De vele namen van Belgrado (3)

Het standbeeld van Karadjordje bij de Tempel van de Heilige Sava.

[Derde van de vier blogjes die Tim Frangias wijdde aan Belgrado. Het eerste was hier.]

Vuur en gramschap

Trots staat de Belgrade Victor op de Griekse zuil bij het Kalemegdan-fort, zoals aan de andere kant van de stad een beeld van de Servische leider Karadjordje heroïsch staat voor de Tempel van de Heilige Sava. Zoals ik eerder schreef is de stad met Griekenland verbonden door de lange schaduw van de oudheid. Het op de Griekse zuil staande beeld van Belgrade Victor herdenkt de Eerste Balkanoorlog (1912-1913), waarin de noordgrens van Griekenland verschoof tot voorbij Thessaloniki, terwijl een sterk Servië ontstond, gelegen tussen Oostenrijk-Hongarije en Griekenland. Deze gevechten versterkten de band tussen de twee orthodoxe landen.

Lees verder “De vele namen van Belgrado (3)”

Emir Abd el-Kader

L’émir Abd-el-Kader, protégeant les chrétiens à Damas en 1860 (Jan-Baptist Huysmans)

In mijn boek over Libanon – inmiddels herdrukt – behandel ik ook de crisis rond het jaar 1860, toen de maronieten en druzen tegen elkaar ten strijde trokken. Diverse partijen raakten betrokken, waaronder soldaten uit het Ottomaanse leger, die partij kozen voor de druzen en op diverse plaatsen christenen doodden. In Damascus vielen 12.000 doden, waaronder de Nederlandse consul en de Massabki-broers, die door de maronieten tot op de huidige dag worden vereerd. De sultan greep bliksemsnel in en zond een generaal, die de rebelse soldaten standrechtelijk liet executeren en de druzische leiders veroordeelde tot de galg. Evengoed intervenieerde een Frans leger, dat feitelijk dus weinig te doen had.

Terwijl ik deze trieste gebeurtenis beschreef, stuitte ik op een emir Abd el-Kader, die in Damascus de vervolgde christenen had opgenomen in zijn paleis en had beschermd. Die naam kende ik, maar uit een heel andere context. In 2019 was ik in Sétif in Algerije, waar een Jardin d’ Emir Abd el-Kader was, die tjokvol Latijnse inscripties stond, die ik destijds fotografeerde en – tot mijn eigen verbazing – resulteerden in mijn eerste, enige en welbeschouwd hilarische wetenschappelijke publicatie. Ik vroeg me af of het ging om dezelfde man. De naam, “dienaar van de almachtige”, is niet zeldzaam, maar de Arabische rang van emir is dat in een Ottomaanse context wel, en de man uit Sétif en de man uit Damascus leefden allebei rond 1860. Hij was inderdaad dezelfde.

Lees verder “Emir Abd el-Kader”

Algiers 1830

Ik heb eerder geschreven over de Barbarijse Staten en verteld dat hun reputatie als piraten eigenlijk onverdiend was. Ze deden wél aan kaapvaart, dus het in oorlogstijd beroven van vijandelijke koopvaardijschepen. Dat was lange tijd volkomen normaal; in een ander blogje schreef ik over de joodse kapers die tijdens de Spaanse Successieoorlog namens de Staten-Generaal de Caraïbische wateren onveilig maakten voor Spaanse schepen. Kaapvaart begon als er oorlog uitbrak, was gereguleerd met kapersbrieven en hield op zo gauw er een vredesverdrag was – en zo simpel was het.

Voor de Barbarijse leiders – de Ottomaanse pasja van Tripoli, de Ottomaanse bey van Tunis en de Ottomaanse dey van Algiers – was kaapvaart een verdienmodel, mogelijk doordat er altijd wel ergens een Europese oorlog was waarin men partij kon kiezen. Men beroofde schepen en zette de bemanning in als slaven, net zo lang tot die werden vrijgekocht. Een en ander paste bij het islamitische ideaal dat het geloof moest worden verspreid, maar deze religieuze motivatie was allang ondergeschikt aan de commerciële. Kaapvaart was voor de Barbarijse Staten overigens niet de belangrijkste economische activiteit. Soms leed men er zelfs verlies op, want goedkoop waren de kaapschepen niet, en handel was altijd profijtelijker. Algiers, met de agrarische rijkdom van de Hautes Plaines, leverde bijvoorbeeld graan aan Frankrijk, zodat de twee landen elkaar al in de achttiende eeuw goed kenden.

Lees verder “Algiers 1830”

Heldenstrijd om de polen

Een vriendin woonde lange tijd in de Franklinstraat in Amsterdam-West. Steeds als ik het straatnaambordje zag, moest ik denken aan John Franklins zoektocht naar de Noordwestelijke Doorvaart. Ooit hadden West-Europeanen gedacht dat Oost-Azië eenvoudig te bereiken was door noordelijk om Canada of Rusland te varen, maar het was al snel duidelijk geworden dat daar te veel ijs lag. De poolkap zou moeten smelten om de route economisch rendabel te krijgen. Desondanks vertrok Franklin in 1845. Er werd nooit meer van hem vernomen.

Op zoek naar Franklin

Nieuwe expedities volgden, niet om alsnog te leren hoe je snel naar Japan of China kon varen, maar om te ontdekken wat Franklins lot was geweest. Op een zeker moment waren elf Britse en twee Amerikaanse schepen actief, plus twee expedities die zochten vanaf het land. Ondanks deze inzet ontstond pas in 1854 duidelijkheid toen Inuit vertelden dat een groep zeelieden het Canadese vasteland had bereikt en zuidwaarts was getrokken, hongerend en uiteindelijk terugvallend op kannibalisme. Dat het werkelijk ging om leden van de Franklinexpeditie, werd bewezen toen de speurders een stuk hout aantroffen waarop “Erebus” stond, de naam van een van Franklins schepen.

Lees verder “Heldenstrijd om de polen”

Algiers 1808

Boutins landkaart van Algiers (noord is rechts)

Begin 1808 stond Napoleon op het hoogtepunt van zijn macht. Hij had de Rijnbond gesticht, hij had bij Jena het onoverwinnelijk geachte Pruisen verslagen, hij had goede hoop met het Continentaal Stelsel de Engelsen eindelijk op de knieën te drukken, hij had met Rusland het vredesverdrag van Tilsit gesloten. Tijd dus om op weg te gaan naar nieuwe veroveringen.

Napoleon liet zijn oog vallen op de Barbarijse Staten, zeg maar het huidige Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. Ik blogde er al eens over. Het doel was om de Middellandse Zee tot een Franse binnenzee te maken. Bijkomend voordeel was dat hij zich kon presenteren als bestrijder van de Barbarijse kapers, die christelijke zeelieden gevangen namen en tegen hoge losgelden weer vrij lieten. In april 1808 vroeg Napoleon zijn minister van Marine of er een haven aan de Algerijnse kust was waar een eskader veilig beschermd zou kunnen landen zonder gevaar te lopen te worden aangevallen door een overmacht van vijandelijke schepen. Verder wilde de keizer weten in welk seizoen ziektes het minst te vrezen waren en welk het klimaat het geschiktst was.

Lees verder “Algiers 1808”

Filumena

De ontdekking van het graf van Filumena

Ergens in de Catacombe van Priscilla – de exacte vindplaats is onbekend – werd in Rome in 1802 een eenvoudig wandgraf gevonden. De nis was afgedekt met drie kleine platen van gebakken klei, die, zoals gebruikelijk, vastgezet waren met een dikke cementrand. In die rand zat een glazen flesje vastgedrukt, met op de bodem nog een residu van de oorspronkelijk vloeistof. Op de terracottaplaten stond met rode verf een korte tekst geschilderd. Gerangschikt in de juiste volgorde kan men lezen:

PAX TECVM FILVMENA

Vrede (zij) met jou, Filumena.noot ICUR VIII 23243; EDB 35077; O. Marucchi, Epigrafia Cristiana 1910 p. 74 en Tav. VI.

Lees verder “Filumena”

De deurklopper van Reuvens

De deurklopper van Reuvens

In 1818 werd Caspar Reuvens benoemd tot bijzonder hoogleraar Archeologie aan de Universiteit Leiden. De nieuwe leerstoel werd door de minister A.R. Falck omschreven als De kennis der oudheid, opgehelderd uit de overgeblevene gedenkstukken. De meest aangewezen plek voor deze leerstoel was Leiden, alwaar voor dit vak de meeste hulpmiddelen voorhanden zijn. Deze laatste zin verwees naar de circa 150 klassieke oudheden uit het legaat Papenbroek, die sinds 1745 in de orangerie van de Hortus Botanicus stonden opgesteld.

In de ogen van de jonge hoogleraar was deze collectie een aardig begin, maar nog lang niet genoeg om het predicaat ’s Rijks Museum waardig te zijn. En dat was zijn streven. In zijn oratie De Laudibus Archaeologiae (‘Over de lof der archeologie’) schetste hij een museum, dat de klassieke wereld tot uitgangspunt had, maar waarin ook de materiële culturen te zien waren, waarmee de Grieken en Romeinen in aanraking waren gekomen óf die door hen beïnvloed waren. En dus was er plaats voor Egyptische en Perzische oudheden, Keltische en Germaanse objecten en zelfs boeddhistische en hindoeïstische beelden uit India en Nederlands-Indië. Dit systeem sloot de archeologie van Noord- en Zuid-Amerika uit; die zou later in de negentiende eeuw aan bod komen, onder invloed van gewijzigde inzichten omtrent culturele beïnvloeding.

Lees verder “De deurklopper van Reuvens”

Het Humboldtmuseum of de uitvinding van de timocratie (2)

Het beeld van Spes in het huis van Wilhelm von Humboldt in Tegel, Bertel Thorvaldsen, ca. 1817

[Dit is het laatste van twee blogjes over het kasteel Tegel van Wilhelm von Humboldt. Het eerste was hier.]

Net als een klassieke tempel is het kasteel van  Wilhelm von Humboldt kasteel bedoeld als een plaats van transformatie, waarbij het werkelijke een symbool wordt van het hogere. Daarbij is er geen verschil tussen zijn kunstfilosofie en zijn Bildungsfilosofie. “Zichzelf zo tot een symbool van het universum te herscheppen, dat zou de hoogste opgave van de mensheid zijn”: het is een gedachte die “sinds langere tijd mijn lievelingsidee is en voor mij de sleutel van al wat bestaat”.

Het ging Humboldt om de

betrokkenheid op een bovenaardse wereld, die elk naar de aard van zijn geest op een zinnelijke of meer vergeestelijkte wijze, letterlijk of symbolisch kon beschouwen.

Lees verder “Het Humboldtmuseum of de uitvinding van de timocratie (2)”

Het Humboldtmuseum of de uitvinding van de timocratie (1)

Tegel, het kasteel van Wilhelm van Humboldt, litho door Alexander Duncker

Tussen 1820 en 1824 liet Wilhelm von Humboldt zijn familieslot in Tegel verbouwen tot een klassieke tempel en het eerste oudheidkundige museum. Je kunt zowel met stenen als met woorden bouwen, schreef hij in een sonnet, en meer nog dan zijn teksten illustreert het gebouw zijn ideaal van klassieke Bildung (“zelfvorming”, maar ook “hogere cultuur”).

De verantwoordelijke architect was Karl Friedrich Schinkel (1781-1841), bekend van imposante Berlijnse gebouwen met lange rijen zuilen: de Neue Wache op Unter den Linden (1818), het Schauspielhaus (1819-1821) en het Altes Museum (1825-1830). Schinkel was bezig om de hele stad te veranderen in een “Athene aan de Spree” en was de aangewezen man om ook Humboldts huis een classicistische makeover te geven.

Lees verder “Het Humboldtmuseum of de uitvinding van de timocratie (1)”

Eillert Meeter, een negentiende-eeuwse roddelaar

Nee: hij was bepaald geen fan van het Nederlandse koningshuis. Eillert Meeter (geboren op 1 maart 1818 in Oude Pekela) werd zich al op jonge leeftijd bewust van zijn republikeinse gevoelens. Ook zou je hem gerust een communist avant la lettre mogen noemen: al op tweeëntwintigjarige leeftijd begon hij met het publiceren van een blad, de Tolk der Vrijheid, waarin hij opkwam voor het tragische lot van dagloners, arbeiders en kleine boeren.

Groningen

In datzelfde jaar bezocht Meeter de Groninger Meikermis, en samen met zijn kompanen hieven ze, gezeten in de wafelkraam van “Dove Saar”, de glazen op “Zijne Verheven Nulliteit Willen Kaaskop”, oftewel koning Willem I. In totaal werden er na dit incident zesentwintig mensen gevangengenomen, maar in augustus volgde vrijlating, omdat niet bewezen kon worden dat deze uitgelaten bende zich schuldig had gemaakt aan revolutionaire samenspanning.

Lees verder “Eillert Meeter, een negentiende-eeuwse roddelaar”