De Trojaanse Oorlog (2)

Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.
Zes Mykeense krijgers trekken ten strijde; links worden ze door een vrouw uitgezwaaid. Deze pot is gevonden in Mykene en nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Heinrich Schliemann was niet alleen actief in Troje. Hij werkte ook in verschillende steden op het Griekse vasteland, waar hij de enorme burchten onderzocht van wat nu de Mykeense beschaving wordt genoemd: een Bronstijdcultuur die tussen pakweg 1600 en 1200 had bestaan op het Griekse vasteland. De indrukwekkende graven toonden dat de Mykeense vorsten zich graag hadden gepresenteerd als krijgers.

Wat je ook van Schliemanns opgravingen in Troje mag denken, op zijn krediet staat de ontdekking van de Egeïsche Bronstijd. Mykeens Griekenland is, vergeleken met de beschavingen van het oude Nabije Oosten, een nakomertje gebleken, maar Schliemann bewees dat het Griekenland van vóór het ontstaan van de stadstaten méér was geweest dan een paar armzalige Griekse dorpen die nooit een grootscheepse overzeese expeditie hadden kunnen uitvoeren, zoals zijn tijdgenoten meenden.

Schliemann werd ingehaald door zijn eigen succes. Door zijn opgravingen werd almaar meer bekend over de Egeïsche Bronstijd en dat dwong hem zijn eigen vondsten opnieuw te interpreteren. Aan het einde van zijn leven zag hij in dat Troje II, dat hij twintig jaar lang had geïdentificeerd als de stad die in de Trojaanse Oorlog was verwoest, niet was wat hij had gezocht. In het zesde stratum had hij namelijk een bepaald soort aardewerk gevonden dat hij inmiddels had leren identificeren als Mykeens. Troje VI, dat een prachtige stad was geweest, moest dus de Homerische stad zijn. Hij overleed in 1890 in Napels, op Tweede Kerstdag, terwijl hij nog volop bezig was met de herinterpretatie van zijn vondsten en een grote opgraving aan het voorbereiden was.

In 1893 en 1894 vond de voorgenomen grote campagne alsnog plaats. Schliemanns assistent, vriend en opvolger Wilhelm Dörpfeld bevestigde dat Troje VI de stad was geweest die tegelijk met de Mykeense cultuur had gebloeid. Deze was dus ergens tussen 1600 en 1200 ten onder gegaan. Voor het moment leek de discussie beslist.

***

Na 1894 werd de chronologie van het Mykeense aardewerk echter steeds verder verfijnd en dat bracht de Amerikaanse archeoloog Carl Blegen ertoe om in de jaren dertig van de twintigste eeuw Dörpfelds conclusie te testen. In vergelijking met zijn voorgangers waren Blegens technieken superieur en terwijl zij negen bewoningslagen hadden geïdentificeerd, wist Blegen niet minder dan vijftig bouwfasen aan te wijzen. Hoewel zijn analyse van Troje I en II wetenschappelijk het interessantst was, ging de meeste aandacht vanzelfsprekend uit naar zijn reconstructie van Troje VI. Daarvan maakte hij aannemelijk dat de stad was verwoest door een aardbeving, want de stadsmuur bleek van zijn fundament geschoven terwijl sommige muren bleken te zijn ingestort.

Daarentegen leek Troje VIIa een reeks aanwijzingen te bevatten dat die stad een langdurig beleg had doorstaan. De brede straten uit periode VI waren nu volgebouwd en huizen waren gesplitst, alsof de bevolking was toegenomen, bijvoorbeeld doordat mensen uit het platteland hun toevlucht in de stad hadden gezocht. Veel wees erop dat de handel geen normale voortgang had gevonden: er waren weinig importgoederen en het aardewerk was een slechte imitatie van Mykeense keramiek. De stad was zeker door mensenhanden verwoest: er waren brandsporen te zien. Ook het skelet van iemand die was gedood toen een muur over hem instortte duidde op het gewelddadige einde van Troje VIIa: niemand had de gelegenheid gehad de ongelukkige fatsoenlijk te begraven. Een pijlpunt van een type dat men ook kende uit Mykene bood een aanwijzing voor de herkomst van de verwoesters.

En nu wordt het even technisch. De datering van Troje VI en Troje VIIa was, zoals destijds gebruikelijk, gebaseerd op de ontwikkeling van het aardewerk. Zoals gezegd was het aardewerk uit de Mykeense tijd in Blegens dagen beter bekend dan daarvoor. Het kon ook beter worden gedateerd omdat het inmiddels ook was gevonden op Cyprus, waar het was aangetroffen met Egyptische voorwerpen, die over het algemeen goed dateerbaar waren.

Het Mykeense aardewerk, ook wel aangeduid als Laat Helladisch, kent verschillende fasen en onderverdelingen met namen als Laat Helladisch IIIa en Laat Helladisch IIIb. Blegen ontdekte dat in de laatste fase van Troje VI zowel LH IIIa als LH IIIb-keramiek was gevonden. Dat zou erop wijzen dat de aardbeving die een einde aan deze stad had gemaakt, ergens rond 1300 moest worden gedateerd. Het imitatie-aardewerk uit Troje VIIa zou zich hebben laten inspireren door LH IIIa, en er was enig geïmporteerd LH IIIb-keramiek gevonden. Daarentegen ontbrak LH IIIc geheel, en omdat Blegen op andere gronden al had geconcludeerd dat deze stad minder dan een halve eeuw had bestaan, dateerde hij de val van Troje VIIa omstreeks 1260. Dit werd in brede kringen aanvaard.

De conclusie van het onderzoek naar de Trojaanse Oorlog zou dus hebben kunnen luiden dat de Grieken zeer wel in staat waren geweest om een expeditie uit te rusten naar Klein-Azië om daar een stad te verwoesten: dat had Schliemann bewezen. Dat het niet ging om Troje VI, zoals Dörpfeld had beweerd, maar om Troje VIIa, was Blegens conclusie.

***

Na zijn werk in Troje verhuisde Blegen naar Pylos op de Peloponnesos. Deze stad bleek verwoest vóór LH IIIc-aardewerk kon worden ingevoerd, en dat gold ook voor Mykene en Tiryns. En dat gold dus ook voor Troje VIIa. De implicatie was dat Troje moest zijn verwoest kort voordat de Mykeense cultuur ten onder ging.

Maar wat, als er nu ook maar één scherf LH IIIc-aardewerk zou worden aangetroffen in Troje VIIa? Dan zou Troje zijn verwoest ná de ondergang van de Mykeense cultuur. En wie de vier delen van Blegens opgravingsverslag uit 1958 doorbladert, kan niet anders dan concluderen dat hij vrij veel LH IIIc-aardewerk heeft geclassificeerd bij LH IIIb. Er lag een dijk van een probleem: het glorieuze Troje VI was ten onder gegaan door een aardbeving en niet door oorlog, terwijl Troje VIIa, dat wél door mensenhanden was verwoest, ten onder was gegaan toen het niet meer kon zijn gebeurd door toedoen van een Mykeens leger.

Kortom, zeventig jaar nadat Schliemann in Troje was begonnen te graven, waren de oudheidkundigen nog geen stap verder gekomen, ook al was het databestand door de opgraving van talloze paleizen en burchten enorm uitgebreid en was de Bronstijdchronologie enorm verbeterd. Er waren ook nieuwe schriftsoorten bekend geworden – wie weet wierpen die nieuw licht op de zaak.

[Wordt om twaalf uur vervolgd]

2 gedachtes over “De Trojaanse Oorlog (2)

  1. jwb

    Beste Jona,
    Wellicht was je al op de hoogte van deze publicatie: Dag Nikolaus Hasse, Success and Suppression (I Tatti studies in Italian Renaissance history) Versión Kindle – on the complex story of Arabic influence on Renaissance thought.
    Nogmaals: beterschap en de beste wensen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s