagse gebeurtenissen pure fantasie zijn, maar dat is niet helemaal waar. In Venusval besluit Frankrijk de Venus van Milo terug te geven aan Griekenland, zoals het land werkelijk deed met de Benin-bronzen. We lezen over een premier in Groot-Brittannië die een sterke gelijkenis vertoont met Boris Johnson. De directrice van het museum in Paestum maakt een compliment aan het Rijksmuseum van Oudheden voor het organiseren van een expositie over Paestum. En laatstgenoemd museum wordt in Venusval in opspraak gebracht door activisten – in de roman Turken, in werkelijkheid Egyptenaren – die een voorspelbaar nationalistisch relletje voorspelbaar opstoken.

Lees verder “Venusval”

De deurklopper van Reuvens

De deurklopper van Reuvens

In 1818 werd Caspar Reuvens benoemd tot bijzonder hoogleraar Archeologie aan de Universiteit Leiden. De nieuwe leerstoel werd door de minister A.R. Falck omschreven als De kennis der oudheid, opgehelderd uit de overgeblevene gedenkstukken. De meest aangewezen plek voor deze leerstoel was Leiden, alwaar voor dit vak de meeste hulpmiddelen voorhanden zijn. Deze laatste zin verwees naar de circa 150 klassieke oudheden uit het legaat Papenbroek, die sinds 1745 in de orangerie van de Hortus Botanicus stonden opgesteld.

In de ogen van de jonge hoogleraar was deze collectie een aardig begin, maar nog lang niet genoeg om het predicaat ’s Rijks Museum waardig te zijn. En dat was zijn streven. In zijn oratie De Laudibus Archaeologiae (‘Over de lof der archeologie’) schetste hij een museum, dat de klassieke wereld tot uitgangspunt had, maar waarin ook de materiële culturen te zien waren, waarmee de Grieken en Romeinen in aanraking waren gekomen óf die door hen beïnvloed waren. En dus was er plaats voor Egyptische en Perzische oudheden, Keltische en Germaanse objecten en zelfs boeddhistische en hindoeïstische beelden uit India en Nederlands-Indië. Dit systeem sloot de archeologie van Noord- en Zuid-Amerika uit; die zou later in de negentiende eeuw aan bod komen, onder invloed van gewijzigde inzichten omtrent culturele beïnvloeding.

Lees verder “De deurklopper van Reuvens”