De Zeevolken: de problemen

Het verwoeste paleis van Ugarit

In de stukken die ik tot nu toe wijdde aan de Zeevolken vatte ik samen hoe De Blois en Van der Spek in Een kennismaking met de oude wereld uitleggen wat er aan de hand was. Ze doen dat met alle voorzichtigheid die het onderwerp vereist, want veel is onduidelijk. Wat echter inmiddels wél zeker is, is dat er een klimaatverandering is geweest die het maatschappelijke aanpassingsvermogen te boven ging. Ik keek naar het bewijsmateriaal en wees erop dat dit viel te presenteren als een consistent verhaal: zo rond 1200 v.Chr. was er een klimaatomslag; volken uit het Griekse gebied raakten op drift; er was een noordwest-zuidoost-beweging van Zeevolken; steden werden geplunderd; het Hethitische Rijk ging ten onder; de vraag naar tin nam af; de interregionale handelsnetwerken stortten in; men schakelde over op ijzer. We zouden de migratie van de Frygiërs vanaf het zuidelijke Balkanschiereiland naar Anatolië nog kunnen toevoegen.

Complicaties

Het is mogelijk het bewijsmateriaal zo te presenteren, maar er zijn complicaties. De voorgaande alinea past mooi in een negentiende-eeuws frame dat beschavingen à la het West-Romeinse Rijk ten onder gingen door migraties. Dat was destijds een populaire analyse – om niet te zeggen: een koloniaal angstbeeld – maar het is voor de transitie van Oudheid naar Middeleeuwen achterhaald. Op drift geraakte stammen assimileerden en de veranderingen in het Mediterrane wereldrijk hadden vooral te maken met het feit dat het al van binnenuit verzwakt was. Iets dergelijks kan natuurlijk ook spelen bij de Zeevolken: die werden gevaarlijk doordat de oosterse grootmachten al verzwakt waren, waarbij de klimaatomslag die de Zeevolken het ruime sop deed kiezen, slechts één factor was. Moeten we niet zoeken naar andere factoren?

Lees verder “De Zeevolken: de problemen”

Lineair-B (2)

lineair-b_mus_heraklion_as
Lineair-B-tablet met vermelding van een olijfolie-offer aan Zeus Diktaios en “alle andere goden” in Amnisos, in het Daidaleion-heiligdom en aan de “winden-priesteres”. (Museum van Heraklion; foto Alexander Smarius)

De in het voorgaande stukje beschreven ontdekkingen stelden Michael Ventris, architect en amateur-mykenoloog, in staat als eerste in drieduizend jaar het Lineair-B te lezen. Al voor de Tweede Wereldoorlog had hij over het onderwerp gepubliceerd en voorgesteld dat de taal die in het Lineair-B geschreven was geweest weleens verwant kon zijn aan het Etruskisch. Die mening koesterde hij nog in 1950, toen hij een overzichtsartikel publiceerde met een schets van de stand van zaken bij de ontraadseling van het oude schrift.

Gedurende de volgende twee jaar benaderde Ventris het probleem op een nieuwe manier, namelijk door tabellen op te stellen waarin de frequentie en de plaats werden vastgesteld waarmee bepaalde karakters voorkwamen, een techniek die cryptografen hadden gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zo stelde hij vast dat sommige karakters vrijwel uitsluitend aan het begin van een woord voorkwamen. Omdat het om een lettergrepenschrift ging, was het aannemelijk dat het ging om zelfstandige klinkers aan het begin van een woord (bijv. de a in A-ta-na en de e in E-te-wo-ke-re-we-i-jo).

Lees verder “Lineair-B (2)”

Cypriotische badkuip

Badkuip uit Oud-Pafos (District Archaeological Museum)

Een badkuip, die hebben we nog niet gehad in onze inmiddels toch vrij lange reeks blogstukjes over museumvoorwerpen. U vroeg zich natuurlijk al af waarom ik u museaal sanitair al die tijd heb onthouden. Ik weet het ook niet, maar ik weet het goed met u gemaakt en zal u niet zomaar een badkuip tonen. Dit is namelijk wél even een badkuip uit het Cypro-Geometrisch I. Eat that.

En die badkuip vertelt een klein verhaaltje. Na de ondergang van de Mykeense paleisburchten in Griekenland vestigden groepen Grieken zich in het westen van Cyprus. Hun aardewerk namen ze mee, zodat archeologen voorwerpen die ze in Griekenland rekenen tot de zogeheten “submykeense periode” (pakweg de tweede helft van de elfde eeuw v.Chr.) in Cyprus vinden met voorwerpen die ze rekenen tot het “Cypro-Geometrisch I”. Deze badkuip, gevonden in een graf bij Oud-Pafos (Kouklia), documenteert deze beginnende Griekse aanwezigheid op Cyprus.

Lees verder “Cypriotische badkuip”

De Trojaanse Oorlog (3)

Mykeense dolk met fotograaf (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)
Mykeense dolk met fotograaf (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hethitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Aan het begin van de twintigste eeuw ontdekte de Britse archeoloog Arthur Evans op Kreta het verband tussen het oude Nabije Oosten en Mykeens Griekenland. Het paleis van Knossos dat hij opgroef, leek in weinig op de Mykeense burchten, al was het ruwweg even oud. Het leek weer wél op de paleizen die waren gevonden in de Oriënt. Ook groef Evans kleitabletten op, het oosterse schrijfmateriaal bij uitstek.

Het bleek te gaan om twee soorten schrift, zakelijk aangeduid als Lineair-A en Lineair-B. Ik heb er al eens over geblogd. Aangezien er geen “twee-schriftige” teksten werden gevonden die in zowel zo’n lineair schrift als in een al ontcijferd schrift waren geschreven, bleven de nieuw ontdekte teksten onvertaalbaar. Het raadsel werd niet opgelost toen Carl Blegen, de man die (zoals we al zagen) in Troje had gegraven, in 1939 meer Lineair-B-inscripties vond, dit keer in Pylos op de Peloponnesos.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (3)”

De Trojaanse Oorlog (2)

Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.
Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hethitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Heinrich Schliemann was niet alleen actief in Troje. Hij werkte ook in verschillende steden op het Griekse vasteland, waar hij de enorme burchten onderzocht van wat nu de Mykeense beschaving wordt genoemd: een Bronstijdcultuur die tussen pakweg 1600 en 1200 had bestaan op het Griekse vasteland. De indrukwekkende graven toonden dat de Mykeense vorsten zich graag hadden gepresenteerd als krijgers.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (2)”