De deurklopper van Reuvens

De deurklopper van Reuvens

In 1818 werd Caspar Reuvens benoemd tot bijzonder hoogleraar Archeologie aan de Universiteit Leiden. De nieuwe leerstoel werd door de minister A.R. Falck omschreven als De kennis der oudheid, opgehelderd uit de overgeblevene gedenkstukken. De meest aangewezen plek voor deze leerstoel was Leiden, alwaar voor dit vak de meeste hulpmiddelen voorhanden zijn. Deze laatste zin verwees naar de circa 150 klassieke oudheden uit het legaat Papenbroek, die sinds 1745 in de orangerie van de Hortus Botanicus stonden opgesteld.

In de ogen van de jonge hoogleraar was deze collectie een aardig begin, maar nog lang niet genoeg om het predicaat ’s Rijks Museum waardig te zijn. En dat was zijn streven. In zijn oratie De Laudibus Archaeologiae (‘Over de lof der archeologie’) schetste hij een museum, dat de klassieke wereld tot uitgangspunt had, maar waarin ook de materiële culturen te zien waren, waarmee de Grieken en Romeinen in aanraking waren gekomen óf die door hen beïnvloed waren. En dus was er plaats voor Egyptische en Perzische oudheden, Keltische en Germaanse objecten en zelfs boeddhistische en hindoeïstische beelden uit India en Nederlands-Indië. Dit systeem sloot de archeologie van Noord- en Zuid-Amerika uit; die zou later in de negentiende eeuw aan bod komen, onder invloed van gewijzigde inzichten omtrent culturele beïnvloeding.

Een van doelstellingen van de archeologie was in Reuvens’ visie het verbeteren van de contemporaine beeldende kunsten. Artiesten en architecten konden door zijn onderwijs kennis maken met de ideale verhoudingen, die terug te vinden waren in de klassieke beeldhouwkunst en architectuur. Hij vroeg toestemming aan Curatoren om zijn colleges in het Nederlands in plaats van het Latijn te mogen geven, om kunstenaars ook bij zijn lessen te kunnen betrekken.

Bij zijn aanstelling tot gewoon hoogleraar (in 1826) hield hij een rede met als titel: Oratio de Archaeologiae cum Artibus Recentioribus Conjunctione (‘Oratie over de band tussen de archeologie en de modernere kunsten’). Hij oordeelde scherp over de kwaliteit van de architectuur in de Nederlanden, zeker in vergelijking met Frankrijk. Zelfs de zogenaamde Gouden Eeuw kon in zijn kritische blik geen genade vinden. Baksteen, het belangrijkste bouwmateriaal, was armoedig in vergelijking met de rijkdom aan natuursteen in andere landen; veel gebouwen en sculpturen waren tijdens de beeldenstorm en de oorlog met Spanje beschadigd of verloren gegaan; het protestantisme had een voorkeur voor een strenge en sobere uitstraling van gebouwen, zodat er geen effect van ‘grandeur’ te beleven viel. Kortom, in tegenstelling tot de bloei die de schilderkunst in de zeventiende eeuw had meegemaakt, was het met de architectuur pover gesteld. Hij zou daar met zijn lessen verandering in kunnen brengen:

Zij [= de studenten, RH] zullen zich voor altijd de schoonheid van de Griekse en Romeinse voorbeelden herinneren. Er is geen subliemer kunstvorm dan de architectuur. Zij is altijd om ons heen en verheft zich boven onze hoofden. Er is geen kunst die de vooruitgang van de beschaving beter illustreert. Zij is niet verborgen in musea, ver weg van onze waarneming. Er is geen kunst met meer effect op mensen, in alle omstandigheden, op alle momenten van de dag. Maar… er is ook geen kunstvorm die duurder is dan zij.

En daarmee raakte hij een ander probleem in de Lage Landen: de zuinigheid en spaarzaamheid waarmee in de republiek publieke werken ter hand werden genomen. En zo was er geen grandeur voorhanden in het Nederland van de vorige eeuwen, behalve in de interieurs met de rijke meubels en kleurrijke schilderijen.

Reuvens bracht waar hij kon zijn idealen in de praktijk. Een curieus voorbeeld is te vinden aan de voordeur van zijn woonhuis aan de Breestraat nummer 27. De deurklopper is bewerkt in de vorm van een panterkop, met een ring in de bek van het roofdier. In de periode dat Reuvens dit pand betrok, was hij er net in geslaagd om een verzameling Grieks beeldhouwwerk aan te kopen van de Vlaamse kolonel Bernard Rottiers. Deze kolonel had de stukken in 1819 deels opgegraven, deels gekocht in de omgeving van Athene. Het was de eerste grote aankoop van Reuvens, waarmee een stap in de richting van een Rijksmuseum van Oudheden werd gezet. De collectie omvatte een aantal grote sculpturen uit de vierde eeuw voor Christus, waaronder het grafreliëf van Archestratè uit Sounion, maar ook kleine fragmenten, zoals een marmeren kopje van een panter (inventaris nummer RO I A 19), dat Rottiers verworven zou hebben in de omgeving van Corinthe.

Panterkopje uit Corinthe

Wanneer we Reuvens’ deurklopper vergelijken met het marmeren panterkopje, dan zijn de overeenkomsten frappant. Trouw aan zijn overtuiging dat de archeologie de contemporaine toegepaste kunst fraaier kon maken, heeft de hoogleraar het kopje als voorbeeld in handen gegeven van een houtsnijder om het vervolgens als deurklopper te gebruiken. Over de oorspronkelijke functie van het marmeren fragment lopen de meningen uiteen. Mijn voorgangers in het museum, Hendrik Brunsting en Frédéric Bastet, zagen er een fragment van een kapiteel in. Mij lijkt het eerder een onderdeel van een trapezophoros, een bewerkt zuiltje, dat als console dient voor een marmeren tafelblad. Er zijn meerdere roofdieren als ‘tafeldragers’ bekend en voor dierenkopjes in kapitelen moeten we eerder naar de Byzantijnse periode kijken.

Om verder te lezen:

[Een gastbijdrage van Ruurd Halbertsma. Dank je wel Ruurd!]

Deel dit:

Een gedachte over “De deurklopper van Reuvens

Reacties zijn gesloten.