Arabië anno 650: sterke vrouwen

Een Arabische man en vrouw (Louvre, Parijs)

In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichternoot Nou ja, het lyrische ik natuurlijk, maar dat praat zo lastig. Ik spreek hier gemakshalve maar van ‘de dichter’. herinnert zich het heerlijke samenzijn met een of andere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zichzelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg.

Die duurt echter maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen. Bovendien zijn er nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende huisvrouw, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zó uitvoerig toepast dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.

Rechten

Een vrouw was in die oude wereld niet veel waard. Zij had weinig rechten en zekerheden, zij kon geschaakt, verhuurd, uitgeleend en vererfd worden. En aangerand natuurlijk ook; of hoe zouden we anders moeten noemen wat de beroemd-beruchte dichter Imru al-Qays deed toen hij de tent van een jonge moeder binnendrong die juist haar zuigeling de ene borst gaf, terwijl hij zich ongevraagd op de andere stortte?

Uit niet-poëtische bronnen weten we dat er een soort huwelijken bestond, waarbij een vader of voogd een vrouw vrijwel verhuurde aan mannen. En in hadiths lezen we dat dames ’s avonds in het donker goed ingepakt als groep naar buiten gingen voor hun stoelgang, omdat het bij daglicht en voor een vrouw alleen niet veilig was.

Nieuwe liefdesgedichten

Honderd jaar later, vanaf pakweg 640, worden er nog steeds lange gedichten in oude stijl gemaakt, maar er ontstaan ook aparte liefdesgedichten (ghazal). De vrouw komt daarin vaak naar voren als een hardvochtig wezen, dat de hopeloos verliefde minnaar aan het lijntje houdt en hem gunsten belooft die zij nooit verleent. Zij tracht hem met de pijlen van haar ogen te “doden”, zij doet alsof zij o zo verliefd op hem is en verwijt hem intussen dat hij naar andere vrouwen kijkt.

De man daarentegen lijdt en zucht en klaagt, probeert zich te rechtvaardigen en smeekt haar om een gunst, hoe klein ook. Hij is ziek en uitgeteerd van verliefdheid en de arts (die de geliefde is) wil hem niet helpen, zodat de liefdesdood op de loer ligt.

Maatschappelijke veranderingen

Hoe kwam het tot deze heel andere toon in de poëzie? Wat was er gebeurd? Hoe werden vrouwen zo triomfantelijk en mannen zulke zeurende huilebalken? “Dat kwam door de islam,” zullen veel mensen zeggen. Dat is te slordig uitgedrukt, want wat was de islam anno 650? Die was immers nog lang niet uitgekristalliseerd. De Koran bestond nog niet als boek en iets wat leek op de sharia was nog niet in zicht. Beter is het voor die vroege periode te spreken van de “koranische beweging”.

Het lijkt echter alsof de rechtsregels die in de Koran zouden belanden, toch al circuleerden. Ze misten hun uitwerking niet. Inderdaad hebben die, zoals bekend, de positie van de vrije Arabische vrouw verbeterd. Zij kon niet meer tegen haar wil worden uitgehuwelijkt. Er kwamen regelingen betreffende bruidsschat en verstoting en haar onderhoud daarna. Ze kon geen deel meer uitmaken van een erfenis, maar kon voortaan zelf erven, zij het minder dan een man. Haar getuigenis had enige waarde voor het gerecht, zij het minder dan dat van een man. Dit alles versterkte haar positie.noot Ik hoor het geloei in islamhatend Nederland al: noem je dát verbeteringen? Ja, daar en toen waren het verbeteringen. Dat betekent niet dat het nu niet opnieuw beter kan.

Maar ook het leven van de man was niet meer hetzelfde. Anno 650 waren de Arabieren al twintig jaar doende de halve wereld te veroveren. Dit had geleid tot snelle en drastische sociale veranderingen. De Arabische stammen vochten voortaan niet meer tegen elkaar, maar samen tegen anderen. Vee stelen of vechten met de stam verderop was niet meer gewenst, evenmin als pochen op de deugden van de stam en schelden op een andere. Met het roven, verkrachten of anderszins slecht behandelen van vrouwen viel inmiddels geen eer meer te behalen. Machogedrag kon nog wel volop uitgeleefd worden in de legers die de buitenwereld gingen veroveren, maar op het schiereiland veel minder.

Individualisme

De mobiliteit was dus enorm. Veel Arabieren belandden in veraf gelegen gebieden waar hun vader en grootvader niet eens van gehoord hadden. In de legers trokken zij op met kameraden uit heel andere stammen, die misschien vroeger hun vijanden waren geweest.

Voor mannen én vrouwen gold dat zij individuen werden, niet meer uitsluitend deel van een groep. Dat bood ook gelegenheid tot persoonlijke liefdesbetrekkingen. Het pre-islamitische advies aan een man die aan een geliefde terugdacht: “Vergeet haar, er zijn nog zoveel andere vrouwen,” was niet langer relevant: hij wilde die ene.

De positie van de vrouw werd dus niet alleen sterker dankzij de koranische regels, maar ook doordat de positie van de man zwakker werd. Wat altijd zijn mannelijkheid had uitgemaakt – collectieve bravoure en machogedrag als lid van een stam die hem bescherming bood – was nu voorbij, en dat leidde tot ontreddering, een gevoel van geen man meer te zijn. Mannen die als soldaat de wijde wereld introkken waren natuurlijk mans genoeg, maar zij die in Arabië achterbleven of na een veldtocht terugkeerden, zoals ook onderstaande dichter, vonden hun vertrouwde wereld niet meer terug.

Een voorbeeld

De twee jaar geleden overleden arabiste Renate Jacobi heeft gedichten van Abū Dhu’ayb bestudeerd, een dichter uit de stam Hudhayl, die rond het jaar 640 leefde in Centraal-Arabië. Daarin worden de nieuwe verhoudingen nog veel duidelijker. Hier volgt een aan Abū Dhu’ayb toegeschreven gedicht dat Jacobi heeft behandeld.

١. يَا بَيْتَ دَهْمَاءَ الَّذِي أَتَجَنَّبُ * ذَهَبَ الشَّبَابُ وَحُبُّهَا لاَ يَذْهَبُ
٢. مَا لِي أَحِنُّ إذَا جِمَالُكِ قُرِّبَتْ * وَأَصُدُّ عَنْكِ وَأَنْتِ مِنِّي أَقْرَبُ
٣. للهِ دَرُّكِ هَلْ لَدَيْكِ مُعَوَّلٌ * لِـمُكَلَّفٍ أَمْ هَلْ لِوُدِّكِ مَطْلَبُ
٤. تَدْعُو الحَمَامَة شَجْوَهَا فَتَهِيجُنِي * وَيَرُوحُ عَازِبُ شَوْقِيَ الْـمُتَأَؤِبُ
٥. وَأَرَى البِلاَدَ إذَا سَكَنْتِ بِغَيْرِهَا * جَدْبًا وَإنْ كَانَتْ تُطَلُّ وَتُخْصِبُ
٦. وَيَحُلُّ أَهْلِي بِالـمَكَانِ فَلاَ أَرَى * طَرْفِي لِغََيْرِكِ مَرَةً يَتَقَلَّبُ
٧. وَأُصَانِعُ الوَاشِينَ فِيكِ تَجَمُلاً * وَهُمُ عَلَيَّ ذَوُو ضَغَائِنَ دُؤَّبُ
٨. وَتَهِيجُ سَارِيَةُ الرِّيَاحِ مِنْ أَرْضِكُمْ * فَأَرَى الجَنَابَ لَهَا يُحَلُّ وَيُجْنَبُ
٩. وَأَرَى الْعَدُوَّ يُحِبُّكُمْ فَأُحِبُّهُ * إنْ كَانَ يُنْسَبُ مِنْكِ أَوْ لاَ يُنْسَبُ

  1. O tent van Dahmā’ die ik mijd! Voorbij is de jeugd, maar de liefde voor haar gaat niet voorbij.
  2. Waarom verlang ik [naar je] als je kamelen dichterbij komen en wend ik me van je af als je dichtbij me bent?
  3. Je bent zo mooi! Kan een verliefde van jou op aan, heeft zijn liefde voor jou een kans?
  4. De duif koert zijn treurig lied en ontroert mij; [iedere] avond keert mijn verlangen als een ver weidende kudde huiswaarts.
  5. Een land waarin jij niet woont lijkt mij woest en dor, al is het nog zo vochtig en vruchtbaar.
  6. Als mijn stam ergens zijn kamp opslaat gebeurt het nooit dat mijn blik afdwaalt naar een andere vrouw.
  7. Ik praat de kwaadsprekers naar de mond en houd me in, maar zij wrokken onvermoeibaar tegen mij.
  8. Zo vaak een nachtelijke bries uit jouw land opsteekt lijkt het of dáárom de plek voor het kamp gekozen of gemeden is.
  9. Zie ik dat mijn vijand van jou houdt, dan houd ik van hem, of hij tot jouw stam behoort of niet.

Breuk

De breuk met de oude tijd is in dit gedicht duidelijk zichtbaar. De dichter kan en wil zijn geliefde niet vergeten. Anders dan de dichters van weleer heeft hij geen belangstelling voor andere vrouwen: hij is gefixeerd op die ene, die hij altijd trouw blijft en naar wie hij iedere avond verlangt.

Hij betoont haar groot respect, dringt niet brutaal haar tent binnen maar mijdt die zelfs, om haar goede naam te beschermen. De lasteraars biedt hij geen houvast, hij wendt zich af en doet alsof hij niet verliefd op haar is: het tegendeel van het pre-islamitische opscheppen. Ook dit dient ter bescherming van haar goede naam.

Hij voelt zich hoogst onzeker: heeft hij wel een kans bij haar? Zelfs met een zuchtje wind uit haar richting zou hij al tevreden zijn. Van vrouwenroof of zich opdringen is hier geen sprake.

De laatste regel is de ongelooflijkste van allemaal. Het behoren tot een stam doet er niet meer toe; de vijandschap tussen de stammen is opgeheven!

Wat veranderde er écht?

Wat veranderde er nu écht in de Arabische maatschappij? Natuurlijk was het niet zo dat er voortaan meer vrouwen in leidinggevende functies te vinden waren. De pre-industriële Oudheid ging gewoon door en het fysieke overwicht van de man bleef bepalend. De onzekerheid verdween bovendien toen de maatschappij nieuwe vormen gevonden had. Ook het stammensysteem was na een halve eeuw weer hersteld: er vormden zich domweg nieuwe stamverbanden, elk uiteraard met een eigen fictief verleden.

Het blijft echter een interessante episode. Er zijn maar weinig geschiedbronnen over die vroege tijd die ons zonder religieuze kleuring laten zien wat er in de mensen omging. Daarom mag de poëzie niet verwaarloosd worden.

Tot slot: de thematiek van deze liefdespoëzie ging een eigen leven leiden en heeft dat nog eeuwen volgehouden. Niet alleen in het Arabisch tot in de twintigste eeuw (bijv. Umm Kulthum), maar ook in het Perzisch en Turks. En in Europa bij de troubadours, en in de liederen van Frankrijk en Italië tot diep in de achttiende eeuw.

Bibliografie

  • Renate Jacobi, “Die Anfänge der arabischen Ġazalpoesie: Abū Ḏu’aib al-Huḏalī,” in Der Islam 61 (1984), 218–250.
  • Thomas Bauer, Liebe und Liebesdichtung in der arabischen Welt des 9. und 10. Jahrhunderts, Wiesbaden 1998, blz. 44–46.

[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op de eigen blog van Wim Raven en ook op de beëindigde website Grondslagen.net.]


Crossroads

februari 9, 2018
Deel dit:

7 gedachtes over “Arabië anno 650: sterke vrouwen

  1. Saskia Sluiter

    Wat een interessante ontwikkeling beschrijft Wim hier! Weer veel dank dus.
    En afgezien daarvan: hoe meer poëzie hoe beter.

  2. In deze beschrijving kan ik niet goed plaatsen dat Khadija een zelfstandig ondernemer was, die – b.v. – de jonge Mohammed in dienst kon nemen. Wat een aanwijzing kan zijn voor moslims die graag het gedrag van Mohammed navolgen dat je je carriere moet beginnen met in dienst te treden bij een door een vrouw geleide onderneming, maar dat terzijde.

  3. Dirk Zwysen

    De beschrijving van die ghazal-gedichten zou zo uit een inleiding op Catullus of de augusteïsche elegische dichters kunnen komen.

    1. Interessant. Zeker als ik het vergelijk met dat stukje over echtscheidingsrechtontwikkelingen door toedoen van het Christendom van een paar blogjes terug.

Reacties zijn gesloten.