Een meesterlijk idee om zeep geholpen

Alleen mensen met het talent van een Lennon/McCartney konden een “Ob-la-di, ob-la-da” componeren dat tot op de huidige dag de ranglijst van ergerlijkste liedjes aanvoert. Alleen iemand met het talent van Rafaël kon de verveeld kijkende engeltjes schilderen die ook de vredelievendste bezoekers van de Dresdner Gemäldegalerie doen zoeken naar zwavelzuur om over de Sixtijnse Madonna te spuiten. En alleen iemand met het talent van een Cees Nooteboom kon Het volgende verhaal schrijven.

Aan ambitie geen gebrek. We worden geconfronteerd de dood van de hoofdpersoon, met een stel dat de liefde bedrijft en met bespiegelingen over de aard van herinneringen, en dan zijn we pas op de tweede bladzijde van het Boekenweekgeschenk van 1991. Het is wat veel allemaal, en het echte probleem moet zich dan nog ontvouwen. Dat is de hoofdfiguur en verteller, de ontslagen leraar klassieke talen Mussert, die na zijn baan ook zijn zelfrespect heeft verloren door het schrijven van een reeks “zielloze reisgidsen”. De novelle cirkelt rond zijn overlijden.

Ik schrijf “cirkelt”, want in feite vertelt Nooteboom vier verhalen over hetzelfde onderwerp. Eén daarvan gaat over Musserts realisering dat hij is overleden, een ander over zijn inslapen, een derde over zijn overtocht naar het hiernamaals. Het geheel wordt doorsneden door flashbacks naar de gebeurtenis die leidde tot zijn ontslag en de dood van zijn idealen. Om dit geheel consistentie te verlenen, is een verbindend, rond personage nodig.

Mussert is echter geen karakter maar een karikatuur. Er bestaat geen cliché over leraren klassieke talen of Nooteboom heeft het benut. Zo zwatelt Mussert dat er nooit meer een taal zal komen als het Latijn, waarin precisie, schoonheid en uitdrukking een eenheid vormen. Zijn belezenheid is slechts schijn: iemand die echt belezen is, hoeft de pointe van een regel uit Slauerhoffs “O enjeitado’”niet uit te leggen en een classicus die zijn vakliteratuur heeft bijgehouden, kwam rond 1991 al tot een genuanceerder oordeel over Herodotos dan “doorzichtige fantast”.

Dat Mussert sociaal niet erg handig is, blijkt op bijna elke bladzijde. Hij is het zich bewust: “ik ben erg goed in het afkappen van ongewenste conversaties”. Uiteraard is hij seksueel geremd: deze apollinische figuur heeft zich verre gehouden “van die activiteiten waar iedereen het altijd over heeft en die wat mij betreft toch eerder bij het dierenrijk horen dan bij mensen die zich bezighouden met de minder tastbare dingen van het bestaan”. Hij leeft armzalig, eet voedsel uit blik en heeft wegens zijn slonzige voorkomen de bijnaam “Sokrates” gekregen. De schoonheid van technologie is aan hem niet besteed en hij citeert om de zoveel pagina’s wel een Latijnse regel. De frikkige schoolmeester is niet ver als hij van een grafschrift opmerkt dat er metrisch niets van klopt.

Alleen de hardhandige onderwijsmethoden die zo vaak aan classici zijn toegeschreven, ontbreken in Het volgende verhaal, maar verder is Nootebooms personage adequaat samengesteld uit sjablonen die al in de Oudheid werden benut om classici te typeren. Ik kreeg meer dan eens het gevoel dat Nooteboom het artikel “Perversa subtilitas” van Ineke Sluiter (Lampas 21 [1988] 41-65) als inspiratie heeft gebruikt. Daarin staan alle door Nooteboom toegepaste stereotypen handig bij elkaar.

Beroepshalve ken ik nogal wat classici, ja, ik heb er gekend die net als Mussert achtereenvolgens hun baan, hun zelfrespect en hun leven verloren. Ik ben er echter nooit een tegengekomen die voldeed aan Nootebooms clichés. Mussert is opzichtig niet levensecht, en dat gebrek aan realiteit dient om de dood te suggereren, zoals alles aan Mussert te maken heeft met verval en ondergang. Hij is een te gemakkelijke en te nadrukkelijke metafoor voor het einde van Europa’s humanistische traditie. (Thomas Mann deed het efficiënter in Doktor Faustus, waarin de classicus Serenus Zeitblom ontslag neemt – punt gemaakt, meer heeft Mann niet nodig.) Zelfs de tekening op het omslag van Het volgende verhaal, een ingepakte klassieke buste, brengt de boodschap subtieler.

Het idee opzettelijk een niet levensecht personage neer te zetten om de dood te suggereren, is briljant, maar Nooteboom werkt het slecht uit. Enkele humoristisch bedoelde passages zijn van een ontluisterende meligheid (“de zesde eeuw voor Christus, die zo brutaal geweest is ook de eeuwen die vóór hem kwamen in beslag te nemen”). Het wemelt van de clichés, ook waar ze niet dienen om een niet-levensecht personage neer te zetten: de liefdesdaad heet dus “een erotisch crescendo”, er is vanzelfsprekend een veerman die de doden overzet en Mussert wordt in de dood verenigd met – jawel – degene met wie hij tijdens zijn leven het geluk niet mocht vinden. Ook de metaforen liggen teveel voor de hand. Je laat als schrijver geen stervende inslapen met een nieuwsbericht in de hand dat een ruimtesonde het zonnestelsel heeft verlaten. Je laat trouwens ook geen reisboekenauteur beginnen aan zijn laatste reis. Sommige open deuren moet je niet willen intrappen.

Al met al is Het volgende verhaal mislukt. Nu kan iedereen een slecht verhaal schrijven, maar om een goed idee zó grondig de vernieling in te helpen, vergt een vonk van genialiteit, een vonk die zich bij Nooteboom gelukkig nooit helemaal laat doven. Zodoende ademt Het volgende verhaal een aangenaam melancholieke sfeer en zijn er soms wel degelijk geslaagde passages:

Verdriet hoort in de lijnen van je gezicht te zitten, en niet in je geheugen. Het is bovendien ouderwets, verdriet. Je hoort er haast nooit meer iets over.

Een schitterende observatie, die een veel beter boek had verdiend.

[Eerder verschenen op Recensieweb.]