“De burger moet betalen, niet méér”

559 Australische dollars is ongeveer 350 euro. Dat is dus de prijs voor een boek waarin onderzoekers de informatie uit gespecialiseerde academische artikelen voor anderen ontsluiten, opdat anderen er ook nog eens van profiteren. De eigenlijke artikelen liggen achter betaalmuren. Als de materie toegankelijk wordt gemaakt, is het resultaat, zoals we in dit voorbeeld zien, volslagen onbetaalbaar.

Ondertussen kan, doordat betrouwbare informatie ontoegankelijk blijft en verouderde inzichten via digitaliseringsprojecten beschikbaar komen, desinformatie zich makkelijker verspreiden dan wetenschappelijke informatie. Bad information drives out good. Je hoort vaak praten over open access en dat is goed, maar het is slechts een deelprobleem. Het echte probleem is hoe we de schade die de afgelopen jaren aan de publieke kennis is toegebracht, teniet kunnen doen. Zonder dat ik claim precies te weten hoe het moet, weet ik wel dat er goede ideeën zijn. Dáárover moeten we praten.

Lees verder ““De burger moet betalen, niet méér””

Educatieve almachtsfantasieën

Kind op weg naar school (reliëf uit Neumagen, nu in het Rheinisches Landesmuseum, Trier)

Als een kandidaat-Kamerlid, Sidney Smeets van D66, je vraagt wat een volgend kabinet zou kunnen doen op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschap, dan probeer je een antwoord te geven. Hier dus wat almachtsfantasieën – wat zou ik doen als ik een regeerakkoord zou schrijven?

Om te beginnen: erkennen dat er een probleem is en dat dit een algemeen maatschappelijk probleem is. Er zijn talloze organisaties die wijzen op allerlei belangrijke kwesties, maar de kern van de zaak is onderschatting van het belang van kennis. Dit uit zich op allerlei manieren. Het kan gaan om talkshows die pseudowetenschappers ongestoord laten kletsen, het kan gaan om het gemak waarmee het kabinet bepaalt dat de musea twee weken dicht moeten, het kan gaan om universiteiten die hun inzichten verbergen achter betaalmuren, het kan gaan om een minister-president die geen sociologische verklaringen wil horen voor iets dat nou net een sociologisch vraagstuk is.

Minachting voor kennis is de kern van de zaak. Als een kabinet dat erkent, kan het maatregelen nemen.

Lees verder “Educatieve almachtsfantasieën”

Ongeveer zeven gedachten over inclusiviteit

Zaterdagavond zag ik de film Apollo 11, over de eerste maanlanding. Het viel me op dat er nauwelijks vrouwen en kleurlingen in beeld kwamen. Dat is geen verwijt aan de film, wel een constatering over mijn perceptie: ik verwacht bepaalde mensen te zien en het valt me op als die ontbreken. Ik neem aan dat iedereen langzamerhand die ervaring heeft. Niemand zal verbaasd zijn dat als thema voor de volgende Week van de Klassieken “de inclusieve Oudheid” is genoemd.

Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Soms denk ik “goed idee”, even vaak denk ik “geen goed idee”. Dat betekent dus dat het thema interessant is, maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat het een thema is waarmee je het belang van de klassieken kunt uitleggen. Hieronder wat losse gedachten en afwegingen.

Lees verder “Ongeveer zeven gedachten over inclusiviteit”

De tweede lijn, en waarom die belangrijk is

Niet per se een christen

Stel u het volgende voor. Een kosmoloog stelt de waarde van de kosmologische constante vast. Groot nieuws! De journalist die erover schrijft, begint dan vermoedelijk te vertellen waarom dit wetenschappelijk een probleem is en dat er diverse benaderingen zijn. Vervolgens legt hij uit wat de ontdekking is en wellicht geeft hij aan welke ideeën andere onderzoekers hebben. Misschien dat de journalist de volgorde van deze delen – probleem, benaderingen, oplossing, verdere gedachten – aanpast, maar dit is het ongeveer.

Wat de journalist niet doet is schrijven dat het Scheppingsverhaal, dat tot in de negentiende eeuw voor veel mensen het antwoord vormde op alle kosmologische vragen, achterhaald is en vervolgens niet vertellen wat nu feitelijk is ontdekt. Religieuze beeldvorming speelt in de wetenschap geen rol. Dat is echter wel waartoe Bart Funnekotter is gedwongen als hij (in dit artikel in het Handelsblad) schrijft over het proefschrift van de Leidse classica Renske Janssen. Wat we uit Funnekotters stuk vernemen is dat de christenen in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling niet zijn vervolgd op de wijze zoals we zouden opmaken uit christelijke teksten. Eerst worden we dus aangesproken via verouderde religieuze beeldvorming, daarna vernemen we dat die niet klopt, maar wat Janssen nu feitelijk toevoegt aan wat al bekend was, blijft enigszins onduidelijk.

Lees verder “De tweede lijn, en waarom die belangrijk is”

Spijkers op laag water

Ik beheer een grote oudheidkundige website (Livius.org) en een blog. Dat levert me honderden mailtjes met vragen op. De vragen komen vaak voort uit misverstanden en in 2009 heb ik geïnventariseerd welke er nu werkelijk bestaan. Conclusie één: pseudowetenschap is een beperkt probleem, het echte probleem is dat academische oudheidkundigen het grote publiek verouderde informatie toewerpen.

Ik heb mijn antwoorden benut in Spijkers op laag water, een boekje dat in feite bestond uit het aan elkaar schrijven van de frequentst gegeven antwoorden. Het echte werk zat in het nawoord, waarin ik uitlegde dat oudheidkundigen zoveel verouderde informatie rondpompen doordat het vakterrein versplinterd is geraakt in veel te beperkte specialismen, zodat mensen bij een typische generalistenactiviteit als voorlichting terugvallen op handboekenkennis die inmiddels achterhaald is. Verder attendeerde ik op de schade die door academische betaalmuren werd toegebracht: bad information drives out good. Hieronder vindt u het voorwoord dat ik destijds schreef.

Lees verder “Spijkers op laag water”

Veel geschreeuw en weinig wetenschap (3)

Woerden, Drive-in Museum: een goed voorbeeld van eerstelijns-voorlichting… maar er is geen tweede lijn.

[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]

Junk news en aanverwante problemen

Je hebt fake news en junk news. De eerste categorie is het bekendst: onjuiste informatie, niet per se moedwillig verspreid, zoals de opmerking eerder dit jaar in De Volkskrant dat er in Nederland geen Romeinse ruïnes zichtbaar zijn. Het waren niet alleen Heerlenaren die zich ergerden.

Ergerlijk als fake news is, is het minder problematisch dan junk news. Dat is een platte boodschap die zó vaak wordt herhaald dat mensen de echte informatie niet meer vinden kunnen. Bad information drives out good. Dit is hét centrale probleem voor de limes: waar je ook zoekt, je vindt steeds dezelfde flauwe informatie en het echte verhaal is onvindbaar. We bieden veel geschreeuw en tonen weinig wetenschap.

De onvindbaarheid van de juiste informatie wordt versterkt door de “tweede trechter”. Een trechter is een metafoor om aan te geven hoe mensen naar inzicht brengt: je trekt eerst hun aandacht en leidt ze steeds verder naar de eigenlijke informatie. Je kunt ook de metafoor gebruiken van een ladder waarlangs je opklimt richting wetenschap.

Vanouds hebben we bladen als Archeologie Magazine en Hermeneus, de Week van de Klassieken, voortreffelijke musea en lesprogramma’s voor de scholen. Perfect is het niet, maar de mensen weten de weg naar deze informatie te vinden en de betrokkenen kunnen hun positie benoemen in het grote gebouw der humaniora. Ze kunnen duidelijk maken waarom de geesteswetenschappen maatschappelijk belangrijk zijn, waarom een vakopleiding nut heeft en welke betekenis archeologie heeft voor onze cultuur.

De limes-organisaties hebben deze structuur grotendeels genegeerd: naast de Week van de Klassieken is er een Romeinenweek gekomen. Je kon nog beweren dat de eerste ging over de Oudheid en de tweede over de Nederlandse Oudheid, maar volgend jaar is het thema “de vrouw”, waarbij dit onderscheid onmogelijk is. Het thema valt immers alleen te behandelen door de gegevens te halen uit Italië. Dan heb je twee keer hetzelfde evenement.

(Tussen haakjes wijs ik erop dat we hier een voorbeeld hebben van eclecticisme: je kunt een vraag niet beantwoorden, haalt informatie dus van elders en neemt maar aan dat wat daar en toen gold, ook voor jouw regio en tijdperk geldt. Als het doel is een zo breed mogelijk publiek zo snel mogelijk te voorzien van adequate informatie, is dat laatste mislukt. Het zal worden herkend en het zal de scepsis verder versterken.)

Andere voorbeelden van verdubbeling: online hebben we een educatief platform over de limes naast Quamlibet, het platform dat classici en historici al gebruiken. Het zou makkelijker zijn geweest alles op één al vertrouwd punt onder te brengen. Verder herhalen de diverse limes-websites vrijwel allemaal dezelfde informatie – allemaal eerstelijns en nooit Web 2.0. Afhankelijk van wie je vraagt zijn er nu vier of zes limes-fietsroutes. Ze zijn niet identiek maar het kon efficiënter.

Kortom: goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap. De dubbele trechter maakt het nog verwarrender. Het kan dus efficiënter.

Aanbevelingen

Triest als het is: er zijn voldongen feiten. Die zijn niet allemaal slecht maar er is ruimte voor verbetering. Het moge duidelijk zijn dat ik ervoor pleit dat we naast de eerste lijn een tweede lijn openen, opdat we geïnteresseerden niet langer afstoten. Dat betekent:

  1. Het wetenschappelijk proces moet uitgelegd. Hoe weten we wat we weten? Waartoe dient dat? Wat is het belang van kennis van archeologie, limes, humaniora? Dit uitleggen heeft als voordeel dat je belet dat een olijke staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat ’ie moet met musea vol opgegraven potten en pannen.
  2. Leg uit waarom de omkering van het Gelderse geschiedbeeld excess empirical content oplevert en een verbetering is. Of misschien moet ik zeggen: excess educational content. Het voordeel is dat je scepsis vóór bent.
  3. Toon hoe de limes, als onderdeel van de geesteswetenschappen, helpt onze eigen denkbeelden te doorgronden. Gebruik de Romeinse noties over de grenzen van het imperium om de betrekkelijkheid van de eigentijdse (op de negentiende eeuw teruggaande) noties over territoriaal begrensde staten te begrijpen.
  4. Overschat je eigen kennis niet want de academische opleidingen zijn sinds de jaren tachtig te kort. Werk dus samen met wetenschapscommunicatoren, classici en historici. Bedenk hierbij dat het grote publiek de academische specialismen niet (h)erkent. (Een archeoloog die spreekt over veenlijken, krijgt te maken met een publiek dat deze vondsten interpreteert met behulp van TacitusGermania en een classicus die spreekt over die tekst, krijgt vragen over het Meisje van Yde.) Het voordeel van samenwerking is dat ook anderen je inzichten verspreiden.
  5. Vermijd junk news en fuseer de trechters. Als de Romeinenweek samengaat met de Week van de Klassieken is het voordeel dat een evenement ontstaat dat er echt toe doet. Voor Romeins Nederland is het beste nieuws in tijden dat het Rijksmuseum van Oudheden een conservator voor Nederland in de Romeinse Tijd heeft gekregen, zodat de gangbare trechter is versterkt.
  6. Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden.

Veel geschreeuw en weinig wetenschap (2)

Gereconstrueerde wachttoren (Vechten)

[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]

De omgekeerde volgorde

Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.

Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol toegewezen zouden hebben gekregen. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De eerste echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten nu opgezadeld met voldongen feiten.

Lees verder “Veel geschreeuw en weinig wetenschap (2)”

Veel geschreeuw en weinig wetenschap (1)

Nijmegen op de Peutinger-kaart: Nijmegen zou het logische venster in de canon zijn geweest

[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing zal niets bieden wat niet allang bekend is: de voorlichting over de limes is contraproductief, omdat steeds dezelfde, vlakke boodschap wordt herhaald. Zo versterken de limes-organisaties juist bij de meer geïnteresseerde mensen de indruk dat het intellectueel weinig voorstelt en jagen ze precies die doelgroep weg die cruciaal is om de bewustzijnsverandering tot stand te brengen. De cruciale fout is dat men steeds uitgaat van wat de betrokken partijen toevallig in de aanbieding hebben, terwijl het vertrekpunt vanzelfsprekend de informatiebehoefte van het publiek behoort te zijn. Dat wist u allang, dus doorlezen op eigen risico.]

Het is als met de kruipolie die maakt dat een machine soepel draait: alles gaat beter als de informatie waarop we ons baseren accuraat is. Onderzoekers speuren naar die informatie en is deze eenmaal verworven, dan is het zaak haar zo snel en adequaat mogelijk over te dragen aan zoveel mogelijk mensen. Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd.

Archeologen werken vanouds samen met musea en doen hun overdracht zo beroerd niet, maar er is verbetering mogelijk. Daarbij is de crux: het gaat om de informatiebehoefte van de ontvangers en niet om wat de zenders toevallig hebben te bieden. Bij zenders kunt u denken aan universiteiten, musea, stichtingen, re-enactors, journalisten, erfgoedhuizen en wat dies meer zij.

Lees verder “Veel geschreeuw en weinig wetenschap (1)”

MoM | Niet populariseren maar communiceren

Vroeger zeiden ze vervoer. Daarna zeiden ze transport. Vervolgens noemden ze het logistiek. En nu doet een bedrijf aan logistics. Ondertussen doen die bedrijven, voor zover ik weet, precies hetzelfde. Zo is het meestal met naamsveranderingen, dus het zij u vergeven als u denkt dat elke naamsverandering gebakken lucht is. Soms is er echter wel degelijk iets aan de hand: human resource management is echt iets anders dan het aloude personeelszaken. En wetenschapscommunicatie is echt een andere vorm van overdracht dan populariseren.

Het grote verschil is dat de popularisator sprak maar niet luisterde. De wetenschapper die zijn inzichten wilde delen was als een radiostation dat een boodschap de wereld instuurde; het publiek was daarbij de passieve ontvanger. Hierbij werd de boodschap vereenvoudigd: er was een kloof tussen de universiteit, waar een zeer kleine groep mensen lang had kunnen studeren, en de overgrote, minder lang geschoolde burgerij. Vereenvoudiging was noodzakelijk.

Lees verder “MoM | Niet populariseren maar communiceren”

MoM | Over wetenschapscommunicatie

Het leuke van een eigen blog is dat je kunt doen en laten wat je zelf wil. Vandaag dus een “Methode op Maandag” die niet gaat over methode, al heeft dit stukje daarmee gemeen dat het geen “schrijven over de Oudheid” is maar “schrijven over oudheidkunde”. Ik had namelijk een beknopt overzichtje nodig waarin alles over online-voorlichting over de Oudheid bij elkaar staat. Vandaar. Voor de vaste lezers van deze blog vertrouwde stof.

***

Om te beginnen: de opkomst van het internet heeft de ontwikkeling van de wetenschapscommunicatie versneld. In de jaren tachtig gold nog dat er sprake was van een “zender” (de wetenschapper), die zijn inzichten “populariseerde” ten behoeve van de “ontvangers” (de burgers), maar dat is inmiddels achterhaald – en was dat eigenlijk destijds al. Dat oude populariseren wordt tegenwoordig vooral sarcastisch aangeduid met een knipoogje naar de Rijdende Rechter: “dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen”.

Wat schort eraan?

De tweede lijn

Er is al sinds de jaren zestig een overaanbod aan informatie en dat dwingt iedereen selecties te maken. Dat heeft een gevolg voor de receptie van de informatie: het publiek is niet langer een passieve ontvanger maar een actieve selecteerder. Er zijn wat theorieën met gruwelnamen als PUS en PAS en PES en PPS, en het is u vergeven als u die wil vergeten, maar samengevat komen ze er allemaal op neer dat de wetenschap een stap extra moet zetten om te tonen wat haar aanbod beter maakt dan andere vormen van informatie. We moeten uiteraard de conclusies presenteren (de “eerste lijn”) en we moeten dat doen waar mensen die vinden (hier dus, waar u dit nu leest, op het internet), maar we moeten óók inzicht verschaffen in het wetenschappelijk proces. Ik verwijs maar weer eens naar Tussen onderzoek en samenleving (2013).

Eén aspect is uitleg van de methode. Dat hoeft voor het publiek niet de eerste kennismaking met het vak te vormen, maar deze informatie – de tweede lijn – behoort in een professionele voorlichting wel beschikbaar te zijn. Met een muisklik. Van een wetenschap die dit nalaat, zullen mensen denken dat er geen methode is, dat een wetenschappelijke opleiding overbodig is en dat iedereen kan bijklussen. Dan roep je het dilettantisme over je af en elke oudheidkundige heeft daarmee ervaring.

De noodzaak uit te leggen wat wetenschappers doen komt niet alleen voort uit de noodzaak te concurreren met andere bronnen van informatie, maar ook uit de snelle groei van het aantal hoogopgeleiden, die een hoge informatiebehoefte hebben. Blijft deze onbeantwoord, dan gaan ze zelf op zoek naar informatie en als dan niet is getoond hoe de geesteswetenschappen functioneren, is de kans reëel dat ze een kwakhistorische theorie aanvaarden en uitgroeien tot wetenschapssceptici. Dat aan het begin van deze eeuw het negentiende-eeuwse, allang weerlegde frame herleefde dat het oude Nabije Oosten mystiek, religieus en despotisch is geweest en dat het westen rationeel, humanistisch en democratisch was, hangt ermee samen dat de oudheidkundige wetenschapsvoorlichting niet met het publiek is meegegroeid.

De derde lijn

Overigens snijd je niet alle scepsis de pas af door het wetenschappelijk bedrijf uit te leggen. Het is namelijk helaas niet waar dat mensen de conclusies van de wetenschap vanzelf aanvaarden als hun “science deficit” eenmaal is verholpen. Een deel van de scepsis komt voort uit onwil te aanvaarden dat de wetenschappelijke methode werkelijk de meest redelijke is. Of liever gezegd: de minst onredelijke.

De reden van deze onwil is meestal dat mensen om een of andere reden bezorgd zijn. De Iraanse nationalisten die (in lijn met de propaganda van de laatste sjah) menen dat de Cyruscilinder een mensenrechtendocument is, worstelen nog met de trauma’s van de Iraanse Revolutie. (De kwestie is trouwens weer actueel.) De afrocentristen of afrikanisten, die menen dat Egypte een “zwarte” cultuur is geweest waar een flink deel van de Mediterrane culturen ideeën aan heeft ontleend, hebben te maken met een alleszins reële achterstelling op de arbeidsmarkt. De Jezusmythicisten, die denken dat Jezus een mythisch figuur was, maken zich zorgen over religieus fundamentalisme. Deze mensen vinden elkaar op eigen internetfora, delen uit het informatieoveraanbod dezelfde gegevens en versterken elkaar.

Er is daarom een derde-lijns-informatievoorziening nodig, die erop is gericht de discussie over de bezorgdheid te scheiden van de wetenschappelijke discussie. Dat moet je doen in een persoonlijk gesprek. Een mooi voorbeeld is hoe de bioloog Ronald Plasterk de tijd nam om Andries Knevel uit te leggen dat de evolutieleer niet betekende dat God geen zorg voor de mensen zou hebben.

Drie dingen staan als een paal boven water:

  1. Om een wetenschappelijke discipline ten gronde te richten, volstaat het de voorlichting te beperken tot presenteren van de inzichten; de mechanismen waarmee scepsis groeit, zullen de rest doen.
  2. Het gaat natuurlijk sneller als je je vak überhaupt niet uitlegt of afziet van aanwezigheid op het internet.
  3. Zonder derde lijn van persoonlijke communicatie zullen sceptici een discipline blijven achtervolgen.

De noodzaak een derde lijn te ontwikkelen past slecht bij de huidige universiteit die, zoals ik De klad in de klassieken constateerde, niet de ideale inbedding is voor het maatschappelijk functioneren van de geesteswetenschappen (meer, meer). We moeten in feite een nieuwe kennisinfrastructuur ontwerpen en als we, ontwerpenderwijs, constateren dat de universiteit een geschikte vorm is, bon, maar het bestaan van universiteiten kan niet langer het vanzelfsprekende vertrekpunt zijn van het wetenschapsbeleid.

Bad information drives out good

Ik zie die hervorming er niet komen. Wat we echter minimaal kunnen doen, is stoppen met het online plaatsen van verouderde informatie. U zegt dat dat logisch is en u hebt gelijk, maar Google scant het ene negentiende-eeuwse boek na het andere in en plaatst het online. Als er (populair)wetenschappelijke tijdschriften digitaal beschikbaar komen, betreft het altijd oude jaargangen met verouderde inzichten.

Verder moet actuele informatie even gemakkelijk te vinden zijn als oude. Helaas liggen wetenschappelijke publicaties doorgaans achter betaalmuren, waardoor degene die in een discussie met een kwakhistoricus wil verwijzen naar actuele inzichten, nu al jaren op achterstand staat. Bad information drives out good. Weliswaar zullen de betaalmuren over een paar jaar worden geslecht, maar de VSNU heeft nog geen plan aangekondigd om de verouderde inzichten terug te dringen die de laatste jaren zijn teruggekeerd. Martijn van Calmthout grapte onlangs dat hij de kwestie eens aan de minister zou voorleggen, maar het is triest dat een grapje van een columnist onze enige hoop is.

Geen enkele oudheidkundige is verbaasd over de aanval op de waarheid die we nu onder Trump tot wasdom zien komen. De oudheidkunde is immers de laatste jaren de generale repetitie geweest. Elke oudheidkundige heeft de kloof zien groeien tussen enerzijds de wetenschap en anderzijds een naar verouderde opvattingen en andere onzin terugkerend publiek. Desinformatie is als tandpasta die uit de tube is geduwd: het zal nog een hele klus zijn die erin terug te duwen. We moeten een professionele wetenschapsvoorlichting bouwen.

Onze troeven

Daarbij hebben we geweldige troeven. Om te beginnen vindt iedereen de Oudheid boeiend. Het is nu eenmaal “the age of experiment” waarin alles voor het eerst is gedaan. Het tijdvak trekt weliswaar een hoop pseudowetenschappers, kwakhistorici en sceptici aan, maar hun belangstelling toont ook dat het vak geliefd is.

Nog een troef: slechts weinig disciplines kunnen trots hun data tonen, maar wij hebben geschreven bronnen en allerlei vondsten. Het publiek vindt dat geweldig. De bezoekersaantallen van de Nineveh-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden overtreffen de verwachtingen. Het geweldige is dat we de puzzel waarmee we van die data komen tot onze conclusies, kunnen uitleggen en mensen een reden kunnen bieden om zich verder in ons vak te verdiepen: er is steeds iets interessants te ontdekken.

Kortom, nog is niet alles verloren. Maar we moeten wel eens aan het werk.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]