Offerverklaring

Offerverklaring (Neues Museum, Berlijn)

Ik had het, toen ik Candida Moss’ boek The Myth of Persecution besprak, al eens over de christenvervolging door keizer Decius, rond het jaar 250. De pas aangetreden heerser eiste van alle ingezetenen een eed van trouw, die de mensen dienden af te leggen door te bidden bij de voorvaderlijke goden. We begrijpen niet goed hoe dit door christenen als een probleem kon worden ervaren, want ze mochten bidden voor het welzijn van de keizer en hun god had zich niet pas vorig jaar gemanifesteerd. Wierook branden was bij christenen in deze tijd ongebruikelijk maar niet verboden.

Het eten van offervlees was onder christenen omstreden: de brieven van Paulus tonen dat deze het problematisch vond, terwijl er ook gelovigen waren die meenden dat als de valse goden valse goden waren, het offervlees geen speciale status had. Dit kan voor sommigen dus een probleem zijn geweest. Of misschien was het afleggen van een eed wel problematisch: het verbod op het afleggen van eden behoort tot die delen van Jezus’ leer waarvan hedendaagse geleerden denken dat het Jezus-echt is.

Misschien zat de pijn wel heel ergens anders. Een fundamentalist heeft immers geen voor anderen begrijpelijke reden nodig om een probleem te maken, is het niet voor anderen dan is het wel voor zichzelf. Feit is dat er christenen zijn geweest die deze eed van trouw hebben ervaren als vervolging. We zouden het beter begrijpen als de tekst van het vervolgingsdecreet was overgeleverd maar dat is niet het geval.

Wat we wél hebben, zijn ruim veertig verklaringen die oudheidkundigen aanduiden als Opferbescheinigungen of offercertificaten: een verklaring dat iemand heeft geofferd. De eerste regels in het bovenstaande voorbeeld zijn geschreven door een professionele klerk en komen erop neer dat een mevrouw Aurelia Charis uit Theadelphia aan de commissie van offertoezicht laat weten dat ze haar plichten altijd heeft vervuld, en de commissieleden verzoekt te verklaren dat ze haar wierook hebben zien branden en van het offervlees hebben zien eten. Een Aurelius Serenus en een Aurelius Hermas bevestigen dit dan door een handtekening, waarna de klerk de datum plaatst aan de voet van het document: 22 pauni in het eerste jaar van Decius, ofwel 16 juni 250.

[Een vertaling van het offercertificaat van Aurelia Charis is hier. En u vindt daar meteen een tweede. Dit was de 290e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

27 gedachtes over “Offerverklaring

  1. “Een fundamentalist heeft immers geen voor anderen begrijpelijke reden nodig om een probleem te maken, is het niet voor anderen dan is het wel voor zichzelf.”

    Topzin! 🙂

  2. Ruud

    Het gaat erom dat deze Christenen alleen tot hun God baden en niet tot de beschermheilige van Ceasar. – zij waren inderdaad bereid om zelfs hun leven te geven (niet dat van anderen ..)
    om getrouw te zijn aan hun geloof.

    De God van de bijbel eist exclusieve toewijding. De Joden verloren Gods gunst (volgens het bijbelse verslag) omdat zij zich inlieten met aanbidding van andere goden.

    Het is jammer dat Jona ondanks al zijn kennis (die ik benijd) niet inziet waar het hier echt over gaat.

    1. De God van de Bijbel eist wel meer; mensen nemen daaruit op wat ze kunnen en willen. Er zijn Christus-gelovigen die de exclusiviteits-eis uit de Tien Geboden volgen; tegenwoordig de meerderheid. In de Oudheid is dat niet op voorhand aannemelijk.

      Wat u in feite zegt is: “wie niet exclusivist is, is geen christen meer”. Dat zou iemand anno 150 hoogst merkwaardig hebben gevonden. Bedenk dat het rond 400 nog prima mogelijk was heidens en christen te zijn.

  3. Ben Spaans

    Ze (christenen) mochten bidden voor een keizer maar niet tot een keizer. Met de voorvaderlijke goden kon een christen (een ‘echte’) zich niet inlaten. En de Romeinse overheid nam geen genoegen met alleen een eerbetoon aan JHWH door niet-joden.

    Zoals ik het ooit uitgelegd heb gekregen wilde Decius aanvankelijk niet specifiek christenen treffen, maar bleken die in de procedure de grootste problemen te kunnen geven (kunnen want veruit de meeste christenen moeten uiteindelijk hebben meegewerkt). De wil en het zwakke vlees…

      1. Interessant is in dat artikel dat het degenen die offerden, aanduidt als afvallig. Dat zullen de betrokkenen zelf zeker niet zo hebben gezien. Hier heb je een mooi voorbeeld van een moderne auteur die een latere visie op het christendom – je mag alléén Christus vereren – projecteert op de derde eeuw. Het staat maar te bezien of die norm destijds de meerderheid is geweest.

        1. Theo Joppe

          Nou, hier draaf je toch een beetje door? Je weet zelf niet hoe men medio derde eeuw dacht, en niemand weet dat. Maar gezien de oneindige literatuur over de lapsi moet dat indertijd toch wel een pijnpuntje zijn geweest. En dit artikel van Ciska is denk ik de communis opinio uit de jaren tachtig.

          1. Daar hebben we dus de sociale wetenschappen voor, om ons een model te geven. Daar wil ik dus nog over bloggen, maar ik hoop te hebben aangetoond dat je je niet op de bronnen kunt verlaten, aangezien je dan onvermijdelijk moderne ideeën zult projecteren.

              1. Voorbeeld: je wil iets weten van de oud-Egyptische economie. Dan ga je niet eerst kijken in de bronnen wat daar te lezen valt want dan neem je de bias van de klerken over. Je schrijft eerst een lijst met wat je verwacht, gebaseerd op hedendaags onderzoek en op bronnen uit beter gedocumenteerde tijdperken. Noem het culturele antropologie, sociale wetenschap, etnografie – het beestje mag elke naam hebben. Zo stel je vast wat je verwacht en weet je waarmee je bezig bent. Je hebt beter in de gaten waar de gaten in de bronnen zitten.

                Een geschiedenis van het christendom moet zo beginnen met wat je van religie verwacht (bijv.: “enthousiaste gelovigen zijn een minderheid maar trekken de discussie naar zich toe”) en historische parallellen (die we het beste vinden in het jodendom). Pas als je zo een model hebt van wat je verwacht te vinden, kun je beginnen met bronnenonderzoek.

                Het voorbeeld van Egypte was overigens – persoonlijke herinnering – het allereerste onderwerp in het allereerste werkcollege dat ik in mijn allereerste week aan de universiteit had. 😉

        1. jan kroeze

          ad jona: als je het zo bedoelt kan ik het met je eens zijn.
          Maar ik zie toch beren op de weg ivm. modelvorming (natuurlijk is het zo, dat snap ik ook wel dat een model nooit werkelijkheid zal worden) maar als startpunt klinkt het prima.

  4. Ben Spaans

    Luister Jona, het lijkt wel of menselijke eigenschappen geen plaats mogen hebben in jouw visie op de historie. Het lijkt me een soort wensdenken dat al die christenen, en zo blijf ik ze noemen, allemaal hele valide en rationele (…) argumenten hadden om toch te offeren en dat de factor ‘angst’ geen rol speelde. De ‘lapsi’ – waren dat nou echt allemaal volstrekt relaxte syncretisten die Jezus zonder problemen met Jupiter en de keizer deelden…? Volgens mij wil je zo ontzettend graag dat de meeste ‘Jezusvereerders’ veraf stonden van de ‘scherpslijpers’ dat je een complete stroming aan het creëren bent.

    1. Leuke observatie, en natuurlijk zijn er lapsi geweest die bang waren. Maar het is juist een religieuze stroming die exclusief is, die historisch onwaarschijnlijk is. Elke godsdienst bestaat voor het allergrootste deel uit rekkelijken en voor een klein deel uit preciezen.

      Het is een kwestie van wat je beschouwt als bewijs: de bronnen, ook al zijn die zeer selectief en geschreven/gekopieerd door de orthodoxen die in de Late Oudheid het pleit in hun voordeel beslisten, of een algemeen “sociogram” van religie.

      Mij maakt het niet uit wat het is geweest. Ik ben historicus; ik ben niet verantwoordelijk voor wat de mensen toen dachten. (“Noem een nederlaag gewoon een nederlaag,” zoals Lucianus het ergens zegt, “niet jij bent toch op de vlucht geslagen?”) Wat me wel kan schelen, is dat we geen moderne noties over exclusivisme en orthodoxie moeten projecteren op het verre verleden. Wie geen model heeft van hoe een godsdienst in elkaar steekt, zal dat gegarandeerd doen. Een goed model van het groeiende christendom is niet gebaseerd op het huidige christendom, maar zal lijken op het toenmalige jodendom, waar het immers uit is voortgekomen.

      Ik vind dus geen nieuwe stroming uit. Ik zoek naar de consequentie van de ontdekking van de Dode Zee-rollen en het Nieuwe Perspectief op Paulus. Dat zal menigeen vreemd voorkomen en dat illustreert dan vooral het succes dat de christelijke orthodoxie heeft gehad.

      1. Ben Spaans

        Wat hebben Dode Zeerollen of een nieuw perspectief op Paulus met een eventuele inclusivistische stroming in het vroege christendom met syncretistische neigingen te maken (hoe moet ik het anders formuleren – weet ik niet)?

        Paulus heeft het over Christus Jezus die hij aan de wereld wil verkondigen. Nergens zegt hij andere goden kunnen er ook wel bij, of deelname aan de keizerscultus kan prima. De Dode Zeerollen doen dat ook niet.

        Er kan van alles geloofd zijn door mensen die in de eerste eeuwen om de christelijke groeperingen heen hingen, maar voor zover bekend hebben hun leidinggeven nooit inclusivisme uitgegedragen. Vrijwel elke ‘ketterij’ is tenminste van naam bekend, dan zou inclusivisme als concreet bestaande stroming gemist zijn?

        1. Maar hoe representatief is Paulus? Hij is overgeleverd. De aanname dat hij op een of andere manier speciaal is, is in feite het overnemen van de canon. Geen historicus die het zout in de pap waard is, kan dat doen.

          1. Ben Spaans

            Wacht even, ik heb het in de eerste reactie niet zelf over Paulus gehad. Hoe representatief is hij? Weet ik niet, dat zijn brieven de moeite van het bewaren waard geacht werden, of brieven onder zijn naam werden uitgebracht moet iets zeggen, maar wetenschappelijk weet ik het ook niet. Maar het gaat niet om Paulus of de Dode Zee Rollen, maar waarom een keizerlijke eis uit 250 n. Chr. en de latere er zo inhakte bij christelijke gemeenschappen. Ik ben nog steeds niet overtuigd van een algemeen ‘inclusivisme’. Ja, geconfronteerd met de keuze zullen de meesten bezweken zijn. Een historicus als Diarmid MacCullough in ‘A History of Christianity’ (Londen 2010 (2009), p. 173, is nog best begripvol als hij ze een enorme trouw aan de keizer toeschrijft en veruit de meesten dus meewerkten met het keizerlijk bevel. Maar vlak angst en twijfel niet als motieven.

            Interessant aan de reacties is trouwens dat er hier een variant op de ‘Godwin’ (discussies op websites gaan snel over in het trekken van vergelijkingen met Nazi’s) lijkt te ontstaan: discussies over christelijke onderwerpen gaan snel over in discussies over islamitische onderwerpen. Apart.

  5. FrankB

    Men valt weer een fraaie stropop aan op deze pagina. JL ontkent helemaal niet dat er destijds al excusivisten waren, die vervolgd werden. Hebben jullie hierboven dat stuk over het boek van Moss wel gelezen?!
    JL beweert alleen maar dat niet alle vroege christenen (dwz. van voor Constantijn) exclusivisten waren. Wat is daar nou controversieel aan?! Oh ja, natuurlijk, hoewel Nld. verregaand geseculariseerd is is de recent ontwikkelde joods-christelijke traditie populair. Die is exclusivistisch dus moeten alle abrahamisten dat vroeger ook allemaal en altijd geweest zijn. Het is dezelfde tunnelvisie die sommigen doet beweren dat geen enkele moslima ooit met een niet-moslim kan trouwen en dat messiasbelijdende joden geloofsverraders zijn.
    Het is inderdaad een fraaie illustratie van hedendaagse denkbeelden (meestal zorgvuldig geselecteerd) op vroegere tijden projecteren, meestal om de eigen vooroordelen op comfortabele wijze te bevestigen.
    Het is nou eenmaal typerend voor wetenschap om vooroordelen onderuit te halen. Wie zich er aan committeert zal daarmee moeten leren leven.

  6. Mohammed Boubkari

    @FrankB,

    “Het is dezelfde tunnelvisie die sommigen doet beweren dat geen enkele moslima ooit met een niet-moslim kan trouwen”

    Dit is geen tunnelvisie maar getrouw blijven aan de religieuze traditie. In die zin is dit geen goed voorbeeld van non-exclusiviteit in de vroege islam aangezien het verbod in de Qur’an staat – of beter gezegd zo werden/worden die verzen geïnterpreteerd. Het feit dat tussen alle verschillende rechtsschollen en zelfs tussen sunnieten en shia daar unanimiteit over heerst plaatst dit verbod voor het ontstaan van de verschillende rechtsscholen en de scheiding sunni – shia. Dus in de beginfase van de islam.

    Iemand die, die Quranische verzen anders interpreteert of ze domweg negeert keert daarmee niet terug naar een pre-“orthodoxe” islam maar neemt gewoon afscheid van de religieuze traditie wat betreft dit verbod.

  7. Die ‘religieuze traditie’ is anders ook het resultaat van behoorlijk wat filteracties en juist in de islam is dat gegeven héél erg goed gedocumenteerd (met dank aan de vroege islamitische geleerden).

    Waar vinden we tegenwoordig nog een koranrecitatie van ibn Masud? Waar vinden we de verzameling van hadith die een Muslim of Bouchari afgekeurd hebben? Waar vinden we nog moslims die geloven dat het verhaal van de duivelsverzen werkelijk gebeurd is? Waar vinden we nog moslims die menen dat ook profeten grote fouten kunnen maken?

  8. Mohammed Boubkari

    @Richard Kroes,

    “Die ‘religieuze traditie’ is anders ook het resultaat van behoorlijk wat filteracties en juist in de islam is dat gegeven héél erg goed gedocumenteerd (met dank aan de vroege islamitische geleerden).”

    Dat klopt maar dat doet niet af aan het feit dat ook heel wat geboden, verboden, denkbeelden dateren uit de vroegste perioden die anno ver voor dat er zoiets optrad als “canonisatie” van wat de “orthodoxie” werd.

  9. Maar een vroege datering is wat anders dan ‘een religieuze traditie’. Het punt is nu juist dat er wel meer ‘geboden, verboden en denkbeelden’ met een vroege datering zijn die enkele eeuwen later ineens geen onderdeel meer vormen van ‘de traditie’, of deel zijn gaan uitmaken van een alternatieve traditie. In dat licht bezien heeft een formulering als ‘getrouw blijven aan de religieuze traditie’ maar een zeer beperkte zeggingskracht, omdat het de exclusivisten zijn die niet alleen bepalen wat die ‘traditie’ nu precies inhoudt, maar hem ook als maatgevend beschouwen.
    Om bij het voorbeeld te blijven: er zijn eeuwenlang ontelbaar vele moslima’s geweest die getrouwd zijn met niet-moslims, die zichzelf desondanks zijn blijven beschouwen als moslima en ook door hun omgeving zo werden gezien. Dat er moslims zijn die van mening zijn dat zij voldoende argumenten hebben om dat ‘ontrouw aan de religieuze traditie’ te noemen is genoegzaam bekend, maar zegt niet zo heel veel over wat een moslima is of zou moeten zijn.
    Als ik wil weten wat katholieken geloven over het gebruik van condooms, ga ik dat ook niet navragen bij oudere vrijgezelle mannen in één bepaalde wijk van de Italiaanse hoofdstad 🙂

  10. Mohammed Boubkari

    @Richard Kroes,

    Een gebod of verbod dat teruggaat tot het vroege begin en nadien normatief is geworden tot op de dag van vandaag maakt per definitie onderdeel uit van de religieuze traditie.

    Er zijn inderdaad in het verleden over religieuze kwesties hele polemieken gevoerd en waar boeken over vol zijn geschreven waar nu niemand zich druk om maakt.

    Maar daar voldoet mijn voorbeeld niet aan. Het is nooit onderdeel geweest van een polemiek of zelfs maar een discussiepunt geweest, niet tussen stromingen, niet binnen stromingen en zelfs niet binnen rechtsscholen. Terwijl er van alles werd bediscussieerd en gepolemiseerd.

    Het niet mogen trouwen met niet-moslims is pas in onze tijd onderwerp van debat geworden.

    Vandaar mijn reactie dat dit nou geen goed voorbeeld was van inclusivisme versus exclusivisme.

    Nu zou men erop kunnen wijzen dat dit wellicht in de bronnen zo naar voren komt maar dat het er in de praktijk toch anders aan toeging. Maar dat betwijfel ik. Een huwelijk in een pre-moderne patriarchale samenleving was geen verbintenis tussen twee individuen maar een verbintenis tussen families/clans.

    – moslimvrouwen erven weliswaar minder dan mannen maar toch een deel van het bezit en om ervoor te zorgen dat er geen bezit verloren gaat trouwt men binnen de familie.

    – In een patriarchale setting gaat de vrouw naar de familie van de man. Een moslimvrouw zou dan opgenomen worden in een christelijke of joodse familie. En aangezien in deze setting de kinderen de religie volgen van hun vader ( lees: Familie) betekent dat dat zij verloren gaan voor de moslimgemeenschap als leden. In de eerste paar eeuwen waren de moslims een minderheid en op verkleining van de moslimgemeenschap zat niemand te wachten.

    – Vrouwen werden in de regel niet uitgehuwelijkt aan mannen met een lagere status. In de islamitische wereld waren de moslims de heersers en had de rest een lagere status. Welke moslimvader zou zijn dochter uithuwelijken aan iemand die de facto en de jure een lager status had?

    – Moslimmannen echter mochten wel met joodse of christelijke vrouwen trouwen want dat had geen nadeel maar vergrote juist de moslimgemeenschap. En niet-moslimmannen moesten zich eerst bekeren voordat zij mochten trouwen met een moslimvrouw.

    Met bovenstaande veranderen de moslims hun penibele demografische situatie in de beginfase binnen een paar eeuwen in die van een comfortabel meerderheid.

    Een verbod ingegeven door de minderheidsstatus ook al vormden de moslims de heersende klasse. Een verbod dat normatief bleef, een taboe, lang nadat de moslims hun minderheidsstatus hadden verloren en dat nooit ter discussie heeft gestaan tot onze tijd.

    Ongetwijfeld zullen er moslimvrouwen zijn geweest die met niet-moslims trouwden maar dat zullen de spreekwoordelijke uitzonderingen zijn geweest.

    Overigens het feit dat een moslimvrouw trouwt met een niet-moslimman ( jood of christen) maakt haar nog geen afvallige. Ze breekt alleen met een normatieve religieuze traditie oftewel het overtreden van een taboe.

  11. Er lijkt in de eerste alinea iets te zijn weggevallen dat duidelijk maakt dat wat de keizer eiste meer omvatte dan het afleggen van een eed van trouw: uit het vervolg blijkt pas dat ook bidden tot de traditionele goden, wierook branden op hun altaren, offervlees eten (en zelf offeren?) erbij hoorden.

Reacties zijn gesloten.