
De Latijnse spreuk waarmee ik dit blogje begin, is de kortste samenvatting van een methodisch principe: één bron is geen bron. Juristen zeggen het ook weleens en bedoelen dan – en ze blijven iets dichter bij de betekenis van het Latijn – dat één getuige geen getuige is. Testis unus testus nullus is een ietwat pedante manier om te zeggen dat je niet alles moet geloven wat je leest.
Als voorbeeld neem ik een uitspraak van de joodse profeet Amos, die schrijft dat de Ammonieten (een stam in het huidige Jordanië) een groep zwangere vrouwen de buik hadden opengereten.noot De gebeurtenis staat ook vermeld in het Deuteronomistisch Geschiedwerk, maar de auteur stelt niet de Ammonieten maar de Arameeërs uit Damascus verantwoordelijk voor dit misdrijf tegen de menselijkheid.noot Er zijn nu vier mogelijkheden.

Welk van deze vier opties de juiste is, valt niet uit te maken en is nu ook niet belangrijk. Het gaat erom dat niemand, als alleen de opmerking van Amos overgeleverd zou zijn geweest, op het idee zou zijn gekomen dat ook anderen dan de Ammonieten de daders geweest hadden kunnen zijn. Waar we met twee conflicterende bronnen tenminste kunnen nadenken over de vraag welke de beste is, lukt dat met één bron niet eens. Je hebt er weinig aan, aan één bron. Testis unus testis nullus.
De ellende is nu dat de meeste antieke bronnen in de loop der tijden verloren zijn gegaan, zodat oudheidkundigen al blij zijn als ze überhaupt een bron hebben. Was Aristodikos, zoals Aristoteles schrijft,noot de moordenaar van de Atheense democratische leider Efialtes? Alle moderne geleerden hebben deze informatie kritiekloos overgenomen. Toch is dat, als we gemakshalve aannemen dat Efialtes inderdaad gewelddadig om het leven is gekomen, slechts één van vier mogelijkheden.

Een enkele bron heeft dus nauwelijks waarde. Er is een kans dat de informatie correct is, maar het is slechts een mogelijkheid, niet méér.
Een oudheidkundige dient daarom, steeds als hij beschikt over slechts één bron, eerst te overwegen of ook het tegengestelde waar zou kunnen zijn. Dat is nogal contra-intuïtief, maar het is wel zoals het moet. Ook moet de oudheidkundige bedenken wat er zou gebeuren als hij over een bron beschikte met afwijkende informatie en wat er zou gebeuren als daarvan het tegengestelde waar zou zijn. Verwante vragen zijn of in een samenleving waarin de meeste informatie mondeling werd doorgegeven, de bron-met-afwijkende-informatie er überhaupt kan zijn geweest, waarom die verloren is gegaan en waardoor we beschikken over die ene bron-die-we-wel-hebben.
Wie een bron leest, moet dus niet kijken naar wat er staat, maar moet bedenken wat niet is overgeleverd. (En dit geldt ook voor andere aspecten van de bronnenstudie, zoals nadenken over onderdrukte perspectieven.) Wie alleen kijkt wat er staat, maakt zich schuldig aan – u kiest maar een jargonterm – naïef positivisme, bronnenhoppen of de positivistische misvatting. Weliswaar lijkt het denken over wat er niet staat het equivalent van het ondenkbare denken, maar dat kan natuurlijk. Het is een kwestie van oefening, zoals de Witte Koningin Alice voorhield:
When I was your age, I always did it for half-an-hour a day. Why, sometimes I’ve believed as many as six impossible things before breakfast.
[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

“Eén bron is geen bron.” lijkt me inderdaad een krasse stelling, maar het is wel een goeie denkoefening te doen alsof er andere, deels conflicterende bronnen zijn. Andere aspecten zijn:
– heeft de bron baat bij (delen van) het bericht?
– heeft de bron andere berichtgeving afgeleverd die we wél kunnen nagaan?
– hebben we kennis van patronen van vertekening?
– is de gebeurtenis waarschijnlijk?
Van achter naar voor: ik heb, zopas nog bij Robert Nouwen, gelezen hoe bronnen over strijdmachten in de Gallische oorlogen worden geëvalueerd aan de hand van demografische kennis. We weten verder dat men in oude sagen het fantastische niet schuwde. De Historia Augusta conflicteerden vaak met andere bronnen en zijn dus minder betrouwbaar wanneer ze de enige zijn. En Caesar had belang bij overdrijving van de kracht van de tegenstander die hij overwon.
Met de voortschrijdende wetenschap is er alsmaar méér dat we als “bron” kunnen beschouwen. Eén geschreven bron staat nog zelden alleen, en is volgens mij dan ook flink meer waard dan geen bron.
Natuurlijk is “testis unus, testis nullus” kras geponeerd. Dat neemt niet weg dat het mensen aan het denken zet. En neem van mij aan: er zijn nogal wat mensen die antieke bronnen veel te letterlijk nemen.
Zoals ‘Deuteronomisch Geschiedwerk’…?🤔
ik begrijp je opmerking even niet, licht het even toe?
Dat begrijp je toch wel? Pas vanaf de Israëlitische koning Achab kan je zeggen dat er ‘echte’ geschiedenis in het ‘Deuteronomisch Geschiedwerk’ begint op te duiken, en dan nog.
Het interessante is dat zelfs als je vier bronnen hebt er absoluut nullius garantie is dat er iets van klopt. Daarom is het interessanter om te kijken naar de context en eventuele argumentatie. En dat doet men natuurlijk ook. Maar het is niet waar dat vier bronnen per definitie een hogere ‘waarschijnlijkheidsgraad’ hebben dan een enkele bron. Dat hangt namelijk niet af van het brute feit dat er een bron is, maar het hangt af van de inhoud van de bron.