
Toen ik deze reeks “voor-westers” doopte, was dat enerzijds om aan te geven dat het gaat over een wereld die er was vóórdat het idee van West-Europa ontstond en anderzijds omdat ik het heb over iets wat voorafgaat aan de historische gebeurtenissen – noem het de voorwaarden, de factoren of de omstandigheden die het menselijk handelen beperken en beïnvloeden. Er is nog een derde reden om de periode af te bakenen van de algemene geschiedenis van de westerse wereld: het energiebeheer. Simpel geformuleerd was vrijwel alle energie in de voor-westerse wereld te herleiden tot voedsel. En dat is hoogst problematisch.
Onoverkomelijke grenzen
Neem het geval van de boer die meer wil produceren, dus meer land moet bewerken en dus meer zal moeten ploegen. Dat vergt extra energie en die energie zal de boer moeten halen uit zijn voedsel. Hij zou die beperking kunnen oplossen door een rund of dromedaris voor de ploeg te spannen, maar ook dat dier zal eten. Een aanzienlijk deel van wat méér geproduceerd zou kunnen worden, verdwijnt dus in het arbeidsproces.
Een andere oplossing zou kunnen bestaan aan het vergroten van de opbrengst door het land vruchtbaarder te maken – maar daarvoor is extra mest noodzakelijk en om die te produceren is een extra dier nodig, dat de extra oogst weer opeet. De duiventil, zo handig om aan guano te komen, was in de Parthische tijd al bekend in Iran en de oudste nog functionerende tillen zijn te vinden in hetzelfde land. In westelijkere gebieden werd deze toepassing van de duif pas later bekend.
Heel erg veel soelaas bood guano bovendien niet. In de voorindustriële samenleving waren eigenlijk altijd onoverkomelijke grenzen aan de productie. De werkelijke oplossing is overschakelen naar een product dat in verhouding tot de geïnvesteerde arbeid meer voedingsstoffen levert: van vlees schakel je dus over naar graan.

De grote omslag kwam toen Europa de beschikking kreeg over aardappelen en definitief de grenzen overschreed die aan de productie waren gesteld. Voortaan waren er minder mensen nodig in de landbouw, en die stroomden uiteindelijk naar de werkplaatsen, waar de productie kon worden verhoogd. Koppeling van de machines aan watermolens, windmolens en stoommachines maakte de productie voorgoed onafhankelijk van voedsel. De westerse cultuur onderscheidt zich dus van de voor-westerse cultuur door aardappelen; ik schrijf dit zonder ironie.
Het harde leven
Tot de komst van de aardappel was het leven, zoals elke docent in elk oudheidkundig vak elk jaar elke groep eerstejaars weer voorhoudt, vooral overleven. De basis van het dieet bestond in alle regio’s uit graanproducten, en werd aangevuld door een variatie van groente, vruchten en vruchtensap (waaronder wijn). Daaraan konden de mensen olijven of dadels toevoegen, maar niet veel meer.
Vlees was een zeldzaam voorrecht omdat de weide waar een rund liep, niet gebruikt kon worden om graan te produceren. Varkens hadden minder ruimte nodig, maar deze dieren aten afval, zodat de kans levensgroot was dat je er een lintworm aan overhield; de enorme hoeveelheid amuletten tegen maagkrampen die ooit werd tentoongesteld in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen, sprak boekdelen. Trouwens, de toenmalige varkens boden minder vlees dan de huidige. Het zegt iets dat het feestmaal op Bruegels schilderij De Boerenbruiloft bestaat uit pap en brood, niet uit vlees. Dat was echt iets voor de absolute elite en wie daar niet bij behoorde, leefde een hard leven, waarin alles draaide om de agrarische jaarcyclus en alles was ingeperkt door onoverkomelijke grenzen.
Nou ja, bijna onoverkomelijk. Met gewaswisseling en specialisatie viel wel enige productiewinst te bereiken – maar dit was voorbehouden aan degenen die de investeringen konden doen, en dat was eigenlijk alleen de absolute elite. Voor de meeste mensen bleven de grenzen bestaan.
Limited good
De onoverkomelijkheid van de productiegrenzen vormt een belangrijk punt. Waar wij gewend zijn aan economische groei (en dus vooruitgang ofwel de mogelijkheid nieuwe morele keuzes te maken), zag men destijds vooral de onmogelijkheid tot ontwikkeling. Alles wat goed was – voedsel, bezit, vrijheid, eer – was beperkt en als de een meer kreeg, kreeg de ander minder. Het antieke en middeleeuwse leven werd, in moderne termen, voorgesteld als een zero-sum-game. En die interpretatie van de werkelijkheid was niet onjuist.
Deze opvatting, die bekendstaat als het “image of limited good”, werd dan ook universeel gedeeld. Bisschop Ambrosius wierp degenen die meenden iets verdienstelijks te hebben gedaan door aalmoezen te geven, voor de voeten dat ze de armen slechts hadden teruggegeven wat al van hen was, aangezien de aarde aan iedereen was geschonken en de rijken zich van alle bezittingen een onevenredig deel hadden toegeëigend.
Het “image of limited good” verklaart tal van verschijnselen uit de antieke samenleving, zoals de meedogenloze concurrentie tussen politici van de Romeinse Republiek: als de ene senator meer eer en prestige had, ging dat ten koste van de eer en het prestige van de andere senatoren. Maar het voornaamste gevolg was dat de voor-westerse samenleving zich keerde tegen sociale verandering: als die een verbetering zou zijn, zouden sommige mensen daarvan meer vruchten plukken dan andere, en dus keek men vol wantrouwen naar elke verandering. En daarmee is het “image of limited good” zowel het logische gevolg als een oorzaak van de stagnatie van de voor-westerse wereld.
[Een overzicht van de blogjes in deze reeks groeit hier.]

Briljant stukje.
Watermolens en windmolens leverden energie ver voor de aardappel.
Ik vermoed dat steenkool en de stoommachine heel wat meer betekenden dan de aardappel.
Merkwaardige vergelijking – er zit een eeuw of twee tussen. Dus is de vraag: hoe meet u dat “meer betekenen”?
Er zit in ’t geheel geen twee eeuwen tussen.
De aardappel werd pas einde 18e eeuw uitgebreid verbouwd in Europa, dezelfde tijd als de opkomst van de stoommachine.
Die “energetisch gezien” meer in de melk te brokkelen had dan de aardappel.
Of zou het samen kunnen gaan? Technologische ontwikkeling en meer voedselzekerheid.
Vraag in Ierland over de aardappel en voedselzekerheid in en na 1845 (niet) midden in industrialisering (niet daar)…
(Op het Europese vasteland ging het ook bijna goed fout toen. Hungry Forties.)
Leuk stukje inderdaad, met een aparte insteek, maar
“De grote omslag kwam toen Europa de beschikking kreeg over aardappelen en definitief de grenzen overschreed die aan de productie waren gesteld. ”
Maar die aardappel kwam uit Amerika en daar heeft hij toch niet voor die grote omslag gezorgd? OK, we weten eigenlijk niet precies hoeveel mensen in pre-Columbiaans Amerika leefden en hoeveel ze produceerden, maar ik had toch het idee dat er geen aanwijzingen zijn dat daar productiegrenzen overschreven zijn vergeleken met pre-aardappel Europa. Er moet meer aan de hand zijn.
Heeft vast te maken met het verschil tussen voldoende en noodzakelijke voorwaarde. Als ik iets geleerd heb van mijn amateurstudie geschiedenis is dat de voldoende voorwaarde meestal uit verscheidene noodzakelijke voorwaarden bestaat.
Er was in Zuid Amerika in ieder geval een goed systeem van voedseldistributie. De Inca’s wisten precies welk gewas ze op welke hoogte konden verbouwen en doordat het Incarijk een eenheid was met een goed wegennetwerk, kon al dat eten worden gebracht naar waar het nodig was. In zekere zin hadden de Inca’s een socialistische staat.
Heel interessant. Economie is op meta-niveau even interessant voor mij als de Middeleeuwen, omdat het eigenlijk een zeer onderontwikkelde wetenschap is – schrijf ik zonder ironie.
Twee duivelse advocaturen: er waren toch al verschillende revoluties geweest, gestuwd door het vuur, het wiel en de overgang van jacht en vangst naar landbouw. Dat er in die landbouw stagnatie optrad en de aardappel daar een flinke draai aan gaf, geloof ik graag en vind ik wetenswaardig.
Dat we vandaag gewend zijn aan de idee van groei, komt niet alleen door ongelimiteerde productiefactoren maar ook doordat we de goudstandaard hebben losgelaten. Geld is nu gebonden aan andere factoren van vertrouwen, die zeer rekbaar zijn (bitcoin is daar overigens een antwoord op; en het is dus niet toevallig dat bitcoin veel waard geworden is: de virtuele geldhoeveelheid groeit sneller dan de beschikbare bitcoins)
Groei is een zeer pover gedefinieerd begrip, doordat het terugvalt op bbp dat uitgedrukt is in geld dat zelf dus een weinig gebonden grootheid is. Eén van mijn stokpaardjes is dat de “broken window fallacy” diep verankerd zit in dat bpp. En om dat te illustreren met een ander stokpaardje: zowel kunstmatig luide uitlaten als oordopjes dragen bij aan het bbp. Meer lawaai = groei. Meer compensatoire stilte = groei.
Meer brandweerauto’s dragen ook bij aan economische groei. En die komen er als ….