Een plakboek met archeologieplaatjes

In een eerder leven was ik bestuurslid van een stichting die het erfgoed uit de Romeinse tijd – dus Ambiorix, Velzeke, de terpen, het meisje van Yde, het badhuis in Heerlen, Nijmegen, Nehalennia, de Taalgrens, Dorestad… – moest “promoten”. Eén van de ideeën die ik destijds inbracht was om met een supermarktketen te praten over Romeinenplaatjes. Kinderen kunnen bij de boodschappen immers altijd plaatjes krijgen van dinosaurussen, voetballers of de menagerie van Freek Vonk; waarom zouden wij dit middel niet gebruiken om ze iets mee te geven over hun verleden? Het Jeugdjournaal zou een item kunnen maken, musea zouden kinderen op vertoon van een vol plaatjesboek het niet in de supermarkt verkrijgbare superduperplaatje kunnen geven… enfin, u kunt zelf bedenken welke mogelijkheden tot synergie er zijn.

Sigarettenplaatjes

Mij leek het voor die stichting een goed idee. We hadden een ingang bij een supermarktketen in het Rijk van Nijmegen, we kenden mensen bij musea, we kenden iemand van het Jeugdjournaal. Desondanks is het er nooit van gekomen. Misschien is dat jammer, want ik weet sinds een tijdje dat het project uitvoerbaar zou zijn geweest. Het is namelijk eerder gedaan. Een bevriende archeoloog deed me onlangs een plakboek cadeau waarin iemand Britse sigarettenplaatjes had verzameld. Zoals ik het begrijp was sigarettenfabrikant W.D. & H.O. Wills in 1887 een van de eersten die een product verkocht met verzamelkaarten. Onderwerpen: rugby, vlinders, soldaten uit het Britse leger, cricket, grote schrijvers, vliegtuigen, voetbal, schepen & zeelieden, vogels en (vanaf 1938) “air raid precautions”.

En dus ook archeologie. Ik heb in het plakboek geen jaartal kunnen ontdekken, maar de scheepswrakken in het Nemi-meer zijn opgenomen, en die zijn ontdekt in 1929. Ik denk daarom dat de reeks dateert uit de vroege jaren dertig, want de niet veel later ontdekte muren van Jericho, Persepolis, de grafheuvel bij Marathon en Sutton Hoo ontbreken.

Wat is archeologie?

Wat wel aanwezig is, is een royale greep (vijftig plaatjes) uit de toenmalige archeologie. En die had destijds een ander bereik dan tegenwoordig. Overeenkomsten zijn er natuurlijk ook. Volop zelfs. Het ging toen en het gaat nu om het verleden. Het gaat steeds om menselijke samenlevingen. En wie denkt dat onderwaterarcheologie en het onderzoek van resten uit het heden recente toevoegingen aan het vak zijn, heeft het mis: ook een in 1922 gezonken schip krijgt een plaatje, al zeg ik erbij dat het een schip was met een lading goud. Hedendaagse archeologen beschouwen dat niet als archeologie maar als schatgraverij. Dat is overigens hypocriet, want in de publiciteit hebben archeologen het net zo vaak over schatten als op de plaatjes van W.D. & H.O. Wills.

Enfin. Tussen de archeologie van toen en die van nu bestaan dus ook verschillen. Zo is er de betekenisbeperking van het woord “archeologie”. Aan het begin van de negentiende eeuw ontstond in Duitsland een geavanceerde Altertumswissenschaft, een woord dat in andere talen werd weergegeven met het ingeburgerde Griekse leenwoord “archeologie”. In Nederland wisselde Caspar Reuvens dat af met “oudheidkunde”. In de loop van de twintigste eeuw heeft “archeologie” echter steeds meer de beperktere betekenis gekregen van wat ooit “veldarcheologie” heette. In het plakboek was het zo ver nog niet: ook de manuscripten uit het Catharinaklooster komen aan bod.

Er is veel te prijzen. De chronologische onderwerpskeuze – van de Steentijd tot 1929 – is goed; geografisch ligt de nadruk op het Britse wereldrijk (bijv. Taxila), wat zal hebben aangesloten bij de belangstelling van de brede doelgroep. Ethische kwesties zijn gereduceerd tot “veilige” thema’s, zoals de moord op Atahuallpa, terwijl de Elgin Marbles schitteren door afwezigheid. (Het plaatje hieronder zou tegenwoordig leiden tot opgetrokken wenkbrauwen.) Hoewel de makers op veilig spelen, begrijpt iemand die de vijftig toelichtingen heeft gelezen, dat de politiek in de archeologie nooit ver weg is. W.D. & H.O. Wills hebben een wijze adviseur gehad, en aangezien Ur opvallend aanwezig is met twee plaatjes, zou dat best eens Leonard Woolley geweest kunnen zijn.

Romeinenplaatjes?

Tot slot: een plakboek voor Romeinenplaatjes, bij de boodschappen in uw plaatselijke Albert Heijn of Delhaize? Ik zie geen reden om het niet te doen. Neem een brede definitie (geen veldarcheologie maar oudheidkunde), beperk het tot Nederland en België (want we richten ons op kinderen), en wees eerlijk over wat verkeerd gaat (want grote mensen kijken mee). Ik zou zeggen:

  • neem vijf antieke auteurs die over de Lage Landen schreven,
  • behandel een stuk of vijftien gebeurtenissen uit de vroege Romeinse tijd,
  • documenteer met een stuk of twintig vondsten de bloeitijd,
  • noem de kerstening en onze taal als betekenisvol erfgoed,
  • negeer niet wat er benoorden de Rijn gebeurde,
  • toon dilemma’s,
  • besteed aandacht aan musea.

En vooral: maak eerst een plan waarover je consensus hebt met alle betrokkenen, stel vast wat cruciaal is en wat onderhandelbaar, en ga pas daarna op zoek naar geld. Immers, als jij niet weet wat je prioriteiten zijn, gaan anderen jouw prioriteiten stellen. Ik heb iets te vaak goede plannen zien mislukken omdat de betrokkenen geen onderscheid maakten tussen onderhandelbaar en niet-onderhandelbaar, en hun plan aanpasten aan de wensen van de financier. Het resultaat was dan iets lauws dat geen zoden aan de dijk zette. Ik heb een vermoeden dat de adviseur van W.D. & H.O. Wills dat risico scherp heeft gezien, want dit oude plakboek mag er wezen.


Oorlogsheld

juni 27, 2014

Het Drielse Veer

september 23, 2015
Deel dit:

13 gedachtes over “Een plakboek met archeologieplaatjes

  1. Arjen Dijkgraaf

    Je had de datering vrijwel goed: deze kaartjes zijn van 1937.

    Zie https://www.benham.co.uk/products/treasure-trove-50-churchman-1937

    Maar je kunt jezelf afvragen of Wills’ marketingstrategie echt zo uitgekookt was want voordien hadden ze al een serie ‘interessante deurkloppers’ uitgebracht:

    https://www.cigarettecards.com/product-page/3270?srsltid=AfmBOoo7noQ6cHRI_t6cgV6gHptX4bkvyAndRtKJpc6aa8KA9yP1wj5q

    Waarschijnlijk verzamelen kinderen uiteindelijk gewoon alles wat verzamelbaar is.

    1. Inderdaad, kinderen vinden alles leuk. Daarom vind ik het ook zo jammer dat Romeinenfestivals zich vooral op kinderen richten, zonder een programma te maken dat volwassenen een reden geeft om terug te komen. (Het Nijmeegse festival had een gestaag dalend bezoekersaantal.)

      Als je archeologie wil verankeren in het algemeen bewustzijn, zijn kinderen geen interessante doelgroep. Het punt is: kinderen zijn vandaag geïnteresseerd in Romeinen, over twee maanden in dinosaurussen en weer twee maanden later in K3.

      1. Arjen Dijkgraaf

        Eigenlijk zeg je nu dat eventuele Romeinenplaatjes weinig zin hebben. Want die zouden ook vrijwel alleen worden verzameld door kinderen die het onderwerp volgend jaar weer zijn vergeten.
        Voor K3 staan ze intussen vijftien jaar later nog wél in de rij. Wat doen die meiden beter dan de oudheidkunde?

        1. Ik zou de plaatjes gebruiken om via de kinderen de ouders te bereiken. Dat is ook wat K3 goed doet. Het is lullig om te moeten zeggen, maar de manager is on record dat de meiden er sexy bij moesten lopen opdat “ook de papa’s er plezier aan beleven”. Het seksisme daargelaten is dit wel communicatie hoe het hoort: via kinderen naar degenen die het geld uitgeven. In ons geval: via kinderen tot degenen die moeten weten dat Rome een serieus thema vormt.

          1. Arjen Dijkgraaf

            De vraag is dan of je de ouders zo ver krijgt dat ze óók meekijken wanneer er geen dierlijke driften (kwijl, kwijl…) in het spel zijn. Zouden ze daar bij Appie of Lidl wellicht cijfers over hebben?

  2. Christo Thanos

    De plaatjes worden regelmatig aangeboden op Ebay (UK).

    Opvallend: in de jaren 1930 gingen ook vrouwen archeologie studeren (in Cambridge bijvoorbeeld). Het aantal vrouwen in de archeologie was zeker in die jaren klein en hun bijdrage werd vaak ook niet gezien en/of genoemd. Toch mooi dat ze als opgravers staan afgebeeld op een medium dat hoofdzakelijk door mannen werd gekocht.

  3. Kees Voorburg

    “…beperk het tot Nederland en België (want we richten ons op kinderen)…”.

    Op de lagere school raakte ik nooit uitgekeken op de platen van J.H. Isings. Meen me een lichte voorkeur te herinneren voor NL-onderwerpen, maar de aard van het plaatje was het meest bepalend. En hoe ouder, hoe beter: liever een markt in Dorestad dan één in een 17e-eeuwse stad. M.a.w. het gaat er om dat de plaatjes de nieuwsgierigheid van de kinderen prikkelen en zou ik de voorkeur geven aan een plaatje van de stad Petra dan van een in een terp opgegraven schoenzool uit het jaar 0.

    Nog belangrijker is dat de plaatjes realistisch zijn en het infantiele (Nijntje-stijl) dat vandaag de dag gebruikelijk is gemeden wordt. Is even ergerniswekkend als het infantiele toontje waarmee volwassenen kinderen menen te moeten aanspreken (hoog stemmetje etc., spreken in de We-vorm ofwel pluralis infantilus).

    Inderdaad een erg leuk stukje. ’t Gemoed schiet gelijk weer vol met jeugdsentiment (zie boven),

  4. Een paar jaar geleden had de Heemkundekring in ons dorp in samenwerking met een supermarkt ook een actie met plaatjes en een boek, over de geschiedenis van het dorp. Razend populair, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Het kan wel…

Reacties zijn gesloten.