Ik geef toe: het plaatje hierboven is niet bijster informatief. U ziet een heuvel waar een lange gang in is gegeven. Meer is het niet, daar in Karanovo in Bulgarije. Als ik het een naam moest geven, zou ik het een trench noemen, wat net niet helemaal hetzelfde is als het Nederlandse “geul” (want die ontstaat door spoelend water) of “sleuf” (want die is smaller). Ik noem het dus maar een trench en deze trench vormde het begin van een belangrijke opgraving.
Stratigrafie
De enorme heuvel bij Karanovo (niet te verwarren met de even verderop gelegen grafheuvel) is te beschouwen als een tell, waarin diverse woonlagen boven elkaar lagen. Werd een dorp verwoest, bijvoorbeeld door een aardbeving, dan bouwden de overlevenden nieuwe huizen bovenop de oude, zodat die heuvel hoger werd. Herhaal dat enkele keren en je hebt een stevige bult. Als een archeoloog die bult van bovenaf neerwaarts gaat uitgraven, zijn de diverse bewoningslagen echter niet goed herkenbaar. Een trench helpt om vat te krijgen op de stratigrafie. Zie het onderstaande, iets informatievere plaatje.
Munt met de komeet van de Divus Julius (Teylers Museum, Haarlem)
Als ik de oude formule aanhaal met de namen van de consuls, namelijk Julius Caesar en Marcus Antonius, en als ik vertel dat we ons dus bevinden in het jaar 44 v.Chr., en als ik toevoeg dat het begin mei zal zijn geweest, dan weet u dat dit het laatste blogje moet zijn in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” En dat is iets heel bijzonders.
Maar eerst even terug naar de zogeheten “valse Marius”, waarover we het in augustus hebben gehad. Die avonturier had zich, toen Caesar in Spanje was, aangediend als achterneef van de dictator en had aanzienlijke steun weten te verwerven, zelfs binnen Caesars familie. Bij Caesars terugkeer was de man even luid toegejuicht als de zegevierende generaal, die hem uit Italië had weggestuurd. Ik constateerde al dat het een vorm van naïef positivisme is om het oordeel van de bronnen, dat de man een charlatan was, zomaar over te nemen. We weten het gewoon niet.
Jaren, jaren geleden ben ik eens met drie Griekse vissers, broers, de zee opgegaan om in de vroege ochtend de netten leeg te halen. Hoewel het bootje was voorzien van sonar, had het iets tijdloos. Eeuwenlang zijn mensen in kleine scheepjes de Egeïsche Zee opgegaan, eeuwenlang hebben duikers parels gezocht op de bodem van de Rode Zee en de Perzische Golf, eeuwenlang is gevist in de Zwarte Zee. Nog steeds gebruiken vissers werpnetten, fuiken en hengels – ik blogde er anderhalf jaar geleden eens over. Nog steeds is er werk voor scheepsbouwers en nettenmakers. Natuurlijk zijn er ook allerlei zaken veranderd, maar het is makkelijk voorstelbaar dat een moderne en een antieke Griekse visser elkaar zouden begrijpen als ze spraken over de mogelijkheden en problemen van hun vak.
Problemen
Tot de problemen behoorde dat de diverse bekkens van de Middellandse Zee eigenlijk niet zo geschikt zijn voor de visserij. (Had ik al gezegd dat het verkreukelde Middellandse Zee-gebied het de bewoners lastig maakt?) Wat je als visser het liefste hebt, is een ondiepe zee vol plankton, zoals de Doggersbank, maar de voor-westerse wereld kende die niet. Verder wil je stevig wat doorstroming, zodat het water zich ververst, maar dat is eigenlijk alleen aan de Bosporus en bij Bizerte (Hippo Diarrhytus) het geval. Die zijn dan ook beroemd om de visvangst.
We moeten het weer eens hebben over Spanje, een land waarvoor ik mijn oude liefde begin te hervinden (en waarheen ik volgend jaar een reis organiseer). Meer in het bijzonder wil ik het hebben over bovenstaande stèle uit de Late Bronstijd, die ik fotografeerde in het mooie archeologische museum in Madrid, en die ooit stond in Magacela bij Badajóz.
Zulke stenen monumenten zijn overal in Europa gevonden, en zijn eeuwenlang vervaardigd. Ik heb weleens geblogd over een soortgelijke stèle uit Ategua. Die markeert vrijwel zeker het graf van een krijger, en het is natuurlijk aantrekkelijk ook bovenstaand, obeliskvormig monumentje zo te interpreteren. We zien duidelijk een mens met een speer in de hand en aan zijn voeten een rond schild. Op zijn hoofd lijkt hij een helm te hebben met twee hoorns, een type dat we in elk geval uit het oostelijk bekken van de Middellandse Zee kennen uit de Zeevolkentijd (kijk maar).
In onze reeks over Alexander de Grote heb ik een tijdje geleden verteld hoe de Macedoniërs in de zomer van 331 v.Chr. oprukten naar het door de Perzische koning Darius III Codomannus uitgekozen slagveld ten oosten van de rivier de Tigris. Al eerder had ik verteld hoe de slag bij Gaugamela verliep, dus ik neem vandaag de draad van het verhaal op ná Alexanders overwinning en de aftocht van zijn tegenstander. (Als u denkt dat Darius is gevlucht, heeft u de de film van Oliver Stone gezien en geen goed geschiedenisboek gelezen.)
Verliescijfers
Net als na de gevechten aan de Granikos en bij Issos, noteerden de officieren op de dag na de slag het aantal mannen dat niet aanwezig was op het appel. Ook maakten ze een schatting van het aantal gedode vijanden. Alexanders biograaf Curtius Rufus schrijft dat er 40.000 Perzen sneuvelden, “althans volgens de berekeningen van de overwinnaars”, terwijl minder dan 300 Macedoniërs zouden zijn gevallen. De Griekse geschiedschrijver Diodoros verdubbelt de cijfers, namelijk 90.000 en 500, terwijl de anders redelijk nuchtere Arrianus schrijft:
De Palatijnse Anthologie is, zoals het tweede deel van de titel al aangeeft, een bloemlezing van teksten, meer precies Griekse gedichtjes. Het eerste deel van de titel verwijst naar de Paltz (in humanistenlatijn: Palatinatus), waar het Byzantijnse poëziemanuscript in kwestie zich ooit bevond in de bibliotheek van Heidelberg. Tot de vele in de verzameling opgenomen epigrammen behoort ook een korte ode aan de tempel van Artemis van Efese op naam van de vrijwel vergeten hellenistische dichter Antipatros van Sidon.nootPalatijnse Anthologie 9.58. Hij vergelijkt het heiligdom met zes andere monumenten, en zo introduceert hij het concept van de “zeven wereldwonderen”, waarvan zijns inziens de tempel in Efese dus het mooiste is.
Het eerste monument dat hij noemt, is de stadsmuur van Babylon, waarvan hij zegt dat die gebruikt kan worden als weg voor wagens. Dat heeft Antipatros wellicht ontleend aan Herodotos van Halikarnassos, die het volgende weet te vertellen over de muur.
[Laatste van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
In de Archaïsche Periode koloniseerden de Grieken het zuiden van Italië, een episode die wij Magna Graecia noemen, in navolging van de Romeinen. De Grieken spraken zelf niet over één geheel, Μεγάλη Ελλάς: zij zagen hun nederzettingen als aparte entiteiten, aangezien er ook geen overkoepelend gezag bestond.
Tarente
Het huidige Tarente was een Spartaanse kolonie, Taras genaamd. De stichting is uitvoerig door Strabon van Amaseia beschreven: ze wordt traditioneel gedateerd op 706 v.Chr. De meest plausibele oorsprong van de naam is dat ze gewijd is aan de halfgod Taras, zoon van Zeus, maar de nabije rivier Tara is een andere mogelijkheid. Bijzonder aan deze kolonisatie is dat ze een nieuwe thuis gaf aan de Partheniai, buitenechtelijke Spartanen die geboren waren terwijl de legitieme mannen aan het front waren tijdens de langdurige Messenische oorlogen. Hun leider was de (half-mythische) Falantos, zelf een dergelijke “buitenechtelijke”.
[Vierde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
Was het nu Iapygië, Messapië of Calabrië?
Hoewel er dus verschillen zijn in de grafculturen van de drie sub-volkeren van Apulië, en hoewel ze in de oude bronnen afzonderlijk worden benoemd, zijn er ook overeenkomsten, zowel in de materiële cultuur en de taal. We kunnen ons afvragen of Iapygiërs en Messapiërs niet gewoon synoniemen zijn, terwijl Daunië en Peuketië aanduidingen kunnen zijn voor een streek, waarbij die laatste dan een denigrerende Griekse term kan zijn. Ettore Maria de Juliis is echter stellig dat de diverse culturen met hun specifieke benaming zich gescheiden hebben ontwikkeld, aangezien de diversiteit in grafculturen gepaard gaat met variaties in de inscripties. In een artikel uit 2004 beschrijft hij hoe vanaf de zevende eeuw v.Chr. de eenheid van Iapygië verloren gaat en zich drie subregionale culturen ontwikkelen.
Simona Marchesini bevestigt de taalvariatie, en kadert die in een Griekse invloed:
De Apulische (noordelijke) alfabetvariant ontstond ongeveer twee eeuwen later dan de zuidelijke, Salentijnse variant. … Als verklaring voor deze chronologische kloof wordt soms een bewuste culturele distantie verondersteld van de noordelijke bevolkingen ten opzichte van die in het zuiden. De elites van de Dauniërs en Peuketiërs waren duidelijk vertrouwd met de Griekse cultuur, wat blijkt uit de rijk geïllustreerde Apulische keramiek met scènes uit de Griekse mythologie en tragedie (vijfde/vierde eeuw v.Chr.). Dit wijst op een sterk geaccultureerde regio.
Uit wat Strabon van Amaseia vertelt, kunnen we afleiden dat het onderscheid tussen Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs in zijn eigen tijd, eind eerste eeuw v.Chr., geen rol meer speelde. De lokale bevolking zou die namen zelf niet meer gebruiken. Wél was er intussen in de hak van Italië, het oude Messapië dus, een onderscheid ontstaan tussen de noordelijke Salentijnen en de zuidelijke Calabriërs. Ook andere auteurs gebruiken “Calabriërs” als alternatieve naam.
Voor de oplettende lezer is deze vermelding van Calabriërs wat verwarrend omdat we vandaag de ganse hak van Italië “Salento” noemen, terwijl “Calabrië” de huidige naam is van de voorvoet in de Italiaanse laars. Dat komt doordat de Byzantijnen later Calabrië als overkoepelende naam voor Zuid-Italië gebruikten; omdat op dat moment enkel de teen van Italië nog onder hun invloed was, bleef die naam daaraan kleven.
Economische en sociologische inzichten
Volgens Strabon was het Iapygische landschap tamelijk vruchtbaar, althans in zijn tijd, dus het begin van onze jaartelling. Ondanks die geschikte grond voor landbouw en veeteelt, was de streek ontvolkt geraakt en waren er behalve Brindisi en Bari geen noemenswaardige steden. In de eerdere bloeitijd waren dat er volgens Strabon nog zeker dertien geweest.
Apulisch beeldje van een varken (Museo Civico, Milaan)
De Juliis beschouwt de landbouw als grootste bron van de Iapygische welvaart, geïntegreerd met veeteelt:
Schapen en varkens in de bergachtige en heuvelachtige gebieden van de Daunische sub-Apennijnen en de Alta Murgia, paarden op de vlaktes van Daunia en Messapia.
Verder weten we dat de olijfboom in het eerste millennium al was gedomesticeerd. De Juliis beschrijft de dorpen als volgt:
Laagland- of heuvelnederzettingen bestonden uit groepen hutten verspreid over grote gebieden, terwijl kustnederzettingen een compactere structuur vertonen. De hutten waren gebouwd met palen, takken en riet en waterdicht gemaakt met lagen kleiachtige modder.
Het archeologisch materiaal toont dat de Iapyiërs ingebed waren in bredere handelsnetwerken. Dankzij de strategische ligging fungeerde Iapygië als een scharnier tussen de Adriatische Zee en de Egeïsche wereld, een functie die al teruggaat tot de Bronstijd. Contacten met Mykeense en latere Griekse gemeenschappen beperkten zich niet tot louter import, maar leidden ook tot overdracht van technieken. Volgens De Juliis voldeden de ambachtslieden vooral aan interne behoeften en zorgden ze voor een grote autonomie. Bij de Dauniërs leidde de productie van hoogwaardige artefacten zelfs tot export.
Tegelijk ontwikkelden de Iapygiërs geen uitgesproken maritieme handelsmacht naar Grieks model, noch een expansief koloniaal netwerk. Hun economie lijkt eerder te hebben gefunctioneerd als een intermediair systeem: lokaal verankerd in agrarische productie, maar open naar externe invloeden en uitwisseling.
Over de sociale structuur zegt De Juliis:
We kunnen met de nodige voorzichtigheid stellen dat in de vroege IJzertijd nog geen sterke klassevorming bestond. Het is waarschijnlijker dat sociaal ongedifferentieerde groepen werden geleid door “chiefs”, die het economische overschot van de gemeenschap samenbrachten, gebruikt in een kleine gezinsomgeving voor de aankoop van prestigieuze goederen.
Nochtans zou het zou op basis van de diversiteit en soms rijke graven, gerechtvaardigd lijken uit te gaan van een sociale elite en een zekere mate van gelaagde organisatie.
[Derde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
Het vorige stukje eindigde met de constatering dat er drie stammen vielen aan te wijzen: de Dauniërs, de Peuketiërs en de Messapiërs.
Dauniërs
Tot de belangrijkste vondsten van dit ondervolk, dat we in het noordwesten moeten plaatsen, behoren de Daunische stèles, gebeeldhouwde stenen blokken uit de zesde eeuw v.Chr., gevonden op de zuidelijke vlakte van Siponto, nabij Manfredonia, en nu bewaard in onder meer het Nationaal Museum van die stad. Ze stellen sterk gestileerde mannelijke en vrouwelijke menselijke figuren voor en waren verticaal in de grond bevestigd, net zoals de begraven mensen die zij afbeeldden. Ook andere afbeeldingen kwamen voor.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.