
In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichternoot herinnert zich het heerlijke samenzijn met een of andere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zichzelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg.
Die duurt echter maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen. Bovendien zijn er nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende huisvrouw, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zó uitvoerig toepast dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.



Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.