Antieke tandheelkunde

Fenicische tandprothese (Archaeological Museum of the American University, Beiroet)

Tandklachten zijn, behalve vervelend, van alle tijden, en daarom zijn er ook al heel erg lang specialisten. Ik meen dat er in de Oudheid al vullingen waren, al kan ik me niet herinneren hoe ik dat weet. Wat ik wel zeker weet, is dat u hierboven een Fenicische tandprothese ziet, in Sidon gevonden in het graf van een man die leefde in de vijfde eeuw v.Chr.

De zes voortanden zijn met gouddraad verbonden, en dat bleek nodig ook. Uit röntgenfoto’s blijkt namelijk dat de man leed aan parodontitis, wat wil zeggen dat hij leed aan een vergevorderde vorm van tandvleesontsteking, zó ernstig dat het kaakbot werd aangetast en de tanden los kwamen zitten. Het gouddraad stabiliseerde de voortanden, zodat hij ze kon blijven gebruiken en beschikte over een letterlijk schitterende lach.

Lees verder “Antieke tandheelkunde”

De Slavische volken (4) Oorzaken

Onscherpe foto van een Slavische mantelspeld (Militair Museum, Belgrado)

[Dit is het vierde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

Een oorzaak?

Als ik de vorige drie blogjes mag samenvatten:

  • rond 550 woonden de Slavischsprekenden van de Elbe in het noordwesten tot over de Dnjepr in het zuidoosten,
  • met de Avaarse migratie trok de groep die aan de Zwarte Zee woonde, langs de Donau naar het westen

Lees verder “De Slavische volken (4) Oorzaken”

De Slavische volken (3) Archeologie

Archeologische culturen rond 600 na Chr. (met dank aan Kees Huijser)

[Dit is het derde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

In het eerste van deze vier blogjes gaf ik aan dat het Proto-Slavisch tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. gesproken lijkt te zijn geweest rond de Pripjatmoerassen, en in het vorige blogje sprong ik naar de zesde eeuw na Chr., toen Byzantijnse auteurs Slavischsprekende groepen aanwezen in een regio die zich vanaf de Weichsel naar het zuidoosten uitstrekte tot aan de Dnjepr. Over de tussenliggende periode weten we feitelijk niets, want ook al heb ik het in dit blogje over de archeologie: archeologen graven geen taal op. Ze kunnen wel beargumenteerd speculeren.

Ik vind het echter ingewikkelde materie, uiteraard ook omdat een archeologische cultuur hoogst zelden precies met één taalgroep correspondeert. Ik noemde in het eerste blogje het verschijnsel van de superfederatie: een groep stammen met uiteenlopende achtergronden, die tijdelijk samenclustert onder een charismatische leider, en na diens overlijden weer uit elkaar valt. In zo’n superfederatie nemen mensen van alles over van iedereen, zodat eventueel bestaande correspondenties tussen taal en archeologie wegvallen. Maar speculeren staat vrij en ik denk dat ik het – voor zover ik er überhaupt iets van begrijp – het beste kan uitleggen als we in de tijd van Jordanes beginnen.

Lees verder “De Slavische volken (3) Archeologie”

De Slavische volken (1) Inleiding

Een ram uit Jordanów in zuidelijk Polen, de regio waar rond 2000 v.Chr. het allervroegste Proto-Slavisch werd gesproken (Archeologisch museum, Wroclaw)

Waar komen de sprekers van de Slavische talen, zoals Russisch en Pools en Bulgaars, vandaan? Als u dacht dat de vraag naar de herkomst van de Germaanssprekenden lastig te beantwoorden was, met bronnen vol tegenstrijdige aanwijzingen, dan zijn de Slavischsprekenden een nachtmerrie, want bij deze vraag zijn er zelfs geen geschreven bronnen. Het enige dat we weten, is dat ze een Indo-Europese taal spraken, dat ze in de Oudheid ergens verbleven in oostelijk Europa, dat Byzantijnse auteurs in de zesde eeuw volksverhuizingen vermeldden en dat er in de Middeleeuwen koninkrijken ontstonden waarin Slavische talen werden gesproken en geschreven. Dat laat veel aan duidelijkheid te wensen over, maar laat onverlet dat er hypothesen mogelijk zijn en dat we kunnen aangeven welke waarschijnlijker zijn en welke minder waarschijnlijk.

Soorten samenleving

Maar eerst even dit: voordat er Slavische koninkrijken waren, leefden de Slavischsprekenden – wie dat ook waren – in stamverbanden, superfederaties en vroege staten. Dit zijn problematische categorieën, maar aangezien dit een blog is en niet de Jagiellonische Universiteit in Krakau, beperk ik me tot losse definities.

Lees verder “De Slavische volken (1) Inleiding”

Germaanse moerasoffers

Verguld zilveren schijf uit het Thorsberger Moor

Conrad Engelhardt was een Deen en een archeoloog, in die volgorde. In 1851 werd hij directeur van een archeologisch museum, waarvan de collectie tegenwoordig is te zien in kasteel Gottorf in Schleswig. Of beter: niet is te zien, maar daarover zo meteen. Als opgraver onderzocht Engelhardt in 1859 het Thorsberger Moor, en daarna het Nydam Moor, waar hij tot 1863 actief was en onder andere het Nydamschip vond, dat dateert uit de vierde eeuw. Niemand ontkende het enorme belang van deze vondsten: allerlei metalen voorwerpen, bijna allemaal met een militair karakter, lagen daar in de moerassen.

In 1864 liet Otto von Bismarck de Sleeswijk-Holsteinse kwestie escaleren en brak de Duits-Deense Oorlog uit. Denemarken verloor Sleeswijk-Holstein en de archeologische vondsten belandden in Kiel. De nieuwe machthebbers in de regio boden Engelhardt daar een betrekking aan, maar hij voelde zich, zoals gezegd, meer Deen dan archeoloog, en vertrok liever naar Kopenhagen. Een deel van de vondsten nam hij mee, zodat die zich decennia lang bevonden in twee musea in twee steden in twee landen. Pas toen de collecties vanaf 2000 gezamenlijk konden worden bestudeerd, bleek wat een rijkdom aan informatie Engelhardt had aangeboord en hoe goed zijn interpretaties en documentatie waren geweest.

Lees verder “Germaanse moerasoffers”

Een bezoek aan Kalkriese

Recent opgegraven goudstuk uit Kalkriese

Als een archeoloog een IJzertijdboerderij of een Griekse tempel opgraaft, weet ’ie vrij zeker dat hij een boerderij of een tempel opgraaft. Er zijn namelijk honderden IJzertijdboerderijen en Griekse tempels bekend. Zoiets is onmogelijk met de vondsten in Kalkriese. Oudheidkundigen kennen niets dat erop lijkt: een veld vol militaire voorwerpen, gelegen tussen een moeras in het noorden en een heuvel in het zuiden. Aan de voet van die heuvel een wal. De militaire voorwerpen documenteren infanterie, cavalerie, slingeraars, burgerpersoneel en vrouwen. Verder dode dieren. Munten, waaronder goudstukken, zoveel goudstukken dat het gebied zelfs Goldacker heeft geheten. De huidige naam is Oberesch of ook wel Kalkriese. Maar wat is het? Bij gebrek aan parallel is het giswerk.

Dat het gaat om een Romeins leger dat hier in de problemen raakte, geldt als bewezen; dat dit gebeurde in het eerste kwart van de eerste eeuw, staat niet ter discussie; dat Germanen de vijanden waren, is alleen maar logisch. Maar wat gebeurde er nu precies? Vrijwel iedereen houdt het op een gevecht tijdens de slag in het Teutoburgerwoud, al is niet uitgesloten dat het om een later gevecht gaat, uit de tijd van Germanicus’ wraakacties in 14-16 na Chr.

Lees verder “Een bezoek aan Kalkriese”

Op weg naar Kalkriese

Een kunstwerk dat de Slag in het Teutoburgerwoud verbeeldt (Osnabrück)

Het regent en het is augustus, en ik wilde vandaag fietsen van Osnabrück (waar ik dit schrijf) naar Kalkriese (zeg maar de plek van de slag in het Teutoburgerwoud). Daar wilde ik de tijdelijke expositie van de voorwerpen uit Nydam en het Thorsberger Moor bezoeken, waarover ik nog verslag aan u zal doen. Maar ik wilde ook kijken wat er op dit moment wordt verteld over het lopende archeologische onderzoek in Kalkriese, want er zijn nogal wat verrassende resultaten.

Nieuwe archeologische vondsten

Concreet zijn daar eind jaren tachtig allerlei militaria gevonden, die vrijwel zeker behoren bij de Romeinse nederlaag. Op een smal stuk land tussen een heuvel in het zuiden en een moeras in het noorden, lijkt een Romeins leger, waaronder het eerste cohort van een legioen (de stafeenheid) in moeilijkheden te zijn geraakt. Er waren ook vrouwen en andere burgers aanwezig. Ten zuiden van dit smalle stuk land is een aarden wal gevonden waarvandaan – zo luidde de eerste interpretatie – Germaanse krijgers de Romeinen bestookten. Heel suggestief was de verspreiding van de vondsten: in de vorm van een >-. Dat duidde op een leger, komend uit het oosten en op weg naar het westen, dat in de linkerflank werd aangevallen en uiteenviel. Eén deel trok noordwestwaarts, een ander deel zuidwestwaarts.

Lees verder “Op weg naar Kalkriese”

Een ankerstok uit Duisburg

Ankerstok (Archeologisch park, Xanten)

Vandaag een kort blogje. Het gaat over de Rijn maar niet over de waterstanden. Het gaat wel over Duisburg, een stad in het Roergebied die u zult kennen als u weleens met de trein naar het zuiden spoort. Niet bepaald de eerste stad waaraan u denkt als het gaat om het antieke verleden. De oudste vermelding is middeleeuws, uit 883.

Maar er waren daarvoor al Romeinen. Logisch, want aan de andere kant van de Rijn lag het fort Asciburgium ofwel Moers-Asberg. De daar gelegerde soldaten zorgden ervoor dat er aan de Germaanse kant van de stroom geen al te grote nederzetting was – of het moest iets zijn dat de Romeinen controleerden. Een dergelijke nederzetting is nooit gevonden, maar dát er Romeinen in Duisburg waren, staat vast. Stenen die zijn gevonden in Krefeld en nu zijn te zien in het mooie museum Burg Linn, zijn gewonnen in wat nu Duisburg is.

Lees verder “Een ankerstok uit Duisburg”

Over een Romeins parasolletje

De auteur met parasol (© D. Mittendorp)

Als kind wilde ik al archeoloog worden. Toen ik eenmaal wat ouder was, werd ik dan ook lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Geschiedenis (NJBG) waarbij ik zowel actief was bij de Werkgroep Archeologisch Onderzoek (WAO) als de Werkgroep Experimentele Archeologie (WEA). In de zomer ging ik graven, een week naar het HAPS-project in Apeldoorn, of op reis langs de geschiedenis en archeologie van bijvoorbeeld Ierland. De rest van het jaar ging ik regelmatig in het weekend op pad met een van beide werkgroepen. Het kon dus niet uitblijven dat ik archeologie ging studeren.

Re-enactment

Toen ik eenmaal van mijn hobby mijn beroep had gemaakt, had ik natuurlijk een nieuwe hobby nodig. Ook, omdat ik inmiddels te oud werd voor de NJBG. Zo kwam ik eerst bij de Laat-Romeinse re-actmentgroep Fectio terecht en kort daarna ook bij de Levende Romeinse Geschiedenis Groep Corbvlo.

Lees verder “Over een Romeins parasolletje”

Zes vragen aan Gert Knepper

Vollgraff aan het werk op het Domplein in Utrecht (1934)

De trouwe lezers van deze blog kennen inmiddels de rubriek waarin dit de derde aflevering is: ik wil de aandacht weghalen bij de gemakzuchtige stukken over archeologie en de ongefundeerde parallellen tussen toen en nu, en terugleggen bij het eigenlijke wetenschappelijke proces. Vandaag is het woord aan classicus Gert Knepper, die weleens eerder schreef voor deze blog en geen onbekende is in de reageerpanelen van deze blog.

***

Wat bestudeert u?
De afgelopen jaren heb ik me beziggehouden met een onderzoek naar het leven van de Nederlandse classicus Carl Wilhelm Vollgraff (1876-1967, z’n achternaam spreek je gewoon op z’n Nederlands uit), met de bedoeling om diens biografie te schrijven.

Lees verder “Zes vragen aan Gert Knepper”