Xerxes in Griekenland

Als alles naar wens gaat, rond ik vandaag mijn nieuwe boek af. Het heet Xerxes in Griekenland. De mythische oorlog tussen Oost en West. Net als in het boek over Constantijn de Grote probeer ik u te tonen dat er een wetenschappelijk proces is waarmee oudheidkundigen komen tot reconstructies. Xerxes’ invasie van Griekenland in 480 v.Chr. is daarbij een fijn voorbeeld, hoop ik, waardoor mensen het boek met plezier zullen lezen.

Weinig archeologie dit keer, wel veel teksten, en dan natuurlijk vooral die van Herodotos. In feite neem ik u ruim 52.000 woorden mee langs zijn Historiën, om te kijken hoe hij nu eigenlijk zijn doelen najaagt. Ondanks de titel van dit werk is Herodotos namelijk geen historicus. Hij is de vader van de journalistiek en zijn Historiën zijn te lezen als een artistieke reconstructie van wat was gebeurd, als een verslag van wat de auteur persoonlijk geneigd was te geloven, als een monument voor de gevallenen en de overwinnaars.

Lees verder “Xerxes in Griekenland”

Kwakgeschiedenis: Daar is Trouw weer

Amulet uit Xanten

Archeologen vinden, zoals ze zelf zeggen, alleen maar sporen van resten van overblijfselen. Die uit de grond halen is al lastig. Het echte werk moet dan nog beginnen: de interpretatie, waarbij het vaak draait om vergelijkingen met soortgelijke vondsten elders. Teksten en de resultaten van antropologisch onderzoek zijn ook middelen om verder te komen. Plus een stevige hoeveelheid logisch nadenken. Herinterpretaties van bestaande vondsten zijn, zoals in elke wetenschap, aan de orde van de dag.

Daarna blijft er nog een hele hoop over waarvan je geen idee hebt wat het is.

Gelukkig is er de Eerste Hoofdwet van de Archeologie: als je niet weet wat het is, is het vast religieus. Combineer dit met het voortleven van het Victoriaanse idee dat alle antieke religie ging over vruchtbaarheid en presto, je kunt elk voorwerp alsnog van een verklaring voorzien. Het helpt daarbij dat nogal wat voorwerpen staaf- of cirkelvormig zijn, zodat je er altijd wel een fallus of vagina in kunt herkennen.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Daar is Trouw weer”

MoM | Vertalen is moeilijk

Dit zijn dromedarissen en geen kamelen

Een dromedaris heeft één bult en een kameel heeft er twee. Hun Amerikaanse neefje lama heeft er geen. Een kameel komt uit Centraal-Azië, waar de winters koud zijn, en heeft daarom lange haren, dikke vetlagen en zo kort mogelijke poten. Zo bewaart ’ie zijn lichaamswarmte. De dromedaris woont daarentegen in het Nabije Oosten, waar het loeiheet is en daarom heeft het beest korte haren, lange poten en dunne vetlagen. Wat ik maar zeggen wil: het zijn verschillende dieren, levend in tegengestelde ecologische niches.

Het Nederlands maakt onderscheid. We hebben dat ontleend aan de Grieken, die de eenbulter in de zesde eeuw v.Chr. leerden kennen en begrepen dat de dromedarios, “renner”, een snelle loper was. De tweebulter leerden ze ruim twee eeuwen later kennen en daarvoor gebruikten ze kamelos, een Semitisch leenwoord dat voortleeft in het Arabische jamal. De Engelsen, de koloniale macht die ooit heerste over een half dozijn Arabische landen, heeft dit woord eveneens geleend: camel kan zowel slaan op een kameel als op een dromedaris. Zie daar de verklaring voor de dromedaris op het pakje Camel-sigaretten waar u als kind zo verbaasd over was.

Lees verder “MoM | Vertalen is moeilijk”

Romeinse kamelen

Trajanus en een kameel (© VCoins)

In 161 vielen de Parthen, de bewoners van het antieke Irak en Iran, onverwacht het Romeinse Rijk binnen. Minimaal één legioen werd vernietigd maar de Romeinse keizer Lucius Verus en generaal Avidius Cassius stelden orde op zaken. Op de militaire successen volgde een literaire catastrofe. Iedereen die de schrijfkunst machtig was, schreef namelijk een geschiedenisboek. Het ene was nog slechter dan het andere, meent de geestige Grieks-Romeinse schrijver Lucianus, die een heel traktaat over geschiedschrijving wijdde aan de kwakhistorici van zijn tijd. In de vertaling van Gé de Vries:

Ik heb een historicus moeten aanhoren die nota bene de toekomst beschreef, namelijk de gevangenneming van [de Parthische koning] Vologesus … en dan als hoogtepunt de overwinningsparade waar we zo verlangend naar uitzien. Zo, helemaal bezeten van zijn zienerschap, haast hij zich naar het einde van zijn geschrift. … Hij heeft beloofd over de toekomstige gebeurtenissen in India te zullen schrijven en over de tocht om de aarde via de Buitenste Zee. De Inleiding van zijn ‘Veldtocht tegen India’ is al klaar: het Derde Legioen, met Kelten en een kleine afdeling Mauretaniërs, is onder bevel van Cassius al de Indus overgestoken. Hoe het daar allemaal afloopt en hoe ze de aanval van de olifanten zullen opvangen… onze briljante historicus zal het ons binnenkort vertellen in een brief uit Mouziris of het gebied van de Oxydraken.

Lees verder “Romeinse kamelen”

De ondergang van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

[Laatste deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Met de brand in de tempel van Jeruzalem (plattegrond) was de catastrofe nog niet voorbij. Nadat de legionairs bij de smeulende tempelruïne een offer hadden gebracht aan hun adelaars, vernietigden ze de wijken ten westen en ten zuiden van de tempel, daalden af naar de Benedenstad (de huidige Joodse Wijk), waar Simon bar Giora nog altijd de macht had. Na die te hebben verwoest, trokken de legionairs naar de Bovenstad (de Armeense Wijk) en bouwden een dam naar het paleis waar ooit de Romeinse procurator had gewoond. Dit keer was er minder tegenstand van de uitgeputte verdedigers. Op 8 september was de hele stad, of wat daarvan restte, in Romeinse handen.

De Joodse leiders trachtten te ontkomen door rioleringen en andere onderaardse gangen, maar omdat de uitgangen waren geblokkeerd, moesten ze ook gangen graven, wat niet altijd lukte. De eerste die zich door de honger gedwongen overgaf was Johannes van Gischala. Daarna was het de beurt aan Simon bar Giora en Josephus houdt weer relevante informatie achter:

Lees verder “De ondergang van Jeruzalem”

Illegale handel, alweer

Het voorbeeld is wat verouderd maar wel duidelijk: als je in pakweg 1990 op straat in Amsterdam een fiets kocht voor vijfentwintig gulden, dan wist je zeker dat die was gestolen. Je was dus heler. Geen Amsterdammer wist dat niet. Ik moest daar even aan denken toen ik op de website van de NOS las over een kunstverzamelaar die roofkunst teruggeeft aan het land van herkomst, China.

Henk Nieuwenhuys wilde niet langer naar zijn stukken kijken, toen bleek dat de papierwinkel van zijn kunstaankopen niet op orde was. Hij brengt zijn verzameling nu terug naar China en schenkt de collectie aan het Shanghai Museum.

Toen bleek dat de papierwinkel van zijn kunstaankopen niet op orde was? Ik ben geen expert in Chinese kunst, maar ik heb in Londen weleens een Iraanse IJzertijd-ring gekocht en neem van mij aan: daar kwam wat papierwerk bij kijken. Er stond keurig netjes op uit welke opgraving het voorwerp kwam en er was een verwijzing naar de exportvergunning die de regering van zijne keizerlijke majesteit de sjah had afgegeven voor de vondsten uit die opgraving. Dat zal bij de handel in Chinese oudheden niet anders zijn.

Lees verder “Illegale handel, alweer”

Tisha b’Av

Maquette van het tempelcomplex met de burcht Antonia rechts (Israel Museum, Jeruzalem)

[Dertiende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Op de honderdste dag van de belegering van Jeruzalem (plattegrond), 24 juli, waren de Romeinse belegeringsdammen zo dicht bij het tempelterras gekomen dat de Joden zelf een van de zuilengangen aan de vlammen prijsgaven. Drie dagen later volgde een tweede, maar het hielp niet veel. De Romeinen naderden gestaag, en op 8 augustus bereikten ze het tempelplein. Josephus meldt dat de hoogste officieren op de volgende dag met elkaar overlegden en dat Titus besloot dat de Romeinen de tempel niet in brand zouden steken. Maar op 10 augustus 70 gebeurde tijdens een gevecht het onvermijdelijke:

Zonder op een bevel te wachten en zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn daad greep een soldaat, als door een bovenmenselijke hand gestuurd, een stuk hout. Hij klom op de schouders van een medesoldaat en slingerde het brandende projectiel tegen een gouden deurtje dat toegang verschafte tot de tempelvertrekken aan de noordkant. Zodra ze het vuur zagen oplaaien, steeg er onder de Joden een navenant geschreeuw op. Ze renden erop af om de zaak te redden zonder ook maar één moment aan het gevaar voor hun eigen leven te denken of hun krachten te sparen, nu ze zagen dat het gebouw dat ze altijd zo energiek hadden bewaakt, met verwoesting werd bedreigd.

Titus lag net in zijn tent uit te rusten, toen er haastig iemand naar hem toe kwam om hem het bericht vertellen. Hij sprong onmiddellijk op en rende naar de tempel om het vuur tot staan te brengen. (Josephus, Joodse Oorlog 6.252-254; vert. Wes/Meijer)

Dit verhaal, met de suggestie dat God de tempel zelf in brand zou hebben gestoken, is vrijwel zeker onwaar.

Lees verder “Tisha b’Av”