Begraven in een pot

Watervaten in Knossos (© Wikimedia Commons | Gebruiker Moonik)

Begraven in een pot. De oude Chauken deden dat met honden. Het doet mij denken aan het eerste fantasieverhaal uit de archeologie dat ik tegenkwam. In 1983 op Kreta. Natuurlijk bezocht ik het door Evans opgegraven ‘paleis’ van Knossos. Ik werd langs de ‘troon’ van de koning gevoerd, door de ‘badkamer’ van de koningin en langs de grote ‘voorraadvaten’, die onder een afdakje waren opgesteld, zodat je ze eerst naar voren moest kantelen om er wat uit te halen.

Om de dreigende verveling aan het strand te bestrijden kocht ik een boekje The Secret of Crete, geschreven door de Duitse geoloog H.G. Wunderlich. Hij was ook door ‘Knossos’ geleid en hem was opgevallen dat de trappen van de lichtst denkbare marmersoort waren gemaakt en niettemin vrijwel niet waren uitgesleten. Dat was toch merkwaardig in zo’n drukbezocht paleis van weleer.

Lees verder “Begraven in een pot”

Homines manentes apud Amestelledamme

Het tolprivilege (foto Noord-Hollands Archief)

Historici en vele anderen hebben vaak de neiging zaken van hun voorgangers over te schrijven, waardoor misverstanden soms een oneindig lang leven leiden.

De eerste keer dat de naam van de stad die we nu Amsterdam noemen werd opgeschreven was op 27 oktober 1275, in de tolbrief waarmee graaf Floris V de inwoners van die stad vrijheid van tolbetaling gaf in het hele graafschap. Het aardige is dat we die tolbrief nog kunnen lezen (in het Stadsarchief) en dat er Amestelledamme staat (“homines manentes apud Amestelledamme”). Ik weet niet door wie en wanneer, maar iemand heeft daar ooit Amstelledamme van gemaakt. En dat maakt dan vervolgens begrijpelijk dat men is gaan denken dat het om een dam in de Amstel ging.

Lees verder “Homines manentes apud Amestelledamme”

De functie van Dr Deijman

Rembrandt van Rijn, De anatomische les van Dr Deijman (Amsterdam Museum)

Toen ik jaren geleden voor het eerst het deels verbrande schilderij van Rembrandt De anatomische les van dr Deijman in het Amsterdam Museum (toen nog Amsterdams Historisch) zag, kreeg ik een klein schokje. Dr Deijman kreeg namelijk als aanduiding van zijn functie in de bij het schilderij horende tekst: prelector. Je leest ook weleens praelector. Nu had je vroeger professoren en lectoren, maar van prelectoren had ik nog nooit gehoord.

Tijdens mijn studie geneeskunde aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam ben ik een paar jaar (1959/1960) assistent geweest op de snijzaal van het Anatomisch Laboratorium. Het hoofd van die afdeling had de titel prosector, voorsnijder dus.

Lees verder “De functie van Dr Deijman”

Mijn energietransitie

Ik ben geboren uit zonnegloren. Die zucht van een ziedende zee is mij toen even ontgaan. Maar het was mei 1940 en prachtig mooi weer. Anders waren de Duitsers die oorlog toen niet begonnen.

In augustus scheen de zon nog stralend en het was dus behoorlijk warm. Mijn moeder had gehoord, dat je baby’s goed moest inpakken om te voorkomen dat ze zouden kouvatten en ik lag dus stevig ingebakerd in de wieg. Blijkbaar vertoonde ik tekenen van moeilijk ademen of zoiets, want mijn moeder raakte in paniek. En bij paniek rende ze naar de drogist. Dat was mevrouw Faber-Hazeloop in de Reinier Claeszenstraat. Bovengekomen – drie hoog – rukte ze me de muts van de kop, en verwijderde de dekens en andere warmtebronnen om mijn lijf. Ik ademde weer rustig en had mijn leven aan de drogist te danken.

Dat was dus mijn eerste kennismaking met energie, van de zon en de dekens. Thuis hadden we een kolenkachel, een haard, die ’s winters gezellig brandde. Rode vlammetjes achter micaruitjes. Vaak was de haard ’s morgens uit en dan was het behoorlijk koud. IJsbloemen op het raam in m’n kamertje. Mijn moeder haalde dan de uitgebrande kolen uit de la onderin de haard en maakte hem weer aan. Dat lukte meestal vrij snel, maar het duurde langer voordat de warmte zich echt verspreidde.

Lees verder “Mijn energietransitie”