MoM | Niet populariseren maar communiceren

Vroeger zeiden ze vervoer. Daarna zeiden ze transport. Vervolgens noemden ze het logistiek. En nu doet een bedrijf aan logistics. Ondertussen doen die bedrijven, voor zover ik weet, precies hetzelfde. En zo is het meestal met naamsveranderingen, dus het zij u vergeven als u denkt dat een naamsverandering gebakken lucht is. Soms is er echter wel degelijk iets aan de hand: human resource management is echt iets anders dan het aloude personeelszaken. En wetenschapscommunicatie is echt een andere vorm van overdracht dan populariseren.

Het grote verschil is dat de popularisator sprak maar niet luisterde. De wetenschapper die zijn inzichten wilde delen was als een radiostation dat een boodschap de wereld instuurde; het publiek was daarbij de passieve ontvanger. Hierbij werd de boodschap vereenvoudigd: er was een kloof tussen de universiteit, waar een zeer kleine groep mensen lang had kunnen studeren, en de overgrote, minder lang geschoolde burgerij. Vereenvoudiging was noodzakelijk.

Massamedia en hoogopgeleiden

De opkomst van de massamedia – we hebben het dus over de jaren zestig, zeventig – maakte duidelijk hoe verkeerd deze visie was. Onze ouders leefden al in een wereld met een informatie-overaanbod en moesten selecties maken. Het wetenschappelijke signaal was een van de vele en omdat de wetenschap haar inzichten overdragen moest (een wettelijke verplichting, al lang voordat er sprake was van valorisatie), moest ze duidelijk maken waarom haar informatie beter was. De ontvanger, die actief selecteerde, moest dus een argument horen om zijn selectie in het voordeel van de betrouwbaarst mogelijke informatie te laten uitvallen. Dus kwam er meer uitleg: niet alleen werden de conclusies gepresenteerd, ook werd toegelicht waarom de wetenschappelijke methode de meest redelijke was. Anders gezegd: voorlichters begonnen de wijze van kennisvergaring inzichtelijk te maken.

Dit was ook om een andere reden noodzakelijk. Het aantal mensen dat naar een HBO of een universiteit kon gaan, groeide en is inmiddels hoger dan ooit. En dat niet alleen in Europa, maar wereldwijd. Zulke mensen kunnen meer informatie aan en hebben ook een veel hogere informatiebehoefte. Zij willen graag weten waarom we weten wat we weten.

En er is nog iets. Hoogopgeleiden die teleurgesteld zijn, gaan op zoek naar andere informatie – informatie die in kolossale hoeveelheden aanwezig is, zeker nu er internet is. Ik verdien het dagelijks brood in de voorlichting over de Oudheid en heb gezien hoe Iraanse nationalisten de propaganda van de sjah nieuw leven inbliezen. Ik heb daar nogal wat mee te stellen gehad maar één ding moet ik ze nageven: er was en is gewoon weinig goede informatie beschikbaar, ze konden niet beter weten. In de oudheidkunde is de voorlichting immers niet meegegroeid met de behoeften van het publiek. Ander voorbeeld: dankzij digitaliseringsprojecten keerden allerlei negentiende-eeuwse inzichten terug, terwijl actuele inzichten achter betaalmuren blijven liggen, waarna bad information drives out good. Zo maakte het Jezusmythicisme, het in de negentiende eeuw door antisemieten als Bruno Bauer uitgedragen idee dat Jezus nooit heeft bestaan, een comeback.

Niet populariseren maar communiceren

Populariseren – informatieoverdracht die zich beperkt tot het vereenvoudigd weergeven van wetenschappelijke conclusies – is dus contraproductief. Het geeft niet aan waarom wetenschappelijke informatie beter is en het speelt niet in op de informatiebehoefte. Wetenschapscommunicatie wil het beter doen. Het woord geeft de ambitie aan niet langer uit te gaan van wat de wetenschap aanbiedt, maar ook te luisteren naar wat het publiek vraagt. De wetenschapscommunicator biedt niet slechts de vereenvoudigde conclusies die vroeger werden beschouwd als voldoende, maar biedt ook uitleg van het wetenschappelijk proces. Het is dus geen zenden meer, maar communicatie.

Wat ik hierboven beschrijf, is ook te beschrijven met jargontermen als “zender-ontvanger-model” en “science deficit model”. Dat laatste was het idee dat mensen, als ze hun kennisachterstand over de wetenschap maar zouden wegwerken, als vanzelf de wetenschap zouden volgen. Een mooi en nobel idee, maar wat al te optimistisch. In de wetenschapscommunicatie-praktijk merk je al snel dat er mensen zijn die liever geen wetenschap hebben dan een bepaalde conclusie.

Bezorgdheden

Daar zit, is mijn ervaring, altijd een bezorgdheid achter. Creationisten zijn bang dat als het evolutionisme klopt, er geen Voorzienigheid meer is. Iraanse nationalisten hebben een hoge prijs betaald tijdens de Islamitische Revolutie in Iran. Het afrocentrisme, dat behelst dat alle beschaving via een “zwart” Egypte komt uit een “zwart” Afrika, is een irrationele reactie op reële discriminatie. Veel Jezusmythicisten zijn bang voor fundamentalisme. Wie de val van het Romeinse Rijk in verband brengt met Germaanse migraties, is vermoedelijk bang voor immigratie.

Zulke bezorgdheden zijn weliswaar irrationeel maar daarom niet minder reëel. Wie wetenschap wil overdragen aan het publiek, moet deze bezorgdheden onderkennen. Alleen dan communiceer je.

Academisch specialisme, generalistische vragen

Een ander punt dat samenhangt met het feit dat wetenschapscommunicatie communicatie is, is het onderkennen van de vragen die bij het publiek leven. Dat lijkt logisch maar dit gaat in de praktijk vaak mis. De Nationale Wetenschapsagenda nodigde het publiek uit vragen te stellen, kreeg er meer dan twaalfduizend en liet die vrijwel allemaal onbeantwoord.

De concrete aanleiding voor het stukje dat u momenteel leest is dat het Mondriaanfonds geld uittrekt om archeologie toegankelijker te maken voor het grote publiek. Heel mooi – ik schrijf dat zonder ironie – maar het stelt weer eens de zender centraal: in dit geval een wetenschappelijke discipline. Die discipline is welbeschouwd een beperking en die beperking is er niet zonder reden, want voor het waarmaken van het prachtige ideaal van “hoger onderwijs voor allen” hebben we een hoge prijs betaald, namelijk dat de opleidingen erg kort zijn. We kunnen geen allround-letterenmensen meer opleiden.

Het probleem is nu dat het publiek, enkele uitzonderingen daargelaten, niet is geïnteresseerd in “het verleden zoals kenbaar met de beperkingen van de archeoloog”. Het publiek wil weten wat het verleden was, zonder beperkingen, en het wil weten hoe we dat verleden kunnen kennen. De Mondriaansubsidies zullen het publiek niet werkelijk helpen. (Geloof me, Mondriaanfondsmensen: ik doe dit werk al een kwart eeuw en heb ruim tienduizend publieksvragen mogen beantwoorden.)

Samenvattend: de popularisator zond vereenvoudigd wat de universiteit kwijt wilde aan een passief publiek, maar dit werkte averechts, omdat het publiek zo niet ontdekte waarom deze informatie beter was dan andere en omdat het publiek een hogere informatiebehoefte had. Ook stelt het publiek vragen die veel breder zijn dan een hedendaagse, hyperspecialistische academicus kan beantwoorden. De wetenschapscommunicator zoekt een oplossing door niet de zender maar de ontvanger centraal te stellen en door de informatie beter op doelgroep en vraag toe te snijden. In feite is de wetenschapscommunicator, hoewel hij net als zijn voorganger probeert inzichten over te dragen aan de maatschappij, de tegenpool van de popularisator.

[In de reeks “Methode op Maandag” (MoM), waarin dit stukje een beetje een buitenbeentje is, leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

26 gedachtes over “MoM | Niet populariseren maar communiceren

  1. Ab R.C. Dabra

    Logistiek is tegenwoordig mede onder invloed van de verworvenheden van het internet, het hele traject dat grondstof, goederen, eindproduct, etc. afleggen door ‘de keten’. Bijna alles dat bedrijven doen valt tegenwoordig binnen de ‘logistiek’. Dus ook hier dekt de term ‘logistiek’ iets veel groters dan alleen ‘vervoer’.
    Altijd in de ‘logistiek’ gewerkt… Vandaar!

  2. FrankB

    In de wiskunde behelst logistiek nog wel wat meer dan spullen van A naar B vervoeren. Vraag maar aan een postbode: statische factoren als opslagcapaciteit (fietstassen hebben een gegeven volume), draagkracht van de fiets en van de postbode zelf zijn van groot belang.

    “Vereenvoudiging was noodzakelijk.”
    Toen populariseren opkwam in de jaren 1980 ergerde ik me er al aan dat de doelgroep (ik dus) niets te vertellen had over de vraag hoe ver die vereenvoudiging moest gaan. Ik stelde het als jonge twintiger beslist niet op prijs om op kleuterniveau te worden aangesproken. Daar had ik een dikke tien jaar daarvoor al de serie Hoe en Waarom voor gehad.
    Wetenschap is moeilijk (dwz je moet er flink wat moeite voor doen) en “we weten het niet” is een regelmatig terugkerend antwoord.

  3. Robbert

    Hallo Jona, populair-wetenschappelijke geschiedenis en meer op wetenschapscommunucatie gerichte geschiedenisboeken kunnen prima naast elkaar bestaan. Als voorbeelden van hoog niveau noem ik enerzijds Simon Schama’s De geschiedenis van de Joden en anderzijds van jezelf Israel verdeeld en Het visioen van Constantijn.

    1. Voor zover ik weet zegt Jona nooit dat populair-wetenschappelijke boeken niet nuttig zouden zijn. Hij wijst er wel altijd op dat als het aanbod ertoe beperkt blijft, de archeologie en de geschiedenis en de klassieke talen de geïnteresseerdste mensen wegjagen. Hij heeft herhaaldelijk gewezen op de schade die wordt aangericht door de gemakzucht van Fik Meijer en de limesorganisaties.

      Ik kan het bevestigen. Hier in Nijmegen is iedereen weleens naar het Romeinenfestival geweest, dat elke twee jaar plaatsvindt en steeds hetzelfde id, zodat de hele stad inmiddels verveeld zijn schouders ophaalt. Het Valkhof merkt dat het Nijmeegse publiek daarom wegblijft.

      1. Robbert

        Hallo CK, Jona zegt hierboven: “Populariseren is … contraproductief”. Dat is veel te sterk uitgedrukt, populariseren is prima, voldoet nog steeds aan een informatiebehoefte. Dat er boeken zijn van “gemakzuchtig” gehalte doet daar niets aan af. En dat daarnaast Jona’s pleidooi voor wetenschapscommunicatie noodzakelijk is, daarvan ben ik als lezer van deze blog echt wel overtuigd.

      2. Rudmer Koopal

        De stad haalt zijn schouders op. Hoezo? Dat kan helemaal niet, want het festival is, afgezien van dit jaar in Museum Het Valkhof, voornamelijk buiten de stad in Oriëntalis en op het Kops plateau waarvoor je toegang moet betalen. Als je de programma ’s naleest zie je diverse verdiepingen, lezingen door de Radboud Universiteit. Zelf Oliver Hekster heeft in 2012 een lezing gehouden Ik heb op deze blog eerder laten zien dat je in mei van dit jaar ook al de plank missloeg.
        Het festival heeft overigens niets te maken, afgezien van dit jaar met activiteiten of bezoek in het Valkhofmuseum. Je haalt twee zaken door elkaar. Museum Het Valkhof is deelnemer aan Romeinenweek. En afgezien van dit jaar, waren de laatste jaren er nogal passieve activiteiten in het museum tijdens Romeinenweek. Ze waren vooral open. Dus als het museum klaagt over teruglopende bezoekers, dan is het museum daar zelf debet aan. Dit heeft niets te maken met de Limesorganisatie of Romeinenweek.

        1. Ik denk ook dat er verwarring is. Het Romeinenfestival vind al enige tijd niet meer plaats. De dalende bezoekersaantallen duidden overigens wel in de genoemde richting, namelijk dat het aanbod geen reden was om Nijmegenaren terug te laten komen.

          1. Rudmer Koopal

            Als je het Romeinsfestival een paar keer hebt gezien, dan geloof je het wel voor een paar jaar. Dat geldt voor meer festivals. Eigenlijk voor alle festivals. Wil je iets orgineels zien of meemaken dan moet je natuurlijk wel even je gaan oriënteren
            Tijdens Romeinenweek dit jaar was er rond Nijmegen genoeg te doen zoals de tentoonstelling in Bemmel over de opgravingen daar. Of in Wijchen over Wachters van het noorden. Gewoon op de website van Romeinenweek kijken wat er in de omgeving te doen is.

          2. Rob Duijf

            Dat heeft niet alleen met het Romeinenfestival te maken. De nieuwsbrief van het Valkhofmuseum

            https://mailchi.mp/museumhetvalkhof/nieuwsbrief-februari-1386713?e=edf8522523

            laat zien, dat het museale licht hier nog niet is doorgebroken. In plaats van concureren met musea die veel beter in staat zijn de beeldende kunsten over het voetlicht te dragen, zou het Valkhofmuseum zich beter kunnen toeleggen op waar het in wortelt. Dan zou het de historische driehoek Nijmegen, Xanten en Tongeren kunnen versterken. Kijk, in Assen snappen ze dat…

  4. Piet Mout

    En dan kan je je ook nog afvragen of kennis wel overdraagbaar is of dat kennis alleen verworven kan worden door degene die leert. Dat vraagt een heel andere manier van communiceren en van lesgeven.

  5. Rob Duijf

    ‘(…) niet de zender maar de ontvanger centraal (…) stellen en (…) de informatie beter op doelgroep en vraag toe te snijden.’

    Dat lijkt me evident. Het Latijnse woord ‘communicare’ betekent ‘delen met’ in de zin van ‘iets gemeenschappelijk maken’. Communicatie is dus een proces van informatie-uitwisseling en geen eenrichtingsverkeer.

    Als ik dat begrip loslaat op wetenschapscommuncatie dan zal eerst de doelgroep moeten worden gedefinieerd en begint de communicatie met het vaststellen van de informatiebehoefte. Als die doelgroep bestaat uit (potentieel geïnteresseerde) niet-wetenschappers, dan zal ik mijn informatievoorziening daarop moeten aanpassen om deze zo laagdrempelig en toegankelijk mogelijk te maken.

    Kortom, hoe vertaal ik iets dat ingewikkeld is, maar het niveau van mijn doelgroep? In die zin kun je spreken over ‘populariseren’ van de wetenschap. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, maar eens, communiceren begint met afstemmen op, met luisteren dus.

    Of zie ik hier iets over het hoofd?

    1. Sjoerd Munnik

      ‘Bezorgdheid’ en ‘niveau van de doelgroep’. Als het vermogen tot communiceren wordt bemoeilijkt door bezorgdheid, oplopende tot angst hebben voor, zou het eerste aanbod aan de ontvanger vanuit de wetenschap kunnen zijn om uit te leggen hoe een mens informatie verzameld. Hoe toetst de ontvanger zijn realiteit, welke processen spelen een rol, hoe bepaalt een bezorgdheid-angst het opnamevermogen. Kortom als eerste een aanbod vanuit de Humaniora welke processen een rol spelen bij kennisverwerving. Vanuit de psychologie, filosofie, neurologie, taalwetenschappen. Op die manier krijgt de Humaniora aandacht als een multidisciplinair werkende wetenschap, eerherstel dus. En kan worden uitgelegd hoe bijv. vooringenomenheid, ‘bezorgdheid’, een rol moet spelen in het toetsen van de realiteit.

      1. Rob Duijf

        ‘niveau van de doelgroep’.

        Dat begrijp ik en ik heb het in mijn reactie ook genoemd.

        ‘(…) hoe bijv. vooringenomenheid, ‘bezorgdheid’, een rol moet spelen in het toetsen van de realiteit.’

        Ik denk, dat ik u wel begrijp, al ontgaat mij in deze zin het werkwoord ‘moet’…

        Bezorgdheid is een ‘milde’ vorm van angst en vooringenomenheid komt voort uit angst. Angst is hier dus het leidende mechanisme. Angst kleurt en belemmert juist de zuivere waarneming. Alsof je door een beslagen raam naar buiten kijkt (of naar binnen…).

        Men zal het mechanisme van de angst dus niet alleen vanuit de Humaniora uitgelegd moeten krijgen, maar zelf moeten inzien hoe angst ons denken en handelen voortdurend beïnvloed en stuurt; hoe al onze vooringenomenheden, overtuigingen, groepsdenken en identificaties voortkomen uit de behoefte aan psychologische veiligheid, zekerheid. Wordt daar aan getornd – en het is m.i. de taak van de wetenschap om te betwijfelen en vragen te stellen – dan laat de angst zijn gezicht zien…

  6. jan kroeze

    Je zegt dat human resource geen personeelszaken meer is. Het komt er op neer dat alles efficienter moet, kan niet schelen hoe. Alles draait om productie met zo weinig mogelijk mensen, meer niet.

    1. Ab R.C. Dabra

      Dat wordt uiteindelijk – gedeeltelijk – aangestuurd door de consument (en daardoor de gigantische concurrentie tussen bedrijven): die wil zo goedkoop mogelijke producten met een zo hoog mogelijke kwaliteit.

      1. Rob Duijf

        Is dat wel zo Ab? Is het echt de consument die de ‘beste kwaliteit tegen de laagste prijs wil hebben’? Of is dat iets dat de consument door slimme marketingstrategen krijgt aangepraat? ‘Op de markt is uw gulden een daalder waard’, zeiden we vroeger tot de invoering van de Euro. Maar is dat nog steeds zo? Goedkoop blijkt achteraf helaas vaak duurkoop te zijn…

        In de praktijk blijkt namelijk dat de consument best bereid is meer te betalen voor bijvoorbeeld duurzame en biologisch verantwoorde producten, mits men daarover goed en betrouwbaar wordt voorgelicht. Denk aan de ‘Redt de Rijke Weide’-melkcampagne ter bescherming van onze weidevogels, zoals ons ‘nationale symbool’ de grutto.

        Helaas zijn dit langzame processen. Een goed en recent voorbeeld is de aangekondigde prijsverlaging van ‘waters’ en suikervrije frisdranken. Hoe lang is dit al een isue? Wat te denken van het al decennia gekoesterde idee om verantwoorde, biologische producten onder het lage BTW-tarief te laten vallen en de aanschaf zo aantrekkelijker te maken t.o v. de reguliere fok, kweek, teelt en productie? Europa spartelt tegen, en de consument laat zich naar de mond praten…

      2. jan kroeze

        AdAb: je hebt gelijk, iedereen wil voor een dubbeltje op de 1e rij e nde vraag is hoe dat afloopt.
        Niet alleen efficency, maar ook wekrdruk bv. worden steeds meer opgevoerd. Hoelang houden mensen dat vol? Wie het weet mag het zeggen, zelf ben ik zeer benieuwd. Ik wil wel weten waar het touwtje knapt. En wanneer natuurlijk. En het waar weet ik niet zo gauw (ja bij gedwongen zzp-er zijn misschien, luitjes die zomaar oeps de 19e eeuw worden ingekatapulleerd, en dat gaat fout want het betekent werken tot aan je dood).

  7. eduard

    Jona, bestaat dat beestje genaamd de wetenschapscommunicator eigenlijk wel? Het lijkt mij een schaap met vijf poten. Waar moet zo’n iemand zijn vak leren? Uit het debacle van de vaccinatiediscussie en het klimaatscepticisme blijkt wel dat ook buiten de geschiedenis de vaklieden ongeschikt zijn. Die reageren met het uitleggen waarom er geen bewijs is dat vaccinaties autisme veroorzaken, of dat een koude winter echt niet betekent dat de aarde niet opwarmt. Ze leggen goed uit wat we kunnen weten, misschien beter dan de meeste archeologen, letterkundigen en historici, maar ook aan de meeste hoogopgeleiden is een wetenschappelijk betoog niet besteed, en de kop boven het artikel gaat alweer over autisme en koud weer, niet over de dringende noodzaak van vaccinatie respectievelijk maatregelen tegen de uitstoot van broeikasgassen.

    1. Ab R.C. Dabra

      Je hoort in de media vaak zeggen dat de gigantische hoeveelheid communicatiestudenten die tegenwoordig afstudeert alleen aan de bak komt wanneer ze zich specialiseren; in financiën, terrorisme, cultuur, enz. Het lijkt er een beetje op dat die specialisatie er niet of nauwelijks bestaat voor geschiedschrijving. Misschien ligt daar het probleem.

      1. Rob Duijf

        Ik weet niet op welke media je doelt Ab, maar een specialisatie is altijd een pre. Dat geldt zowel voor de communicatie- en informatiewetenschappen (met tegenwoordig allerlei prachtige internationale namen en omschrijvingen) als voor de journalistiek. Wie zich tijdens een stage kan bewijzen, heeft een baangarantie. De meeste afgestudeerden beginnen echter als ZZP’er een eigen praktijk, bijv. als communicatieadviseur of ze gaan iets anders doen.

        ‘Communicatie’ (eigenlijk hoort daar ook nog ‘marketing’ bij) is overigens een paraplubegrip zo groot als de Arenakap-met-schuifdak met daaronder een heel breed speelveld. Aan de ene kant is er de ‘klassieke’ voorlichting à la ‘wiens brood met eet, diens woord men spreekt’, aan de andere kant de onafhankelijke informatievoorziening.

        Tal van vaardigheden, strategiën en instrumentarium staan de beoefenaars van dit spel ter beschikking, alles ten dienste van vragen als: hoe ‘verkoop’ ik mijn baas, mijn bedrijf, mijn dienst, mijn product, mijn instelling etc. zo goed mogelijk en hoe zorg ik ervoor dat mijn doelgroep daar zo enthousiast van wordt, dat ze het praatje slikken, het product kopen, de instelling bezoeken of geïnteresseerd raken in het onderwerp.

        Goed luisteren naar wat de klant of het publiek wil, is daarin cruciaal. Het aanbod kan daarop worden afgesteld, bijgesteld en aangepast.

        Gaat dit ook op voor wetenschapscommunicatie? Ja hoor! Populairwetenschappelijke publicaties, artikelen en items in de media, interactieve technieken in musea, dat hoort er allemaal bij en ook voor historici is daar wel een plekje te vinden.

        Of het uiteindelijk ook werkt is vraag twee en dat is de stelling die JL hier m.i. ter sprake brengt.

        1. Ab R.C. Dabra

          Ik bedoel eigenlijk de mensen die op de universiteit ‘communicatie’ studeren maar feitelijk veelal in de journalistieke wereld terecht willen komen.

    2. Ja, het beestje bestaat. Hier heb je het handboek https://www.bol.com/nl/f/wetenschapscommunicatie/9200000028462512/ en een bekende hoogleraar is Ionica Smeets.

      Waarom het niet altijd goed gaat? Vrij simpel: omdat wetenschappers niets menselijks vreemds is. Je kunt zó een schrift volschrijven met de namen van onderzoekers die denken dat, zolang ze zelf hun onderzoek uitleggen, alles goed moet gaan. Ondertussen schrijven ze anderen dan voor hoe die het behoren te doen en dat is strijk en zet met catastrofale gevolgen.

      Ik denk bovendien dat je niet moet onderschatten hoe ver wetenschapssceptici gaan om een conclusie die hun niet bevalt in diskrediet te brengen. Ik heb tweemaal bij de politie gezeten na bedreigingen door Iraanse politici en heb een Jezusmythicistische stalker. Ik kan wel heel stoer gaan lopen doen, maar het is niet waar dat je het wel even van je afschudt.

      Er zijn mij meer verhalen bekend van onderzoekers die persoonlijk te pakken zijn genomen om hun inzichten in diskrediet te brengen. Zij hebben de prijs betaald voor de verwaarlozing van de overdrachtstaak door de universiteit. Het echte probleem is het gebrek aan professionaliteit aldaar.

  8. Roger van Bever

    …maar dit werkte averechts, omdat het publiek zo niet ontdekte waarom deze informatie beter was dan andere en omdat het publiek een hogere informatiebehoefte had…

    Daar ben ik het volledig mee eens, Jona. In mijn middelbare schooljaren kocht ik van mijn gespaard zakgeld vanwege de lage prijs vooral Prisma- , Aula- en Phoenixpockets. Sommige ervan heb ik stukgelezen, ik heb ze nog allemaal. Velen zullen zich deze populariserende boekjes nog herinneren. Als ‘ontvanger’ kon je, mede dank zij de wervende teksten op het omslag, niet beoordelen hoe groot de deskundigheid van de ‘zender’ en zijn kwaliteiten als popularisator waren. Dit betrof de selectie van het gebodene, wat weggelaten kon worden en wat niet, hoeveel wiskundige formules een boekje over natuurkunde moest bevatten, etc…
    Er was zoals jij ook zegt alleen sprake van eenrichtingsverkeer. Er was veel rotzooi bij maar er waren ook pareltjes bij! Wat je wel op den duur merkte, was dat de toegevoegde waarde over een bepaald onderwerp afnam, naarmate je meer van die boekjes las, die overigens zeer vaak vertalingen waren. Ik moet trouwens zeggen dat de Aula’s een beduidend hoger niveau hadden, maar dat was dan ook de bedoeling van die serie. Bij de Prismaboeken was er vaak niet eens een bibliografie bij, maar op die jonge leeftijd had ik daar kennelijk minder behoefte aan.

    Ik wil over de behoeften van de ‘ontvanger’ nog een paar opmerkingen maken.

    Naast de inhoudelijke kant is het in toenemende mate een soort raadselachtig modeverschijnsel geworden dat mensen boeken kopen als een soort statussymbool, geschikt voor recepties, feesten en partijen. In de welwaartsstaat raakten de zgn, koffietafelboeken ‘in’. In het begin van de tachtiger jaren zag je overal bij de ‘hogere lagen van de bevolking’ het in 1979 verschenen boek van Douglas Hofstadter ‘Gödel, Escher, Bach’ in hun boekenkast staan. Ik heb het boek met enige moeite uitgelezen en ook begrepen, maar bij navraag in mijn vriendenkring stelde ik vast dat door velen het boek gekocht was, maar nooit gelezen. Een ander voorbeeld van dit fenomeen is ‘Montaillou’ van Le Roy Ladurie. En recenter het boek van Swaab. Een familielid van mij had het gelezen, maar had er bar weinig van begrepen omdat hij de nodige neurologische basiskennis miste. Als je bij Pauw of bij Matthijs ‘komt’ stijgt de oplage van je boek soms met tientallen duizenden. Ook het recente verschijnsel dat een boek omwikkeld wordt door een tekst die zegt waarom een personeelslid van de boekhandel het boek zo verschrikkelijk goed vond en dat de klant er goed aan doet het boek te kopen, een val waarin veel klanten trappen. Toch blijf ik het opmerkelijk vinden waarom van een bepaald boek zoveel exemplaren verkocht worden die levenslang ongelezen in de boekenkast zullen blijven staan.

    …Ook stelt het publiek vragen die veel breder zijn dan een hedendaagse, hyperspecialistische academicus kan beantwoorden…

    Ik ben het met je eens dat de wetenschapscommunicator een duidelijk inzicht moet hebben in zijn/ haar doelgroep, dus dat de ‘ontvanger’ centraal moet staan. Daarom wil ik jouw blog eens in het zonnetje zetten. In deze blog heb jij werkelijk geïnteresseerden (hoeven geen vakgenoten te zijn) gaandeweg verzameld, die hetzij op de inhoud van jouw blóg hetzij op andere deelnemers reageren. Dat voegt vaak nieuwe informatie toe omdat je blog een ‘open’ tweerichtingsverkeer hanteert, hetgeen weer de informatie een toegevoegde waarde geeft. Dat maakt het een perfect voorbeeld van wetenschapscommunicatie. Ik merk ook dat net als ik velen naar je blogs uitkijken. Een grote kwaliteit ervan is dat je soms interesses opwekt omdat je over zoveel verschillende dingen blogt! En je stelt je open voor kritiek en andere meningen.

    Internet helpt vaak met goede informatie maar is helaas meestal geen tweerichtingsverkeer en er is een aantal nadelen aan verbonden:
    1. De fameuze betaalmuur van gespecialiseerde uitgevers die schatrijk worden van de door hen gepubliceerde artikelen die, zoals je ook vaak zegt, met publiek geld gefinancierd zijn (Thieme, Reed Elsevier, Wolters, etc…).
    2. Soms heb ik mijn twijfels of de volgens Google opgehoeste ‘hits’ in de goede volgorde qua relevantie weergegeven worden. Soms moet je verderop gaan zoeken en ontdek je ineens een ‘parel’.
    3. De Wikipedia is i.h.a. goed, maar is erg wisselend wat taal betreft. De Engelse vind ik de beste en voor sommige onderwerpen is de Franse of de Duitse beter. Er wordt tegenwoordig toch meer op de inhoud en vooral op de referenties toegezien en de kwaliteit van de artikelen verbetert!
    Soms zijn de ‘outstanding’ artikelen inderdaad verbluffend volledig en vaak prachtig geïllustreerd met mooie afbeeldingen en kaarten en komt bij mij de gedachte op dat, als ik alles zou lezen en onthouden, ik al behoorlijk veel van het onderwerp zou afweten.

Reacties zijn gesloten.