
In de voor-westerse wereld woonden allerlei volken, die regelmatig met elkaar te maken hadden en probeerden elkaar te begrijpen. Om zoiets te doen, druk je andermans denkbeelden uit in je eigen termen. Dit is vooral goed gedocumenteerd voor de antieke religie. De Romeinen interpreteerden de Griekse Hera alsof dat hun Juno was; de Grieken interpreteerden de Fenicische Melqart en de Indische Krishna alsof het Herakles was. De jargonterm is syncretisme.
De vraag welke god de joden vereerden, vormde het onderwerp van geleerde tafelconversatie. Althans, zo presenteert de Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos het aan het begin van de tweede eeuw na Chr. in zijn essaybundel Vragen tijdens het diner. Een van de heren die aanliggen stelt de vraag of dat nou “de vrouwenopzwepende, van waanzinnige eerbetuigingen bloeiende Dionysos” is of Adonis. Een zekere Moiragenes geeft antwoord:
“Laat hem maar. Ik als Athener kan je antwoorden en zeggen dat hij inderdaad niemand anders is [dan Dionysos]. Maar veel van de bewijzen daarvoor mogen alleen verteld en onderwezen worden aan degenen die in de tweejaarlijkse grote mysteriën [in Eleusis] zijn ingewijd. Maar datgene wat niet verboden is te zeggen tot vrienden, vooral niet bij een glas wijn, het eigen geschenk van de god, dat ben ik bereid te vertellen, als men dat wil.”
Dat willen de aanwezigen natuurlijk wel weten. Ploutarchos’ Moiragenes vervolgt met een beschrijving van het Loofhuttenfeest:
“Om te beginnen passen de tijd en de aard van het grootste en heiligste feest bij de joden bij Dionysos. Want wanneer ze hun zogenaamde vasten houden op het hoogtepunt van de oogst, dekken ze tafels met allerlei soorten fruit in tenten en hutten die voornamelijk zijn gevlochten uit wijnranken en klimop. De eerste dag van het feest noemen ze ‘Tent’.
Een paar dagen later vieren ze een ander feest, dat niet slechts bij wijze van toespeling maar heel openlijk naar Bakchos is genoemd: het is een feest waarop ze takken en een thyrsus ronddragen waarbij iedereen met een thyrsus het heiligdom binnengaat. Wat ze doen als ze daar binnengegaan zijn, weten wij niet, al ligt het voor de hand dat het een bakchisch ritueel is, want ze roepen de godheid aan met gebruik van kleine trompetten, zoals ook de inwoners van Argos doen op hun Dionysosfeesten. Anderen lopen met citers voor hen uit; die noemen ze Levieten, en die naam is óf afgeleid van Lysios of van Euios.”
De twee laatste woorden, “losmaker” en “roeper”, zijn eretitels van Dionysos. De trompetten zijn bekend van een inscriptie uit Jeruzalem, al is ook weleens geopperd dat Ploutarchos’ Moiragenes denkt aan de ramshoorn (sjofar). De spreker vervolgt met andere argumenten, en opnieuw spelen klankovereenkomsten een rol. Voor het volgende is relevant dat in de joodse titel “heer der heerscharen” het laatste woord Sabaoth was.
“Ik geloof dat ook hun sabbatviering niet geheel los van Dionysos te zien is. Want de bakchanten worden ook nu nog door velen Saboi genoemd en ze slaken die kreet wanneer ze voor hun god in trance zijn. (Demosthenes en Menandros documenteren dit.) en zou niet zonder reden kunnen zeggen dat de naam Saboi komt van de grote agitatie [sobesis] die de bakchanten in een greep houdt.
Zelf getuigen de Joden ook van [het verband tussen Dionysoscultus en jodendom] wanneer zij tijdens sabbatsvieringen elkaar oproepen wijn te drinken en ervan te genieten, of, wanneer iets ernstigs dat verhindert, dan in ieder geval een slokje onvermengde wijn te nemen.”
Dit laatste is interessant, omdat het iets toont van de wijze waarop joden in de Griekse wereld de sabbat vierden. Ondertussen is Ploutarchos’ Moiragenes zich er wel van bewust dat zijn argumenten niet zo heel erg sterk zijn, eigenlijk zou je “dit alles hooguit waarschijnlijk kunnen noemen”. Hij vervolgt met een argument dat zijns inziens alle twijfel wegneemt. Dat heeft betrekking op…
“… de hogepriester, die tijdens feesten de processie leidt met een tulband op zijn hoofd en gekleed in een met goud bestikt hertenvel, een gewaad tot op de grond en laarzen, terwijl er vele belletjes aan zijn gewaad hangen die rinkelen terwijl hij voortschrijdt, precies zoals bij ons!”
Dit is redelijk in overeenstemming met de beschrijving van de kleding van de hogepriester, zoals gegeven in Exodus 28. Ploutarchos’ Moiragenes is nog niet aan het einde van zijn opsomming van overeenkomsten:
“Lawaai speelt ook een rol in de nachtelijke feesten van de bakchanten, en de joden noemen de voedsters van hun God de ‘bronsratels’.
Zie verder nog de gebeeldhouwde thyrsus en de trommels aan het front van hun tempel. Mij dunkt, dat past toch bij geen enkele god beter dan Dionysos. Bovendien gebruiken ze geen honing bij hun liturgische handelingen want het schijnt dat het de wijn bederft als het ermee gemengd wordt; en ze gebruikten die honing ook als plengoffer en als wijn voordat de wijnstok werd ontdekt.”noot
Tot zover. De vertaling was van Piet van der Horst. Ploutarchos documenteert hier de gelijkstelling van de god der joden aan Dionysos, en hij was zeker de enige niet. Het is opvallend dat in de laatantieke synagogen, en ook in woonhuizen, vaak Dionysische symbolen werden gebruikt. Opvallend is dat Ploutarchos verwijst naar de hogepriester, hoewel de tempel in Jeruzalem in 70 na Chr. was verwoest en de tempel in het Egyptische Heliopolis was gesloten in 73. Het bestaan van andere tempels valt niet uit te sluiten: Rome komt in aanmerking en Filon van Byblos wekt de indruk dat er een joodse tempel was in Beiroet. Maar het is ook mogelijk dat Ploutarchos verouderde informatie benut.
Hoe dan ook: menigeen, joods of Grieks, accepteerde de gelijkstelling. Een andere optie was om de joodse god aan te duiden als Theos Hypsistos. Maar het voornaamste punt van dit blogje is dit: dat het jodendom gewoon deel uitmaakte van de antieke wereld, en dat Tertullianus’ retorische uitroep dat Jeruzalem niets met Athene van doen had, geen beschrijving is van de antieke werkelijkheid. Wie beweert dat de joden weigerden te assimileren – en geloof me, dat vooroordeel bestaat nog volop – heeft echt niet opgelet.
Zelfde tijdvak
De roeping van de leerlingen (2)mei 2, 2021
Hoe vind of verzin ik een Romeinse boerderij?juli 9, 2017
Een Gallische inscriptie uit Alesiajuli 24, 2025

Voor de voorlaatste alinea over de Tempel is het handig om te weten wanneer Ploutarchos leefde: van ca. 46 tot ca. 120 nC. (Beter nog wanneer hij dit schreef, maar dat kon ik niet vinden.)
Goed punt! Ik voeg iets in.
Hoe heet de vertaling van Ploutarchos’ werk door Piet van der Horst? Hoe is het te vinden?
Ik denk dat ik het heb gehaald uit “Tussen haat en bewondering : Grieken en Romeinen over het Jodendom : een selectie van teksten” (2009).